Evert DOLMAN

Geboortedatum: 22 februari 1946
Geboorteland: Nederland
Overleden op: † 12.05.1993

Op 12 mei 1993 stierf Evert Dolman. Zijn overlijden kwam niet onverwacht, want het was bekend dat Eef aan een mysterieuze ziekte leed en al enkele jaren in een verpleeghuis verbleef. Hij herkende niemand meer. Op zijn begrafenis was iedereen aanwezig en in de nazit met koffie en cake zijn z'n opmerkelijkste prestaties nog eens opgerakeld.
Hij groeide op als een stil en introvert ventje dat over een goed stel hersens beschikte. Een tikkie streberig was-ie. In de huiskamer stond altijd een dambord op tafel en hij was dagelijks bezig om de geheimen van het spel te doorgronden. De potjes met zijn vader werden gekenmerkt door fanatieke eerzucht.
Door een neefje kwam hij op dertienjarige leeftijd in contact met de wielersport. Met de hele familie Dolman vond Eef het hartstikke leuk als Wimpie weer een bekertje had gewonnen. Op de verjaardag van zijn moeder kreeg ie ook een racefiets. Daarmee was hij Wim al snel de baas, evenals de vele leeftijdgenootjes die hij in de koersen ontmoette. In de huiskamer werd een grote prijzenkast opgehangen, die week na week voller werd.
Hij gaf zijn ogen goed de kost en al snel vond hij de wielerwereld maar een conservatief gezelschap met vastgeroeste opvattingen. Over alles wat met het lichaam en het materiaal te maken had, las hij wat hij te pakken kon krijgen en dacht hij diep na.
Voor zijn voeding en verzorging en voor de training ontwikkelde hij eigen methodes, die hij tot in detail uitprobeerde om de resultaten gedisciplineerd bij te houden. Werkte iets niet zoals hij verwacht had, dan zocht hij verder naar een betere methode.
Materiaaltechnisch vond hij zijn mentor in de Rotterdamse oud-wielrenner Wout Verhoeven, eigenaar van een racespeciaalzaak. Eef begreep al vroeg dat hij een tandje groter moest rijden om een tegenstander de baas te zijn. Daarom draaide hij als jong rennertje al een eerbiedwaardige versnelling rond en kon heel aannemelijk uitleggen dat hij met die grote plaat veel minder energie gebruikte dan renners die een of twee tandjes kleiner reden.
Hij was geen supertalent, want er waren betere tijdrijders, klimmers en sprinters. Hij had echter één eigenschap waar niemand aan kon tippen: een welhaast maniakaal concentratievermogen. Hij koos soms lang tevoren de koers uit die hij wilde winnen en hij was er vanaf dat moment dan ook dag en nacht mee bezig.
Hij leefde als een zombie naar zo'n wedstrijd toe en liet niets aan het toeval over. Hij kende iedere centimeter van het parcours en elke bocht en helling kon-ie dromen. Hij koos samen met Verhoeven precies het materiaal dat voor het resultaat nodig was. Hij was zo zeker van zichzelf dat hij zijn overwinningen aankondigde en het was zijn uitzonderlijke klasse dat hij bijna altijd gelijk kreeg.
Met zijn talent, eerzucht en fanatisme won hij veel. Omdat hij zo jong met wielrennen was begonnen was hij nog maar achttien toen hij naar de amateurcategorie overging. Daar heerste een heel andere sfeer. Die renners waren niet alleen ouder dan hij, maar ook veel sterker dan hij bij de jeugd gewend was.
Bovendien waren ze veel ervarener in het omgaan met de randverschijnselen van het toenmalige wielrennen. Eef hoorde van hen voor het eerst over doping, waar toen openhartig over gesproken werd omdat het nog niet verboden was.
Na een korte gewenningsperiode draaide hij ook bij de amateurs op topniveau mee. Hij werd geselecteerd voor grotere koersen en zocht, op advies van andere renners en ploegleiders, contact met een sportarts die in die tijd heel veel topwielrenners medisch begeleidde. Op diens aanraden ging Eef bij belangrijke wedstrijden gebruiken. Eeffie deed er niet geheimzinnig over. Hij vertelde het frank en vrij tegen de buitenwacht.
