ad ad ad ad
Deel 3 is uit

Jean Nelissen blijft onvergetelijk

Wijlen Jean Nelissen - hij is al weer zes jaar dood -  leerde ik kennen in het begin van de jaren zestig. Een hele tijd geleden dus. Volgens mij was Napoleon net vertrokken, maar het kan ook iemand anders zijn geweest. Doet er niet toe.

Jean en ik troffen elkaar toen regelmatig op de wielerbaan van Oirsbeek. En als daar een pauze werd ingelast liepen we naar een keurig café aan de overkant om daar onder het genot van een drankje over wielrennen en sportjournalistiek te praten.

Twee activiteiten die zin hebben gegeven aan zijn en mijn leven. Ook ’zaten’ we in die periode (1963, ’65, ’66 of daaromtrent) in de Ronde van Nederland en Amstel Gold Race, vervolgens de grote koersen in het buitenland, inclusief de Tour.

Overigens, we waren niet alleen vrienden en collega’s, we waren ook concurrenten van elkaar. Jean werkte voor de ‘gazet’ in Maastricht, die toen nog de Nieuwe Limburger heette.

Ik was – als freelancer – op pad voor het blad Wielersport en later voor Wielerrevue. Verder werkte ik voor het Limburgs Dagblad in Heerlen én de hiermee samenwerkende kranten in Roermond en Venlo, respectievelijk de Maas- en Roerbode en het Dagblad voor Noord-Limburg.

Kortom, ik leerde Jean kennen en ik had respect voor hem. Hij gaf aan de dagbladjournalistiek in Limburg een nieuwe invulling. Zijn reportages in de zaterdagkrant, bijvoorbeeld, werden gevreten.

Jean zocht in eigen land en ook buiten de grenzen de coryfeeën op. Tegelijk daarmee doorbrak hij de ietwat oubollige voorbeschouwingen die tot dan toe de gebeurtenissen van het naderend weekeinde markeerden.

Er zijn wellicht mensen die zich dat nog voor de geest kunnen halen, zo in de trant van: ’Maurits zal ongetwijfeld van het terreinvoordeel profiteren in de thuiswedstrijd tegen het altijd lastige Limburgia’. En meer van dat soort dingen.

In Maastricht, bij de Nieuwe Limburger, waren ze maar wát blij dat ze Jean Nelissen konden binnenhalen. Hij was en werd een geducht wapen in de strijd tegen eeuwige rivaal het Limburgs Dagblad.

Niet alleen ontpopte hij zich als een boeiend schrijver, hij bleek ook een nieuwsjager in het kwadraat. Méér dan eens troefde hij (ook) de landelijke bladen af met primeurs over wielerkeizer Peter Post, voetbaltovenaar Johan Cruijff en toptrainer Rinus Michels.

Ik durf te wedden dat hij deze sterren van weleer hierboven bij Onze Lieve Heer alweer ontmoet heeft. En toen kwam Jean – uiteraard, zou ik willen zeggen – bij de televisie terecht waar hij als commentator van grote fietsevenementen mét zijn eeuwige metgezel Mart Smeets tot een icoon uitgroeide.

Televisie en krant, Jean combineerde het ene medium met het andere. Een dag had bij hem een langere duur dan vierentwintig uur. Tussendoor kwam ikzelf na mijn freelance-leven een poosje te werken bij de krant waar hij chef van de sportredactie was, derhalve de Nieuwe Limburger die naderhand de Limburger is gaan heten.

Nou, in die paar jaar als sportredacteur onder supervisie van Jean heb ik het een en ander meegemaakt. Leuke ervaringen, maar ook gebeurtenissen die minder reden tot opgewektheid gaven. De samenwerking zou je in grote lijn kunnen vergelijken met een goed huwelijk. Daar kan het ook wel eens stormen.

Maar altijd stond het werk voorop. Jean en ik zijn het soms gruwelijk met elkaar oneens geweest. Maar (tjonge, tjonge, tjonge) wat kwamen we ook altijd snel weer in de beste verstandhouding tot elkaar, meestal nadat we - overigens zonder veel tegenzin - een offer aan de goede heer Bacchus hadden gebracht.

Eind 1972 verkaste ik naar het Limburgs Dagblad, waar ik trouwens ook kort na de eeuwwisseling mijn pensioen heb gehaald. Jean bleef op zijn post in Maastricht en bij de televisie.

We hebben elkaar in al die jaren vele, vele honderden keren ontmoet, zowel in de klassiekers als in de Tour de France en andere grote koersen. En we zijn – ondanks het feit dat we concurrenten van elkaar waren - vrienden gebleven die na de spanning van alledag tijd vonden om van de goede dingen des levens te genieten.

Wat ik tot slot nog kwijt wil? Ik heb het triest gevonden toen Jean in zijn jaren ná de krant en ná de televisie in de staart van het peloton terecht kwam, als U begrijpt wat ik bedoel.

Ik ga daar verder niet op in, maar herinner me alleen de spreuk die ik ooit zag op de muur van mijn stamcafé met de volgende inhoud: ’Van het concert des levens krijgt niemand een program.’

Toen Jean niet meer op primeurjacht kon, toen hij niet meer midden in het sportleven kon vertoeven, knakte er iets. Veel te vroeg is hij heengegaan.

