Uit de wasserette van Henk …

Tijdens de laatste Olympische Spelen heb ik een aantal keren aan Arie van Vliet (1916-2001) moeten denken. Dat was op de momenten dat een Nederlandse deelnemer of deelneemster de finale had gehaald en aan de betreffende landgenoot naar zijn of haar kansen werd gevraagd.

Dan volgden meestal antwoorden waaruit voorzichtigheid sprak. Die mede-finalist was beter en dus favoriet. Of als ze zelf favoriet waren, er een opsomming volgde wat er allemaal mis zou kunnen gaan.

In 1971 was Arie van Vliet de chef d’équipe van de Nederlandse baanploeg bij de wereldkampioenschappen in het Italiaanse Varese. Na het afscheid van eerst Van Vliet en daarna Jan Derksen hadden we dat jaar weer een kampioenskandidaat bij de beroepssprinters.

Dat was de Amsterdammer Leijn Loevesijn en die was behoorlijk zenuwachtig toen hij zich voor de halve finale had geplaatst. Daarin moest hij het opnemen tegen de Italiaan Giordani Turrini, die alom als de sterkste van de laatste vier werd beschouwd.

Loevesijn was van mening dat hij het volgens de reglementen niet tegen Turrini, maar tegen de Australiër Gordon Johnson moest opnemen, wat zijn kansen op een finaleplaats volgens hem zou vergroten.

Hij ging daarom naar Van Vliet en vroeg de chef d’équipe of die niet een protest wilde indienen. Hij kwam op een slecht moment, want Van Vliet zat met enkele Nederlandse bobo’s te kaarten.

Zonder zijn ogen ook maar een moment van het spel af te houden, hoorde Van Vliet de vraag van Loevesijn en zei toen: “Jongen, als je kampioen wil worden dan moet je ze allemaal kunnen hebben.” Een dag later werd Leijn Loevesijn gehuldigd als wereldkampioen.

Arie van Vliet was een groot sprinter en dit ouderwetse truitje is de eerste van de vijftien Nederlandse kampioenstruien die hij als sprinter behaalde. Twee keer bij de amateurs en dertien keer bij de beroepsrenners.

Hij won goud en zilver bij de Olympische Spelen van 1936 en werd vier keer wereldkampioen. In 1936 bij de amateursprinters en in 1938, 1948 en 1953 bij de profs. Hij was een man met veel humor, die gek was op practical jokes. Zeker als hij daarmee een rekening kon vereffenen.

Hij woonde zijn hele leven in Woerden, de kaasstad waar tijdens zijn wielercarrière de kerk de dienst uitmaakte. Sportbeoefening op zondag was er niet aan de orde en de successen van de beroemdste inwoner van het kaasstadje werden door de gemeentepolitiek consequent genegeerd.

Pas dertien jaar na zijn afscheid ontstond er een initiatief om hem alsnog te huldigen. De Oostenrijkse kunstenaar José Pirkner kreeg de opdracht een beeld ter ere van Arie te vervaardigen.

Het werd een prachtig kunstwerk dat twee verstilde sprinters voorstelt, die elkaar geconcentreerd in sur place beloeren. Toen het op twintig meter afstand van zijn voordeur werd onthuld, ontbrak Arie bij de feestelijkheden. Voor hem hoefde het niet meer na al die jaren.

Op de dag dat het beeld werd onthuld stonden daar de notabelen van Woerden, een kleine menigte genodigden en het voltallige college van B&W. Alleen Arie was er niet, hij had ook niet gereageerd op de uitnodiging.

Ook na herhaaldelijk aanbellen werd er vanuit villa Oerkikon niet opengedaan. De gordijnen waren gesloten. Geen enkel teken van leven.

Maar Arie was wel thuis en heeft ongetwijfeld door een kier van de gordijnen grijnzend (niemand kon zo mooi grijnzen als Arie) staan kijken hoe de burgemeester met ambtsketen en de wethouder daar voor Jan Doedel stond.

Toen iedereen weg was, is hij op z'n pantoffeltjes toch maar even gaan kijken. Toen hij weer binnen was, zei hij tegen Miep zijn vrouw: “Er klopt niks van, de cranks staan verkeerd.”

Foto 2: archief dewielersite.net
Foto 3: © T&T Tekst & Traffic

Door Henk Theuns, 5 oktober 2016 12:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web