De Burgerlijke Stand van 7 april.

Joaquim AGOSTINHO (1942, overleden, Portugal)

West-Europa is de bakermat van de wielersport en als we met een viltstift op de kaart de grenzen aangeven dan gaat die van het noorden van Nederland langs de oostgrenzen van Duitsland, Zwitserland en Italië naar het Iberisch schiereiland en zo weer naar boven langs de kusten van Frankrijk, België en Nederland. Daarbinnen ligt het gebied waar alle grote wedstrijden worden gehouden en waar de traditie van het cyclisme diep verankerd is. In al die landen bestaan er legendes omdat er in de loop der geschiedenis duizenden renners van naam zijn geweest. De enige uitzondering is Portugal. Ik kan nog geen vijf Portugese renners van naam opnoemen, maar ik ken wel een Portugese legende van de bovenste plank: Joaquim Agostinho. Veertien keer aan de start van de Tour en acht keer bij de eerste tien. Twee keer derde achter het illustere duo Hinault-Zoetemelk. Winnaar van vijf etappes waaronder een koninginnerit naar l’Alpe d’Huez, waar bocht 17 naar hem vernoemd is. Tinho werd hij genoemd, zowel een afkorting als een koosnaam. Agostinho was geliefd, zowel bij zijn collega’s als bij het publiek. Een simpele boerenman van wie niet eens vaststaat wanneer hij precies geboren is, die waarschijnlijk analfabeet was en die voor hij ging wielrennen de meest vreselijke dingen heeft meegemaakt als huursoldaat in Mozambique. Hij heeft er nooit over gepraat, maar hij is er wel keihard van geworden. Hij viel vaak, want hij was geen handige renner die overal tussen door stuurde. Als er gevallen werd, dan lag hij er solidair bij en zijn kleine geblokte lijf zat onder de littekens. Pleister erop en koersen, was zijn devies. Hij had groots moeten sterven, vind ik, maar het was te schjemielig voor woorden, dat hij zijn einde vond doordat een loslopend hondje overstak in de Ronde van de Algarve, waardoor Tinho zijn zoveelste val beleefde. Pleister erop en koersen maar. Maar een schedelbasisfractuur is geen schrammetje. Hij reed de rit uit en meldde zich toen bij de dokter. Die stuurde hem direct naar het ziekenhuis waar hij elf dagen later overleed. Portugal had zijn grootste wielrenner aller tijden verloren.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Andy HAMPSTEN (1962, Verenigde Staten)

De Verenigde Staten is geen wielernatie. Het aantal Amerikaanse licentiehouders is in vergelijking tot de meeste Europese wielerlanden te verwaarlozen. Amerika heeft enige vooroorlogse traditie in het baanwielrennen. Toen werden daat aan de lopende band zesdaagsen geor- ganiseerd en ieder zichzelf respecterende stad had een wielerbaan. In het wegrennen heeft dat immense land – god’s own country – heel lang niet meegedaan. Tot er in de jaren zeventig wat yanken naar Europa kwamen om hier te koersen. En toen was daar ineens Greg LeMond, een jongetje met een beugeltje en een fiets. Daarmee stond hij in Amstelveen op de stoep bij Peter Post. Of hij een contractje kon krijgen? Post stuurde hem weg, want die hield van beulen. Maar LeMond werd twee keer wereldkampioen en hij won drie keer de Tour. In het gevolg van LeMond kwam ook Andy Hampsten naar Europa. Nog een klasbak en een opvallend goed ronderenner. In 1988 won hij de Ronde van Italië, nadat hij al twee maal de Ronde van Zwitserland had gewonnen. Hampsten was een echte ronderenner. In de Tour die hij won werd de show gemaakt door Erik Breukink en de Zwitser Urs Zimmermann. Maar waar zij gingen daar was Hampsten altijd in de buurt. Hij won in die Giro twee etappes. De eerste was de 12e rit van Novarra naar Selvino met de aankomst bergop. Breukink en Zimmermann verloren daar 15 seconden. In de 18e rit, een klimtijdrit van slechts anderhalve kilometer verloren de Nederlander en de Zwitser rond de minuut en het klassement was gemaakt. Hampsten rij je niet zoek. Die koerste attent en profiteerde met zijn zwakke ploeg optimaal van de arbeid die de Panasonics van Breukink en de Carrera’s van Zimmermann leverden. Altijd de ogen open, eerst het bordje van de ander leegeten en profiteren waar je kan. En op de beslissende momenten toeslaan. Als je daarbij goed kunt klimmen en tijdrijden heb je het recept voor het winnen van de Tour te pakken. En natuurlijk die winnaarsmentaliteit, die iedere Amerikaanse sportman in de genen heeft. LeMond had het, Armstrong had het, Landis heeft het en Andrew Hampsten, zoon van een professor, had het natuurlijk ook. (Foto: © Cor Vos)

De andere op 7 april geborenen zijn:

BUNKER, Joe (1930, Groot Brittannië)
DE BEUCKELAER, Jef (1925, overleden 06.11.1969, België)
ERMETI, Giairo, (1981, Italië)
GRABSCH, Ralf (1973, Duitsland)
KLINK, Dethmer (1916, overleden 08.03.1987, Nederland)
MULDERS, Rob (1967, overleden 29.01.1998, Nederland)
PROOST, Louis (1935, België)
ROTTIERS, Karel (1953, België)
VERSTAPPEN, Twan (1957, Nederland)
WAMPERS, Jean-Marie (1959, België)

Door Fred van Slogteren, 7 april 2007 0:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web