Blonde Greetje uit de polder … (deel II)

 

“Al om kwart over vijf zat ik op zaterdag 2 juli aan het ontbijt. Te vroeg natuurlijk, maar ik was veel te nerveus om langer in bed te blijven. Op mijn gemak maakte ik me klaar en nadat ik alles zes keer had gecontroleerd stapte ik op mijn fiets en peddelde op mijn gemak naar het startvak dat correspondeerde met 4276, mijn startnummer. Het was pas kwart over zes, nog bijna anderhalf uur voor het startschot zou klinken. Naarmate er meer vroege starters kwamen vloog de tijd om en voor ik het wist was het zover. Nerveus maakte ik …

… mijn helm vast, en zocht mijn plaatsje tussen al die andere fietsers. Ik hoorde allerlei talen om me heen toen we ons op gang trokken richting Croix de Fer. Zo midden in zo’n grote groep ben je vooral bezig niemand te raken, maar ik wist dat het veld uiteen getrokken zou worden zodra de weg omhoog zou lopen. Intussen ging het best lekker met een gangetje van 40 aan het uur. Pas toen het klimmen begon merkte ik iets van mijn benen. Dat voelde niet echt lekker en ik werd door tal van fietsers ingehaald. Niks van aantrekken, was me ingeprent door mensen die het kunnen weten en ik ging in mijn eigen tempo omhoog met een hartslag van 160. Dat moest vandaag mijn ritme zijn en ik keek om de paar seconden of het nog klopte. Zo zou ik niet verzuren, was mij verzekerd en dat was wel voorwaarde om vandaag het einde te halen. Af en toe haalde ik iemand in, maar dan keek ik steeds in het gezicht van een oudere man of van iemand die zich in een dronken bui had ingeschreven, zonder te weten wat hem te wachten stond. Om snelheid maalde ik niet en op het display van mijn computertje zag ik behalve mijn hartslag alleen maar de tijd. Redelijk makkelijk kwam ik boven en daar was al de eerste verzorging. Ik vulde mijn bidons en propte wat gelletjes in mijn achterzak, genoeg om de volgende verzorging te halen. Eten en drinken deed ik volgens een schema, opgesteld door mannen met ervaring in dit soort werk. Elke drie kwartier mocht ik een gel nemen en bij iedere bocht bergop moest ik een paar slokjes drinken. Discipline is in die hitte ontzettend belangrijk en ik heb me daar ook de hele dag stipt aan gehouden. Stel je voor dat ik door een hongerklop zou moeten opgeven, wat zouden die stinkerds van de club me dat hebben ingewreven. In mijn eigen tempo ging ik verder en de klim van de Glandon ging me redelijk makkelijk af. De afdaling was lastiger want die was ronduit gevaarlijk, maar ook daar was ik op voorbereid. Zonder problemen kwam ik beneden en toen kwam er een lastig stuk vals plat van 35 kilometer naar de voet van de Télégraphe. Hier was het zaak in een groepje mee te gaan en in een treintje te rijden. Kopwerk verzaken of zo snel mogelijk weer van kop af, in verband met die verraderlijke en slopende wind die altijd in de vallei staat. Ook dat ging goed, zonder dat iemand met een kwaad gezicht naar me keek. Eerst het bordje van een ander leeg eten voor je aan je eigen bordje begint, heb ik eens ergens gelezen en die wijsheid komt – meen ik – van Hennie Kuiper. Rond het middaguur bereikten we de voet van de Télégraphe en het was al bloedheet. Mijn bandjes zogen aan het zacht geworden asfalt en ik zag een licht spoor achter mijn voorband. Desondanks voelde ik dat het steeds lekkerder ging en dat dit geen inbeelding was, bewees het feit dat ik steeds meer fietsers begon in te halen. Mannen en vrouwen die zichzelf hadden opgeblazen, kregen nog maar met moeite de pedalen rond en langs de kant van de weg lagen ze bij bosjes op een schaduwplekje. Dat gaf me ontzettend veel moraal en ik reed in een lekker ritme de Télégraphe op met een hartslag net onder de 160. Op de top was er gelukkig weer verzorging, want mijn bidons waren bijna leeg en het laatste gelletje was gebruikt. Na het innemen van verse voorraad ging het snel verder naar de 2600 meter hoge top van de Galibier. Ik reed in een adembenemend landschap waarin ik me heel nietig voelde en hoewel ik aan mijn benen voelde dat ik aan het klimmen was, kon ik niet zien dat de weg omhoog liep. Pas bij Plan Lachat, op acht loodzware kilometers voor de top, voelde ik me weer echt omhoog gaan en vooral de laatste drie kilometers waren moordend met een stijging tot 12 procent per kilometer. De lucht werd steeds ijler en mijn hartslag zakte naar 148. De zwaarste momenten van de dag braken aan en door mijn hoofd speelden gedachten als: ‘Dit ga ik echt nooit meer doen’. Gelukkig kon ik dat negatieve beeld verdringen door aan de raad van Jan te denken. Die had me keer op keer voorgehouden om op momenten dat het zwaar was om me heen te kijken en te genieten van het feit dat ik op heilige wielergrond reed en nog steeds vooruit ging. Hier hadden ook de allergrootsten van de wielersport het razend moeilijk gehad. Ik concentreerde me op de teksten op