De Burgerlijke Stand van 4 maart.

Bjarne RIIS (1964, Denemarken)

Het wordt te pas en te onpas geciteerd: ‘wat goed is komt snel’, de uitspraak van Joris van den Bergh. Als het waar is dan is Bjarne Riis geen goede renner geweest, want hij had bijna tien jaar nodig om de top te bereiken. Hij debuteerde in 1986 bij de profs in een klein Belgisch ploegje. Een jaar later zat hij in een nog kleiner ploegje. Een Nederlandse ploeg zelfs met de naam Lucas-Atlanta. Met mannen als Patrick Deneut, Werner Devos, Leon Nevels en Ronny Van Holen. Wie kent ze nog? En die zorgden dan nog voor de bescheiden successen en niet de forse Deen uit Herning. Toch kreeg hij daarna een contract bij betere ploegen. Hij verbleef vier jaar in Franse dienst en ging toen naar Italië. En daar werd hij een goede subtopper. De knecht bleek ineens een kopman te zijn en met een vijfde plaats in de Tour van 1993 en een derde twee jaar later, kon hij bij iedere grote ploeg terecht. Hij werd in die Italiaanse jaren wielrenner, mede omdat zijn sterke karakter met leiderscapaciteiten eindelijk naar buiten kwam. Hij leerde veel van vakman Giancarlo Feretti en hij was een van de eerste pupillen van wonderdokter Luigi Checchini. Hij kreeg een contract bij Deutsche Telekom en in 1996 vertrok hij als kopman in de Tour de France. De kalende Deen maakte dat jaar een eind aan de saaie hegemonie van Miguel Indurain en een ieder was hem dankbaar. Toch waren er vraagtekens. Riis was ineens een superieure wielrenner die het initiatief nam en zijn tegenstanders liet staan als hij daar de tijd rijp voor achtte. Dat was een heel andere coureur dan we kenden. In de jaren daarvoor was hij de met moeite aanklampende doorzetter die op zijn wenkbrauwen in het spoor van de leiders bleef en in 1996 was hij de dictator, die in de ingekorte rit naar Sestrière in de beklimming van de Col de Montgenèvre iedereen overtuigde. Hier reed een superkampioen. Die kalende karakterkop boven dat sterke Vikingenlijf straalde een superioriteit en onoverwinnelijkheid uit die grote indruk maakte. In het peloton werd er echter gefluisterd en de bijnaam Monsieur 60 pourcent deed zijn intrede. ‘Riis speelt met zijn leven’, zei een Nederlandse beroepsrenner uit die tijd eens tegen me. Er waren toen meer van dit soort merkwaardige gedaanteverwisselingen, want het peleton had epo ontdekt. En nu is Riis de leider van een van de sterkste ploegen in het ProTour-circuit. Michel Wuyts zei deze week in een interview dat het dopingprobleem van nu mede wordt veroorzaakt door het feit dat alle managers en ploegleiders uit het milieu afkomstig zijn. Dat is waar, maar hoe verklaart Wuyts dan het gedrag van de heer Manolo Saiz, wiens pre het was dat hij nu juist geen wielerverleden had? (Foto: © Philip van der Ploeg)

Wat vermeldt het geboorteregister nog meer?

Georges RONSSE (1906, overleden 04.07.1969, België)

Ronsse was een van de beste eendagsrenners die België heeft voortgebracht. Hij won ze op iedere denkbare manier. Alleen vooruit, als snelste man in een kopgroep en in een massaspurt van het hele peloton. Hij was in zijn tijd een soort Jan Raas. Hij kon de koers lezen als geen ander en hij wist precies hoe zijn tegenstanders er voor stonden. Hij won Parijs-Roubaix, Parijs-Brussel en drie keer de monsterklassieker Bordeaux-Parijs. Maar het meeste indruk maakte hij in 1928 toen hij bij het WK in Boedapest de hele internationale concurrentie op 20 minuten reed. Dat is ongetwijfeld nog steeds een record. Een jaar later prolongeerde hij zijn titel in Zürich, maar nu met een vinnig spurtje. Het maakte hem allemaal niets uit, hij kwam om te winnen en de wijze waarop werd door het koersverloop bepaald. De derny’s waren toen – denk ik – nog niet uitgevonden, maar er werd destijds veel achter de tandem gereden. Ook daarin was Ronsse een kei en hij was jarenlang in het bezit van het werelduurrecord. Dat realiseerde hij in 1936 toen hij in Antwerpen 55 kilometer en 441 meter aflegde. Van het rondewerk moest hij minder hebben, maar ook daarin was hij niet slecht. In de Tour de France van 1932 werd de Antwerpenaar vijfde. Een hoopvol debuut, maar hij kwam nog maar één keer naar de Tour terug om uit te vallen. Een geweldenaar als Ronsse verkeerde nog niet in de luxe omstandigheid, zoals Tom Boonen nu, dat hij al op jeugdige leeftijd binnen was. Hij moest tot het eind van zijn carrière overal aan de bak om geld te verdienen. Zo reed hij ook nog enkele jaren als stayer. Ook dat deed hij goed, want bij het WK behaalde hij twee maal een derde plaats. Zijn bijnaam was De Bleiter, Vlaams voor huilebalk. Ronsse was een emotionele man die bij vrijwel iedere overwinning zijn tranen de vrije loop liet. Gezien zijn palmares kan hij wel eens verantwoordelijk zijn geweest voor het op peil houden van de Schelde in zijn geboortestad.

De andere op 4 maart geborenen zijn:

BERTHET, Marcel (1888, overleden 07.04.1953, Frankrijk)
JACOBS, Elsy (1933, overleden 28.02.1998, Luxemburg)
LAPTHORNE, Darrin (1983, Australië)
MEYVISCH, Hervé (1969, België)
PENA IZA, Aketza (1981, Spanje)
RIGOTTO, Elia (1982, Italië)
TINAZZI, Giorgio (1936, overleden 09.03.1982, Italië)
VENIX, Martin (1950, Nederland)
WINDHOUWER, Gerard (1973, Nederland)
ZANDEN, Tim van der (1984, Nederland)

Door Fred van Slogteren, 4 maart 2007 0:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web