Hoe zat het ook al weer met het WK van Raas? (deel II)

Voor het uitzinnige publiek langs het parcours was er echter maar één favoriet en dat was Jan Raas. Die zat echter niet echt op z’n gemak. Hij keek steeds achterom, waarbij hij zijn arm omhoogstak ten teken dat hij hulp nodig had. De neutrale materiaalwagen werd naar de kopgroep gestuurd, want Raas had een afloper, dacht men. Maar aan zijn fiets mankeerde niets. Hij moest Post hebben. Toen zijn bedoelingen duidelijk waren probeerde de Amstelvener bij zijn renner te komen, maar de jury vond dat op die smalle weg, met het opdringende publiek aan weerszijden, veel te gevaarlijk. De Nederlandse ploegleidersauto mocht er niet langs. Zo moet je met een man als Post niet omgaan, want die trekt dan zijn eigen plan. Als het niet kan, zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan, was zijn leefregel. Toen hij een gaatje zag om de jurywagen te passeren, dook hij erin, alsof hij weer in de zesdaagse zat. Hij zag daarbij ... 
... echter een motor over het hoofd en die werd zonder pardon van de weg gereden. Op datzelfde moment hoorden de kijkers thuis de stem van Mart Smeets schreeuwen: “We worden nu aangereden door Peter Post. We worden in de hekken gereden en hij gaat vol gas door!” De wagen van Post werd vervolgens gecoupeerd door de jurywagen en de furieuze Raleigh-baas kreeg een ernstige reprimande. Raas bleef echter omkijken en zijn arm opsteken.
Halverwege de voorlaatste ronde hadden de acht al een voorsprong van ruim drie minuten op de groep Hinault. Het was vooral Henk Lubberding die het tempo bepaalde. Ook Daniel Willems, de talentrijke jonge Belg, beduidde door handopsteken dat hij hulp nodig had, maar Lomme Driessens, de Belgische ploegleider, mocht er ook niet langs. Pas een paar kilometer verder, waar de weg wat breder werd, kreeg hij ruim baan van de jurywagen. Post links van de weg en Driessens rechts scheurden naar hun renners toe. Raas dook naar het rechterportier van de gele Citroën, stak zijn hoofd naar binnen. Het overleg duurde nog geen drie seconden. Toen sloot hij weer aan bij de kopgroep en ging verder met de wedstrijd. Niemand begreep het, maar naderhand werd bekend dat hij de dertien als grootste versnelling had staan en dat hij met Post had overlegd om nog van fiets te wisselen om met de twaalf te kunnen spurten. Die vond dat geen goed idee: de anderen zouden dan direct demarreren en dat was in deze fase niet verstandig. Willems had een groter probleem, want die had een afloper, maar hij kon om dezelfde reden als Raas niet meer van fiets wisselen of een ander wiel steken. Inmiddels was de kopgroep in gesloten formatie aan de laatste ronde begonnen. Niemand maakte aanstalten nog iets te ondernemen en Knudsen sleurde de groep de Bemelerberg op. Het ging hard naar beneden. Voor ze het wisten was de voet van de Cauberg bereikt. Met Lubberding aan de leiding ging het omhoog en na de top was het nog maar twee kilometer naar de streep.
Raas voelde zich met de minuut zelfverzekerder worden en hij nam in gedachten de groep in ogenschouw: Wie had hij te duchten? De gevaarlijkste klant was waarschijnlijk Willems. De tweedejaars prof uit Herentals werd in zijn vaderland al met Merckx vergeleken, want hij had al een waslijst met overwinningen op zijn naam staan. Razendsnel was-ie, waarschijnlijk sneller dan hijzelf, maar ze hadden nog nooit een rechtstreeks duel uitgevochten. De Belg reed echter op een langzaam leeglopende band en dat zou in de sprint een stuk schelen. Nee, het meeste gevaar kwam van Thurau. Een bloedhekel had hij aan dat patsertje, dat hem in 1976 bij Raleigh de weg had versperd om kopman te worden. Die mocht nooit wereldkampioen worden, daar stond hij godverdomme persoonlijk garant voor. En dan was er Battaglin, een gevaarlijke jongen, die zijn kans al voorbij had laten gaan. Als