Frank Heinen …

Tegenwoordig is hij een grote meneer. Een veelgelezen columnist, iemand wiens mening er toe doet. In 2009 won hij de Hard Gras Prijs en in 2014 mocht hij aanschuiven bij Mart Smeets in De Avondetappe. Plus nog talloze andere blijken van waardering. Al is het alleen maar omdat hij weet waar de punt/komma voor dient. Elk medium zou hem er wel als medewerker bij willen hebben, want hij kan schrijven. 
In 2006 had niemand nog van hem gehoord, was hij een 21-jarig studentje op de School voor Journalistiek en droomde hij van een carrière zoals hij die nu beleeft. Eén met ... 
... vele hoogtepunten, veel waardering en een riant inkomen. Na zo’n droom schreef hij het onderstaande verhaal en stuurde het naar de slogblog. “Sommige weblogs hebben nooit genoeg bezoekers; dit is er één van. Veel succes in de toekomst, die hopelijk lang blijft voortduren”, schreef hij in het begeleidend mailtje.
Ik heb het in december 2006 op deze plaats gepubliceerd. Hoogste tijd voor een herhaling. 
De bezemwagen …
De daad op zich is niet eens zo bijzonder. Je klikt je schoentjes uit de toeclips, remt langzaam af en zet voet aan de grond. Per dag doen tientallen renners het. Nooit is het een dramatisch moment, zelden vraagt men zich af of ze er de brui aan geven. Dat doen ze dan ook bijna nooit. Ze pissen hun blaas leeg en vervolgen hun weg.
De dramatiek waar de verslaggevers altijd zo naarstig naar op zoek zijn, ontbreekt volledig bij de afstappende wielrenner. Man geeft fiets af aan de toegesnelde verantwoordelijke man (nóóit een vrouw), man doet zijn helm af en stapt achterin. De bezemwagen vervolgt zijn weg. Journalisten proberen het nog wat te dramatiseren door melding te maken van een wanhopige blik op het uitgemergelde gelaat van de renner. Onzin. Afstappen is een plan dat langzaam rijpt in het hoofd van een coureur, een onontkoombaar gegeven dat van geen ontkenning behoeft. Je gaat jezelf executeren, de vraag is alleen nog hoe lang je de executie uitstelt.
De jongen naast me kijkt zwijgend uit het raampje van de bezemwagen. Zijn ogen zijn die van een neoprof. De vermoeidheid is nog vermengd met de treurnis over de nederlaag die hij zojuist heeft geleden. Wie weet voelt hij zich ook vernederd; sommige mensen nemen de dingen nu eenmaal veel te zwaar. Ik zou hem kunnen toefluisteren dat het allemaal wel goed komt en dat zelfs opgeven went. Ik besluit het niet te doen; deze jongen rijdt in z’n gedachten nog steeds in het peloton.
Wat dat wennen aan opgeven betreft, ben ik trouwens een ervaringsdeskundige. Ik stap vaak af, meer dan gemiddeld. Ik werk in de eerste helft van de koers voor de ploeg, haal bidons, rijd in de wind, hou kopmannen van voren en maak tempo wanneer me dat gevraagd wordt. Het is makkelijk om de ploegleiding tevreden te houden. Als je je maar af en toe met een verhitte kop bij de auto meldt. Je kunt natuurlijk niet altijd maar afstappen; dat valt zelfs de stomste teammanager op. Ik kies mijn koersen uit. Neem vandaag: laatste etappe van een Spaans etappekoersje, hele week hard gewerkt, vanochtend aan het ontbijt een misselijk gevoel vertaald als een nacht lang kotsen en nu in dit koele busje de rit uitrijden. Ik doseer.
We remmen. Even later wordt het portier opengeschoven en stapt een kennis in. De meeste renners zijn kennissen, mensen die je toeknikt in het voorbijgaan. 
Hij ziet mij en knikt me toe. Ik knik terug. Kennissen.