Toen hij in 1964 van bondscoach Middelink te horen kreeg dat hij alleen kans maakte op deelname aan de Olympische Spelen van 1964 als hij kampioen van Nederland werd, concentreerde hij zich, zoals alleen hij dat kon, op de titelstrijd en slaagde. “Het kon niet misgaan, ik heb die koers al honderden keren gereden”, was zijn nuchtere commentaar na afloop.
Middelink had een luxeprobleem. Zijn selectie zat vol met klasbakken en aan veel van die jongens had hij al toezeggingen gedaan. Wat moest hij dan nog met dat Rotterdamse jochie? Het enige wat hij kon doen was de lat hoog leggen.
Overal waar Dolman niet won werd hem dat aangerekend, maar uiteindelijk dwong de Rotterdammer zijn selectie voor het WK af. Hij kreeg een plaatsje in de ploeg voor de honderd kilometer ploegentijdrit. Door toedoen van Bart Zoet werd het een debacle en Dolman moest zich voor de Olympische spelen opnieuw bewijzen.
Dat lukte hem pas op het laatste moment door in een tijdrit met een ploeg van De Rotterdamse Leeuw de nationale selectie van Middelink overtuigend te verslaan. De bondscoach kon niet meer om hem heen. Met Zoet, Pieterse en Karstens behaalde hij goud. 
Het jaar daarna werd hij wederom kampioen van Nederland met het volgende doel al in zijn kop. Hij wilde wereldkampioen worden op de Nürburgring. Hij nam een jaar de tijd voor zijn voorbereiding en reisde vele malen naar Duitsland om het parcours gedetailleerd in zijn kop te stampen.
Verhoeven werkte intussen aan de wonderfiets waarop het moest gebeuren. Hij elimineerde maar liefst drie kilo aan overtollig gewicht en de fiets werd afgemonteerd met superlichte zijden tubes. Dollie liep over van de moraal en al in de tweede ronde ging hij er met drie man vandoor.
Vooral door zijn toedoen werd een riante voorsprong opgebouwd. In de finale leek de Brit Leslie West de beste, nadat de twee anderen waren gelost. Het was schijn, want in de eindsprint dolde Eef met de Engelsman. Eenmaal over de finish constateerde Verhoeven dat de tubes tot op de draad versleten waren.
Nog eenmaal haalde Dolman dit uitzonderlijke niveau. Toen hij in 1967 - nadat hij als eerstejaars beroepsrenner kampioen van Nederland was geworden - werd betrapt, bij een poging om een meegebrachte schone plas over te gieten in het flesje van de dopingcontrole, werd hem zijn titel ontnomen. In de kranten werd hij onbarmhartig gevonnist.
Hij vond dat zo vernederend dat de kampioensstrijd van 1968 zijn volgende doel werd. Volgens kenners heeft hij nooit beter gereden als op die dag. Volstrekt naturel, zoals hij ook de rest van zijn loopbaan - inclusief vier uitgereden Tours - zou doen. Het etiket van een roekeloze slikker zat echter al muurvast op zijn voorhoofd.
De grote belofte is daarna langzaam afgegleden naar het niveau van een modale beroepsrenner. De verschroeiende eerzucht was op. Als uitschieter won hij in 1971 nog de Ronde van Vlaanderen, maar hij was er nauwelijks blij mee. Aan het eind van het seizoen 1973 stopte hij op nog maar 27-jarige leeftijd. De officiële reden was een verstoorde bloedcirculatie in zijn linkerbeen, maar in werkelijkheid was hij opgebrand.
Met zijn vrouw Sissy begon hij in Dordrecht een winkel in woningtextiel met een steeds uitgebreider assortiment. Door een recessie in de woningmarkt ging hij weer studeren. Hij kreeg een mooie administratieve functie bij een nutsbedrijf.
In zijn vrije tijd coachte hij Sissy in haar succesvolle jacht op nationale, Europese en wereldtitels in het powerliften. Zelf ging hij weer dammen en bereikte in die sport een meer dan gemiddelde status.
In 1986 maakte een collega Sissy opmerkzaam op het soms vreemde gedrag van haar echtgenoot tijdens het werk. Het werd het begin van een dramatische lijdensweg. Na heel veel onderzoeken bleek Eef aan de ziekte van Pick te lijden, een vorm van dementie die hem in luttele jaren sloopte. Met zijn dopingverleden had het niets te maken, verzekerden de artsen.
Eeffie werd slechts 47 jaar. Ze moesten in Rotterdam maar eens een straat naar hem noemen.

Uit Wielerhelden van Oranje, 2003

22-02-2016