het wegdek vol aanmoedigingen voor Cadell, voor Lance, voor Alberto, voor Andy, voor Vino en dacht: Maureen uit Spaarndam fietst op dit moment over die namen op weg naar iets waarvan ze nooit gedacht had dat te kunnen presteren. Ik realiseerde me dat en genoot er intens van. Wie had ooit gedacht dat ik dit zou kunnen? Door die opwekkende gedachten deed het wat minder zeer, maar toch was er een geweldige opluchting toen de top was bereikt en ik over het hoogste punt direct de kou voelde van de eerste meters afdaling. Gauw de windstopper en mouwtjes aan en dan dalen. Dat lijkt bevrijdend, zo van hiephoi heerlijk als vanzelf naar beneden, maar dat is het niet. Je moet dat supergeconcentreerd doen, want zeker de eerste acht kilometer gaan steil naar beneden met scherpe bochten. Je ziet alles, zoals de bochten waar de vangrails ontbreken en je anticipeert automatisch op ineens opduikende tegenliggers nog voor je ze gezien hebt. Gelukkig werd het na die eerste acht kilometer een stuk veiliger en kon ik lekker 39 kilometer lang op de 50x13 dalend genieten, bijna zonder de remmen aan te raken. Af en toe een beetje meetrappen met soms een adrenalinestoot als ik een slecht verlicht tunneltje indook en mijn zonnebril me elk zicht ontnam. Voor mijn ogen er aan gewend waren was ik er al weer uit, maar het was iedere keer schrikken. Bij de laatste verzorging liet ik alle overbodige spullen achter en ook dat was tevoren gepland. Het einde was in zicht en ik voelde een haastige spanning in me opkomen. Zo snel mogelijk naar de voet van l’Alpe d’Huez, de laatste klim naar het verlossende einde. Voor ik het wist was ik al weer aan het klimmen. Mijn hartslag steeg, maar ik wist die gedisciplineerd op 160 te houden. Het was monotoon klimmen, klimmen, klimmen en vooral doorbijten, want de laatste loodjes wogen zwaar, Niet eens zo zeer vanwege het stijgingspercentage, maar door de ondragelijke hitte. Plotseling werd ik me bewust van mijn voeten. Het leek wel of ze in brand stonden. Ook andere fietsers hadden er last van en in navolging stapte ik af en met schoenen en al stapte ik in het gootje langs de weg waar de ijskoude stroom bergwater voor een heerlijke verkoeling zorgde. Verkwikt stapte ik weer op, klom verder om een paar honderd meter verder weer dezelfde brandende voeten te voelen. Kom op Maureen, nog even, hield ik mezelf voor, maar het gevoel was ondragelijk. Gelukkig dook er toen een engel op in de gedaante van een militair die ons met een brandslang even opfriste. Drijfnat ging ik verder maar na driehonderd meter was ik al weer kurkdroog. Ik begon al weer te wanhopen dat ik het niet zou halen, maar toen hoorde ik  een stem uit de hemel. De wielerhemel. ‘Doorfietsen, en de ketting strak houden’, zei de nasale stem van Fedor ergens uit de kosmos. Alleen tegen mij, want om me heen zag ik steeds meer afstappers die zittend of languit liggend rust zochten op een muurtje in een bocht. Anderen zag ik op blote voeten met de fiets aan de hand omhoog strompelen. Maar Maureen fietste nog, want ik kon nog fietsen, jubelde het onder mijn helm. Als verdoofd van geluk zwoegde ik verder en ontwaakte pas uit die roes toen ik merkte dat ik aan de laatste kilometer bezig was. De laatste van de 174 die vanmorgen voor mijn wiel lagen en de langste van allemaal. Er kwam geen eind aan. Alles deed zeer en ik voelde een beginnende kramp bezit van mijn kuiten nemen.  Nee hè, geen kramp hè, en ik zag me al kronkelend van de pijn op het wegdek liggen. Maar toen als een fata morgana zag ik het finishdoek en de fotograaf die naar me gebaarde. Alsof een fee me aanraakte keerde de moraal terug. Ik voelde plots geen pijn meer, de kramp was verdwenen en ik had de tegenwoordigheid van geest snel even mijn uiterlijk te inspecteren. Licht als een veertje kwam ik uit het zadel om een stoer plaatje te laten maken. Blonde Greetje uit de polder, zoals Jan me altijd noemt, beleeft haar finest hour, realiseerde ik me. En toen was het voorbij. Allerlei mensen kwamen op me af, omhelsden me en keken me vol bewondering aan. Ik stond naast mijn fiets te genieten, maar voelde tegelijkertijd dat ik geen stap meer kon verzetten. Who cares? Ik had het gehaald. Ik had het gekund en dat geluksgevoel neemt niemand me af. NOOIT MEER!”

Dit was het indrukwekkende relaas van Maureen over haar geweldige prestatie. Ik heb vreselijk veel respect voor haar.

Tot volgende week!

Jan van der Horst
 

Door Fred van Slogteren, 13 november 2011 11:00

Petje af.

Mooi verhaal Jan!.....en petje af voor Blonde Greetje uit de polder!!!!!!!!!!!!!

Geplaatst door Harry Hermkens, 13 november 2011 13:08:19

Geweldig

Ik sluit me helemaal bij de bewondering van Harry Hermkens aan. Ik doe het haar niet na. Geweldig!

Geplaatst door Michel, 14 november 2011 11:09:16

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web