De Burgerlijke Stand van 5 februari.

Barry HOBAN (1940, Groot Brittannië)

Deze Engelsman was in de jaren zestig een knap renner. Hij stond een beetje in de schaduw van zijn landgenoot Tommy Simpson en hij trouwde na diens dood met de weduwe van Major Tom. Mijn herinnering aan Hoban stamt uit de Tour van 1968. Daarin won hij de 19e etappe van Grenoble naar Sallanches en wie iets weet van de Tour de France weet dat dat een bergetappe moet zijn in de Alpen. Hoban was geen klimmer, maar toch was hij die dag de beste. Dat kwam omdat hij heel slim profiteerde van de stand van zaken in die merkwaardige Tour. Het was in feite de beslissende etappe, want Jan Janssen slaagde er die dag in om slechts vier seconden te verliezen op Herman Vanspringel, de Belg die hij een paar dagen later in de afsluitende tijdrit zou verslaan om daarmee de Tour te winnen. Met nog zes etappes te gaan was de Tour nog lang niet beslist. Er waren nog zeker acht kandidaten. Die hielden elkaar in de eerste beklimming scherp in de gaten. Het tempo was niet al te hoog en Barry Hoban meldde zich voorin. De Brit woonde al jaren in België en hij sprak een leuke mix van Engels-Vlaams. Hij zei tegen de favorieten voorop ‘I go efkens vooruit, because I moet poepen’. Janssen, Vanspringel en Bracke moesten er om lachen en ze gaven hem het sein dat hij mocht. ‘We hebben hem die dag niet teruggezien, die vuile rat’, vertelde Janssen me een aantal jaren geleden. 25 kilometer verder had Hoban al 8 minuten en 40 seconden voorsprong en daarvan had hij aan de finish nog ruim 4 minuten over. Plus 1500 gulden, de premie die hij op de top van de Col des Aravis verdiend had, omdat hij er als eerste doorkwam. Hij was kennelijk de enige die dat wist en vandaar de sanitaire stop waar hij zogenaamd zo’n behoefte aan had. Dat was Barry Hoban, een van de kleurrijkste renners uit het toenmalige peloton. (Foto: archief Wim van Eyle)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Michel ROUSSEAU (1936, Frankrijk)

Ik schreef er gisteren al over in ‘Uit het museum van Hans’. Over de grote sprinters uit de jaren vijftig die rond 1960 langzaam uit de gratie raakten. De sprint was jarenlang een topnummer geweest, waar de stadions in heel Europa voor volliepen. Maar er kwam geen vers bloed bij, althans er kwamen geen sprinters meer door die van dezelfde kwaliteit waren als Maspes, Harris, Van Vliet, Derksen, Plattner en nog enkele anderen. Er kwam er nog maar één, een man met dubbele demarrage en een ongelooflijke snelheid. Hij heette Michel Rousseau en hij kwam uit Parijs. Een begenadigd sprinter die in 1956 op de Olympische Spelen van Melbourne goud won en in datzelfde jaar ook wereldkampioen werd. Die titel prolongeerde hij in 1957 en hij stapte daarna over naar de profs. Hij gaf direct zijn visitekaartje af en hij versloeg bij het WK van 1958 de twee favoriete Italianen Antonio Maspes en Enzo Sacchi. Het was indrukwekkend, er was een nieuwe sprintreus opgestaan die de ouder wordende elite even een lesje was komen leren. Maar de ster van de Fransman doofde net zo snel als hij aan het wielerfirmament was opgeflitst. Ieder jaar was hij weer een paar kilo zwaarder tot er een kogelrond mannetje aan de start stond die door iedereen voorbij gereden werd. Hij werd bij gebrek aan tegenstand nog een aantal keren kampioen van Frankrijk maar in 1967 stopte hij al. Ook dat gebeurt in de wielersport. ‘Geen discipline, geen kajaktej’, zou Peter Post zeggen.

De andere op 5 februari geborenen zijn:

CANARDO, Mariano (1906, overleden 21.06.1987, Spanje)
DE BAERE, Karel (1925, België)
DENTI, Mino (1945, Italië)
FRANKEN, Bernard (1915, overleden 04.04.2001, Nederland)
MEIJER, Connie (1963, overleden 17.08.1988, Nederland)
VAN DIJCK, Hendrik (1974, België)

Door Fred van Slogteren, 5 februari 2007 0:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web