Het balhoofdplaatje van Otto …

Het woord vedette wordt in de sport gebruikt voor iemand die in prestaties en verder in zijn hele doen en laten en presentatie een sieraard is voor de sport en een voorbeeld voor jonge mensen om ook aan sport te gaan doen. Voorbeelden te over.

Zoals in 1961 toen schaatser Henk van der Grift zonder professionele trainingsfaciliteiten in Gotenburg wereldkampioen langebaanschaatsen werd. Hij ging op eigen kosten naar Noorwegen, werkte er ‘s ochtends als automonteur en woonde met zijn verloofde in een goedkoop pensionnetje.

’s Middags ging hij met zijn schaatsen en een bezem naar een dichtgevroren meer, maakte met de bezem een privé schaatsbaantje sneeuwvrij en ging trainen tot het donker werd. Hij werd wereldkampioen.

Het leidde in Nederland tot groot enthousiasme en in Amsterdam werd eindelijk de knoop doorgehakt. De Jaap Edenbaan kon gebouwd worden. In de jaren daarna ging in ons land de ene na de andere kunstijsbaan open.

In hetzelfde jaar werd ook de Utrechtse bouwvakker Anton Geesink in Parijs wereldkampioen in een geheel door Japanners beheerste sport. Keizer Hirohito was diep vernederd en de judoscholen in heel Nederland konden de nieuwe ledenstroom maar nauwelijks verwerken.

In 1993 gebeurde iets soortgelijks toen Lance Armstrong in Oslo wereldkampioen wielrennen werd. Volgens UCI-voorzitter Hein Verbruggen zou Lance toen 250 miljoen Amerikanen enthousiast hebben gemaakt voor de wielersport.

Iedereen kent nog het vervolg. Lance werd ziek, leed aan teelbalkanker, ging de lange weg van bestralingen en chemokuren en genas wonder boven wonder. Hij keerde terug in het peloton, maar de wielervolgers konden hun ogen niet geloven.

Hij was een heel andere wielrenner geworden. De bonkige klassiekerspecialist was een lichtgewicht klimmertje geworden en in plaats van de grote plaat draaide hij met een hoog beentempo een koffiemolentje in de rondte.

De nieuwe Lance won zeven keer de Tour de France en niemand vond het gek dat hij verder bijna nergens aan de start verscheen. De Texaan kreeg fans over de hele wereld en gebruikte zijn roem om met Livestrong grote sommen geld binnen te harken voor de kankerbestrijding.

Dat vond iedereen prachtig, ook de pers, maar in 2004 kwamen de journalisten Pierre Ballester en David Walsh met een onthulling in boekvorm dat de Amerikaanse vedette niet helemaal eerlijk zijn successen had behaald.

De beide dappere journalisten werden afgeserveerd. In de eerste plaats door Lance himself en verder door enkele honderden ‘collega’s’, die getuige waren geweest en Armstrong liever te vriend hielden. Verbruggen hield zich op de vlakte, Mart Smeets sprak er schande van en het zou bijna tien jaar duren voor The Boss werd ontmaskerd.

Sinds zijn bekentenis bij Oprah Winfrey is Lance Armstrong langzaam een beklagenswaardige figuur geworden. Ontdaan van alle grandeur is hij geen vedette meer en is hij in plaats van een icoon, dat de jeugd aan het wielrennen moest brengen, het afschrikwekkende symbool geworden van een duistere periode die we hopelijk voorgoed achter ons hebben gelaten.

Van de huidige generatie wielrenners wordt nu aangenomen dat ze schoon rijdt. Daar zijn meerdere bewijzen voor en ik hoop van harte dat het waar is. Ondanks boeken als die van Thomas Dekker moeten we dat blijven geloven, tenzij het tegendeel keihard en ondubbelzinnig wordt aangetoond.

De moraal van dit verhaal is dat we sportmensen niet zo gauw 'een vedette' moeten noemen.

Foto 2: © Cor Vos

Door Otto Beaujon, 16 december 2016 12:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web