Op internet schijnen er wielerforums te bestaan. Dat had ik altijd al vermoed – voor alles is wel een forum op het net te vinden – maar ik kijk er nooit op. Mensen die naar wielrennen kijken zijn meestal al ’n beetje getikt, dus mensen die digitaal met elkaar discussiëren over wielrennen moeten wel volslagen krankzinnig zijn.
De laatste tijd ben ik een doelwit op die forums, hoor ik via-via. Ze vinden dat ik te veel afstap. Volkomen terecht. Vorige week kreeg ik één reactie doorgemaild van een ploeggenoot. Een persoon, die zich schuil hield onder de naam Grote Smurf, schreef het volgende:
‘Als deze man volgend jaar nog altijd prof is, zeg ik mijn rekening bij de bank die hem sponsort op. Laten we dat allemaal doen: een stil protest tegen de heersende onkunde en het stuitende nepotisme in Neerlands grootste wielerploeg.’
Ik las de zin twee keer over, genoot beide keren van de ronkende zinnen waarin ik werd uitgemaakt voor onwaardige prof. In een wereld vol spelfouten, onjuist hoofdlettergebruik en anonieme scheldpartijen, was de bijdrage van Grote Smurf een verademing. Hij had trouwens geen gelijk. Vond ik.
Het zijn de lange, rechte wegen van midden-Spanje. Links in de verte ligt een dorpje, rechts in de verte steken nog net een paar boomkruinen uit boven… Ja, waarboven eigenlijk? De weg loopt dwars door een desolaat soort woestijn met af en toe een rotsblok, een plukje gras of een verlaten schuur. Leuk vakantieland, Spanje.
De neoprof naast me is in slaap gevallen.
Eigenlijk, eigenlijk ben ik natuurlijk gewoon bang. Angst is in het wielrennen niet alleen maar een slechte raadgever, maar, nog meer dan dat, een onmogelijkheid. Je mag het niet toelaten. Toch sijpelden gevoelens door die je als coureur beter kwijt dan rijk bent. Angst voor valpartijen in nerveuze finales bijvoorbeeld, of de gekmakende wetenschap dat iedere in een afdaling te nemen bocht je laatste kan zijn, gevolgd door de rationele gedachte dat niemand dáár wat aan heeft. Het levert je, in het beste geval, een korte zweefvlucht door het luchtruim op. En een plek in de annalen der wielergeschiedenis. Een makkelijk verdiende plek bovendien, want doodvallen vereist atletische vermogens noch scherp inzicht.
Toch zijn het niet eens altijd díe angsten voor het reële gevaar van de sport die mij het presteren onmogelijk maken. Bijna alle renners kennen die, soms drijft het ze in de armen van sportpsychologen waar ze huilend uitschreeuwen dat ze nooit meer op een racefiets zullen stappen. Diezelfde jongens rijden je, na vier praatsessies, weer keuvelend achterop in helse Pyreneeënafdalingen.
Mijn probleem zit dieper. Ik vrees de tegenstand, de pers, Mart Smeets, de mogelijkheid dat ook ik zou kunnen winnen en de kans dat er een dag komt dat ik aan niks anders meer kan denken dan wielrennen. Ik vrees de supporters, in hun adoratie en in hun haat. Ik vrees zelfs mijn eigen lichaam, als ik voor een hotelkamerspiegel mijn ribben tel.
Alleen in deze wagen, in de rust van deze bezemwagen, ben ik op m’n gemak. De terneergeslagenheid van de passagiers, de troosteloosheid van het landschap, de geur van het zweet en de massageolie; het is een vruchtbare voedingsbodem voor filosofische overpeinzingen.
Ik kijk weer uit het raampje en denk: ergens heeft Grote Smurf wel gelijk. 
Een beetje dan.
Frank Heinen
Door Fred van Slogteren, 10 augustus 2014 10:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web