Maar hij heeft geen leegte achtergelaten, althans niet in de harten van hen die hem gekend hebben, die genoten van zijn verhalen, zijn boeken, zijn commentaar. Jean blijft onvergetelijk. Iconen sterven niet.’

Tekst: Wiel Verheesen
Foto’s: © Cor Vos



Door Wiel Verheesen, 1 oktober 2016 14:00

De Neel

Net als Wiel trof ik hem overal. Zijn enorme sigaren zal ik nooit vergeten. Net zo als zijn beroemde verhaal over de reuze biefstukken, die hij ergens in Maastricht te koop wist. Nergens ter wereld serveerden ze zulke biefstukken, beweerde Jean. Dat kon alleen maar in zijn Maastricht.

Tijdens één van de talloze avonden van een Maastrichtse Zesdaagse leidde hij mij door de duistere nacht naar zijn favoriete tent. En inderdaad de biefstuk die geserveerd werden, hingen over de rand van mijn bord.

Nieuwsgierig naar de koeien waar die vanaf kwamen, begon ik de eigenaar van de snackbar - want een restaurant was het eigenlijk niet - drank aan te bieden en te ondervragen. Het werd steeds gezelliger. Jean stak nog één van zijn enorme stinkstokken op, bestelde nog maar eens een cognac en de baas besloot rond drie uur 's nachts het grote geheim te onthullen.

We volgden hem naar zijn keuken. Hij deed de koelkast open, haalde er een biefstukje uit, draaide hem zonder pardon door een wringer en daar lag de pannenkoek van vlees. De Neel en ik keken elkaar verbluft aan en schaterden het uit.

Ja, met Jean kon je verrassende dingen meemaken. 't Was een mooie man die je niet zomaar vergeten kan.
Geplaatst door Ron Couwenhoven, 02 oktober 2016 00:12:42

Jean, een triest verhaal

Begin jaren negentig werkte ik bij een bedrijf dat een middel op de markt bracht dat alcoholisten kon helpen hun treurige zucht naar alcoholgebruik enigszins te beteugelen. Bij huisartsen viel ik met de deur in huis door te vragen: ‘Enig idee hoeveel alcoholisten u in uw praktijk heeft?’

Uit hun antwoord kon je concluderen hoe zeer en hoe dubbel ook deze veronderstelde deskundigen keken naar het fenomeen alcoholisme. Vaak openbaarde zich nadrukkelijk de stoere macho of proefde je nog een vleug van het brallende bestuurslid van een gerespecteerde studentenvereniging.
De dooddoener, ‘ach ja, wie drinkt er nou niet eens een glaasje teveel?’ iets te vaak gehoord.

Bij zes jaar dood van Jean Nelissen proef ik vergelijkbaars. De keiharde realiteit was dat Jean al jaren zoop, letterlijk slaaf was van zijn alcoholgebruik. Welke impact dat heeft op mensen, valt in je naaste omgeving te ontdekken. Nederland telt ruim een miljoen mensen met een alcoholprobleem.

Ik kende Jean niet persoonlijk, maar had op afstand al jaren medelijden met hem. Tegelijkertijd verfoeide ik zijn naaste omgeving. Vaak is die onderdeel van een verslaving.

Er blijkt een schromelijk tekort aan mensen die de persoon in kwestie durven confronteren met zijn/haar over de rand klotsende levensstijl. In plaats daarvan conformeren ze zich, gniffelen soms. Want zeg nou eerlijk; zo’n man onder invloed (en dat was Jean nagenoeg permanent) durft dingen die ze zelf niet durven. Ook kun je lachen om iemands rare gedrag.

Ga maar eens naar een kermis in n’importe welk plaatsje in de provincie. In zalen en cafés struikel je bijna over ze: de zware drinkers. Weg is hun natuurlijke gêne, want het is tijd om de beest uit te hangen. Natuurlijk vind je in hun kielzog de treurige meeheulende meute. Stiekempjes hopen ze op nog meer ellende.

Over Jean’s kennis van de wielerwereld, geen verkeerd woord. Maar uit de verklarende teksten die bijv. zijn diepere kennis van de wielerfysiek moest verklaren, klonk al de alcoholslijtage. Treurig is dat die door bepaalde figuren van de jongere garde kritiekloos is overgenomen. (Zou Herbert Dijkstra misschien ook een…?)

Een voorbeeld: Kijk deze renner beschikt over een grote motor. Echt lachwekkend was het als ze in L-B-L de Côte de La Redoute passeerden en Jean begon te oreren dat daar al zuurstoftekort zou heersen.

Maar Jean is dood en ik vraag me af hoeveel van zijn collega’s ooit weigerden om met hem een borrel te drinken met daarbij de verklaring: ‘Ik wil geen aanleiding zijn voor jou om te gaan zuipen.’


Op mijn netvlies staat onverminderd die ene huisarts. Op mijn vraag schrok hij zichtbaar, zweeg een poosje, waarna hij zich dicht naar me toeboog en antwoordde: ‘Van één weet ik het zeker.’
Helaas, hij werd niet oud.

6 september 2010 publiceerde Trouw een treffend verhaal. Edo Sturm schreef het.
Geplaatst door Joep Scholten, 02 oktober 2016 16:39:01

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web