hij iets had gewild dan had hij dat in de voorlaatste ronde moeten doen, toen het vooraan wat stilviel door de handopsteekperikelen van Willems en hemzelf. Nee, ook Battaglin zou het niet halen. Net zomin als Knudsen, een formidabele tijdrijder, die er een beetje doorheen zat door het vele sleurwerk, dat-ie samen met Lubberding had opgeknapt. Een goede renner, maar geen slimme. En dan waren er nog die twee Fransozen. Bernaudeau was een klasbak, maar die had zich zitten sparen. Waarvoor? Net als Battaglin had hij eerder iets moeten proberen, want bij het sprinten werd-ie altijd laatste. Chalmel was natuurlijk niet gevaarlijk. Een knecht van Hinault die in het voorjaar Bordeaux-Parijs had gewonnen, maar als sprinter tot de categorie ‘strijkijzer’ behoorde. Maar je wist het nooit met dat soort jongens. De koers was nog niet gedaan, maar zijn papieren zagen er, alles afwegende, uitstekend uit. En hij had natuurlijk Lub nog bij zich om eventuele uitvallen te counteren.’  
In de laatste beklimming van de Cauberg ging bij Henk Lubberding echter langzaam het licht uit. Hij werd gelost, maar wist met de weinige krachten die hem nog restten weer aan het laatste wiel te komen. Op dat moment, vlak voor de top, demarreerde Knudsen en loste de Gelderlander definitief. De Noor had nog wat over en passeerde de top van de Cauberg licht afgescheiden van de rest. Het was Chalmel die hem ging halen. In een wip was de Fransman bij de robuuste Noor en die kon niet meer volgen. Chalmel was weg en in de afdaling pakte hij snel 200 meter. Verder kwam hij niet, maar wie offerde zich op? Achter hem hoorde Raas het geluid van een valpartij. Zonder om te kijken wist hij dat het Willems was. Klats, er ging er nog een overheen. Knudsen! Mooi, twee man minder. De laatste kilometer was ingegaan en Chalmel reed daar voor hen, rechts van de weg. Zelf reed hij in het wiel van Thurau geheel links, rakelings langs de hekken en het rijendikke publiek. Aan zijn wiel reden Battaglin en Bernaudeau. De februaristorm bulderde door zijn kop, maar Raas was nog nooit zo vastberaden geweest als in die laatste honderden meters. Wachten, wachten, wachten op de demarrage van Thurau. Hij wist hoe de Duitser zich voelde. Als een te strak gespannen vioolsnaar die op knappen staat. Ga dan, rotmof! Patser die je bent met je bontjas en je Porsche en je dikke nek, GA DAN!!! GODVERDOMME!!!!!!
Als telepathie bestaat dan werd dat op dat moment bewezen. Thurau ging, en hoe. Splijtend was zijn versnelling en binnen enkele seconden was Chalmel ingehaald. Het leek of de Fransman stilstond toen Thurau vol doorhaalde met Raas als zijn schaduw. Ook de andere twee volgden. Thurau wist dat hij geklopt was en schakelde over op een noodscenario, door plotseling vol naar de rechterkant van de weg te sturen. Raas moest mee om niet te vallen, Battaglin ging weer met Raas mee en Bernaudeau was geklopt. Waar Raas het achterwiel van Thurau net kon ontwijken, daar toucheerde de Italiaan het achterwiel van de Zeeuw en hij viel. Raas merkte het niet eens, want het was tijd. Tijd om de stormkracht in zijn lijf als een geweldige ontlading te laten komen en wel met zo’n gigantische power, dat de dijken braken en de tien op de schaal van Beaufort bereikt werd. Daar was de streep, de triomf. Het restje orkaankracht dat nog in hem zat, sloeg hij met de gebalde rechtervuist van zich af. Het jubelde en juichte in hem. HIJ, JAN RAAS, WAS WERELDKAMPIOEN!
Deze tekst is eerder gepubliceerd in OP Z’N RAAS, de geakkordeerde biografie van Jan Raas, verschenen in 2009 bij Arko Sports Media.

Door Fred van Slogteren, 23 september 2012 10:00

Prachtig stukje toch? Ik lees
het al voor de vierde keer en iedere keer voel ik weer die spanning! Klasse, heerlijk.

Geplaatst door wim, 23 september 2012 15:16:35

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web