Tom SIMPSON

Geboortedatum: 30 november 1937
Geboorteland: Groot Brittannië
Overleden op: † 13.07.1967

Het had eigenlijk een vrijdag moeten zijn, die dertiende juli in 1967. Maar het was een donderdag, een dag vol ramspoed in de Tour de France.
‘De hitte was in de vroege middaguren opgelopen tot waarden ver boven de dertig graden Celsius. Het asfalt op de Ventoux begon te smelten toen een kopgroep van negen renners aan de beklimming begon.
De Nederlandse radioverslaggever Theo Koomen gaf zijn motard opdracht even gas te geven en langs de weg te parkeren om vandaar een korte impressie van de klim naar Hilversum door te geven.
“WAT HIER GEBEURT ZOU EIGENLIJK NIET MOGEN”, schreeuwde hij niet zonder pathos toen hij de negen renners langs zich zag zwoegen met scherp getekende gezichten, holle ogen en monden die smeekten om water.
Het waren de Fransen Poulidor, Pingeon, Aimar en Letort, de Italianen Gimondi en Balmanion, de Spanjaard Jimenez, de Engelsman Simpson en Jan Janssen.
Nadat hij de luisteraars in Nederland op de hoogte had gebracht van de situatie in de achterhoede, waar de overige Nederlanders de dag vervloekten waarop zij wielrenner waren geworden, repten hij en de motard zich weer richting kopgroep.
De negen vooraan waren juist op het punt aangeland waar het groen van de bomen verdwijnt. De eerste die ze in het vizier kregen, was Tom Simpson.
Hij had het moeilijk en met de blik op oneindig stampte hij in de steeds ijler wordende lucht met wijd geopende mond op de pedalen.
Even verder beschreef de op volle toeren draaiende radioverslaggever het beeld van de eveneens geloste Aimar en hij riep niet zonder overdrijving:
“GODDET EN LÉVITAN ZIJN GEK GEWORDEN, BIJ AIMAR DRUPT ZELFS HET BLOED UIT ZIJN OGEN. JAN JANSSEN ZIT HIER DUS NOG VOOR. MOEDERTJE, MOEDERTJE DAT GAAT WAT WORDEN VANDAAG.”
Op het moment dat Koomen bij de kopgroep kwam, riep Léon, de Belgische motard: “Jimenez demarreert, je moet weer in de uitzending.”
Koomen meldde zich in Hilversum en in de overtuiging verbinding te hebben, schreeuwde hij: “JIMENEZ IS ER VANDOOR EN POULIDOR GAAT HEM ACHTERNA. JANSSEN, PINGEON, GIMONDI, BALMANION EN LETORT KUNNEN NIET MEER VOLGEN.”
Die woorden hebben de luisteraars in Nederland nooit bereikt, want de verbinding was verbroken en dat bleef voorlopig zo, waardoor Theo Koomen niet in staat was de meest afschuwelijke reportage uit zijn carrière te maken, toen hij zich liet terugzakken om te zien of er een kans was dat Aimar en Simpson nog zouden terugkomen.
Tom Simpson, de mijnwerkerszoon uit Doncaster, die met zijn vrouw Helen in Mariakerke bij Gent woonde, ging zigzaggend over de weg en drie kilometer voor de top was zijn snelheid zo ver gedaald dat hij met fiets en al kapseisde en verdoofd bleef liggen.
Zijn ploegleider en de mecanicien sprongen uit de auto en renden naar hem toe. “Put me back on my bike,” stamelde hij nauwelijks hoorbaar en de twee Britten begingen de stommiteit om dat ook nog te doen.
Met moeite greep Simpson het stuur van zijn fiets en de mecanicien duwde hem zo goed en zo kwaad als dat ging weer op gang. “Come on Tom, just another few miles,” riep de man hem optimistisch na.
Tom Simpson hoorde het niet meer, hij hoorde niets meer. In plaats van rechtuit reed hij dwars over het wegdek richting ravijn. Het publiek stond erbij en keek ernaar, zich wel bewust dat zich hier een verschrikkelijk drama afspeelde, maar niet bereid iets te doen wat het nog zou kunnen voorkomen.
Vlak voor hij in het ravijn zou rijden, viel Simpson wederom zijwaarts om en terwijl zijn benen nog roulerende bewegingen maakten, verstijfde zijn gezicht toen zijn ploegleider zich over hem heen boog en de arme Tom aanspoorde op te staan en weer op zijn fiets te klimmen.
Inmiddels was ook een Belgische volgauto gestopt en mecanicien Fernand Tuytens rende naar Simpson toe en trok de ploegleider bij hem vandaan: “Zijt ge nou helemaal zot geworden, n’n kind kan toch zien dat het met Tommy gedaan is.”
De Belg pakte voorzichtig het lichaam van de Engelsman op en legde het op een enigszins beschut plekje aan de kant van de weg, terwijl hij met zijn voorovergebogen lichaam voor wat schaduw zorgde. Bezorgd keek hij naar het zielige hoopje mens, dat die ochtend nog vol vertrouwen was geweest dat hij die dag een grootse prestatie zou neerzetten.
Even later arriveerde dokter Dumas, de Tour-arts. Die begon aan een zinloze hartmassage terwijl de meegekomen verpleegster het nog probeerde met mond-op-mondbeademing.
De helikopter landde en Simpson werd op een brancard gelegd en aan boord van het toestel gebracht. De helikopter vloog richting Avignon terwijl de aan boord zijnde arts de hartmassage voortzette.
Die helikoptervlucht was achteraf natuurlijk ook niet zo’n goed idee. In de al ijle lucht daarboven op de Ventoux heeft iedere renner het moeilijk met ademhalen als zijn hartslag op dat moment ver in het rood zit.
Als je zo’n uitgeputte renner daar dan nog eens honderden meters bovenuit tilt in een helikopter dan ben je, volgens oud-renner en oud-ploegleider Raphael Geminiani, bezig met moord. “Ze hebben Tommy vermoord in die helikopter, omdat hij daarboven op drie-, vierduizend meter helemaal geen lucht meer kreeg.”
Tom Simpson kwam klinisch dood in het ziekenhuis van Avignon aan en zijn overlijden kon daar, ondanks alle pogingen om hem tot leven te wekken, alleen maar worden bevestigd.
Even later meldde de Tour-radio dat rugnummer 49, Tom Simpson van de Britse ploeg, de strijd had gestaakt.’

Fragment uit Jan Janssen, vedette op de grens 2001

13-07-2016