Follow me, I’m the Pied Piper (slot) …


“Als we de volgende ochtend opstaan voel ik me bepaald niet superfit. Ook Dik oogt vermoeid. Niet dat hij het zegt, maar je merkt het. Zo wil hij vandaag alleen maar vlak rijden. ‘Daar kom je niet onderuit Dikkie, want we zitten in de Eifel en dat is al miljoenen jaren een bergstreek.’ Hij is niet overtuigd en bestudeert de kaart op zoek naar een vlakke route. Hij denkt er een gevonden te hebben, maar ik ben het niet met hem eens. Na wat woorden over en weer, geef ik toe en Status Quo speelt What ever you want in mijn oor. In het begin lijkt-ie gelijk te krijgen, maar het pad wordt steeds slechter berijdbaar. Het is een parcours voor Bart Brentjens met een klim erin, waarvoor we van de fiets moeten. Het is een prachtig natuurgebied, maar fietsen is bijna onmogelijk. Na twee uur ploeteren komen we weer op een begaanbare weg en als ik op de kaart heb gevonden waar we zijn, is dat maar enkele kilometers van ons vertrekpunt verwijderd. Dik lijkt zich ...

... te schamen en om daar iets aan te doen zeg ik dat ik het niet had willen missen, vanwege het natuurschoon. In de eerstvolgende plaats waar we doorheenkomen, zien we een chique koffietent en daar kunnen we geen weerstand aan bieden. In einer kleiner Konditorei, zong mijn moeder vroeger altijd bij het afwassen. Aan de koffie met een gigantische punt Sachertorte realiseer ik me dat we voor het eerst met een uitspatting bezig zijn. Dik beheert de financiën, is zûnig en wil alles op een koopje doen. Wielrenners moeten goed eten en volgens de kaart moeten we nog een heel eind om een camping te bereiken. Het is geen aanlokkelijk vooruitzicht want de vermoeidheid van de afgelopen negen dagen laat zich steeds meer voelen. Een hogere macht komt ons te hulp als we onverwachts een mooie camping in het vizier krijgen met vaste plaatsen. Zo te zien niet bestemd voor trekkers, maar als we bij de beheerder aanbellen heeft die geen bezwaar dat we ons tentje opzetten. Bovendien is er een supermarkt op loopafstand en we voelen ons direct een stuk beter. Ik als katholiek hou het op een ingreep van een hogere macht, terwijl mijn vriend de atheïst niet in sprookjes gelooft en het als puur toeval beschouwt. Hoe dan ook, de fles slobberwijn smaakt prima en we toasten op de voorzienigheid, wat dat dan ook moge zijn. Ik zet mijn lijflied op en The Monkees zingen: I’m a believer.
De volgende morgen merken we dat het heeft gevroren, want het ijs zit op het tentdoek. De opkomende zon doet echter snel zijn werk en we kunnen een half uur later een droge tent inpakken. In de verwarmde toiletruimte halen we onze kleren op die we er te drogen hadden gelegd. Ik zie op de kaart dat we vandaag Robertville aandoen, waar ik al weer lang geleden wereldkampioen bij de senioren ben geworden. Yesterday once more, zoetvooist Karen Carpenter in mijn hoofd. In het gebied waar we doorheen fietsen heeft brand gewoed en dat geeft een trieste aanblik. We dalen af en komen in de Val de Dieu weer op prachtig terrein die naar de weg Visée–Maastricht voert. Een mooie tocht en we rijden in één ruk door naar de camping in Sint Geertruid. Onderweg krijgen we hulp want voor de wind zingt Piet Veerman met die machtige uithalen Sailing home. We zijn thuis, hoewel we nog ruim 300 kilometer moeten afleggen voor we dat ook echt zijn. De haven is echter in zicht en we dineren die avond copieus in het restaurant. Zo copieus dat we de volgende ochtend het ontbijt overslaan en de Maasroute om Maastricht heen volgen. Bij Best zoeken we naar de camping die daar moet zijn, maar er niet is. Twee tippelende dames langs de weg – Ik doe wat ik doe - verwijzen ons naar Oisterwijk. Daar aangekomen vindt Dik het er veel te duur, maar er is niets anders in de wijde omgeving. Van de plaats waar we onze tent opzetten worden we niet vrolijk, maar de gezellige bar op de camping maakt veel goed. Een van de bedienende dames vraagt hoeveel kilometers we er vandaag op hebben zitten en als ze het antwoord hoort, zegt ze: ‘Jeetje, dat doe ik jullie niet na’. Als ik haar vertel dat het niets is in vergelijking met wat ik al als wielrenner in mijn leven heb afgefietst, zegt ze dat haar dat – gezien mijn leeftijd – onmogelijk lijkt. Ik hoor duidelijk Fleetwood Mac Little Lies aanheffen, maar het is aan dovemansoren besteed. Ik vraag haar hoe oud ze me schat, een vraag die ik als jongeling verschrikkelijk vond als mijn opa die stelde. Zesenveertig, jokt ze en als ik van nee schud, probeert ze vijftig. Ik verklap schaamteloos mijn ware leeftijd en trotseer de minachtende blik van Dik, omdat ik in zijn ogen weer behoorlijk zit op te scheppen. Om wraak te nemen vertel ik die meid dat Dik een bekende Nederlandse kunstenaar is, in de hoop dat hij nu zal moeten gaan uitleggen wat hij allemaal heeft gepresteerd. Ze knikt slechts en lijkt als Tina Turner te zeggen dat ze geen behoefte heeft aan een andere held. Als we in ons tentje liggen herinnert Dik mij er aan dat ik eens moet leren luisteren, in plaats van zo veel over mijn wielertijd te praten. Ik ben te moe om er op in te gaan en bovendien heeft hij gelijk. Als the Bee Gees beginnen met You win again, val ik in een diepe slaap en droom van Ria.
De volgende dag is de laatste van onze sentimental journey. We rijden 160 kilometer lang door uiterwaarden en natuurgebieden, paadjes binnendoor waar we het bestaan niet van wisten en stoppen onderweg alleen om vette hamburgers naar binnen te werken. Dat zouden we op de heenweg nooit hebben gedaan, maar het maakt allemaal niks meer uit. We willen naar huis, naar moeder de vrouw. Nu het eind van de reis in zicht is, bespeur ik ineens een verlangen van elkaar verlost te zijn. Mijn fiets spoort niet lekker meer, want een kapotte spaak in mijn achterwiel is er oorzaak van dat het achterwiel bij iedere omwenteling tegen het remblokje aanschuurt. Ik merk het nauwelijks, want ik verlang naar het einde. Ook Dikkie pedaleert als in zijn  beste jaren, want ook hij ruikt de stal. Zij aan zijn rijden we Haarlem binnen en roekeloos nemen we de bochten in de zekerheid dat ons niks meer kan gebeuren. Op het punt waar hij links en ik rechts moet, geven we elkaar zwijgend een hand. We kijken elkaar nog één keer diep in de ogen en Trijntje zingt That’s what friends are for. Als ik mijn fiets in de tuin parkeer moet ik er niet aan denken er ooit nog op te gaan zitten, maar ik weet dat dat gevoel gauw over is. Met I want to ride my bicycle, I want to ride my bike, gaat Freddy Mercury mee naar binnen, naar de armen van Ria.

Tot volgende week!”

Jan van der Horst

SPEEL MEE IN HET SLOGBLOG TOURSPEL!

Door Fred van Slogteren, 19 juni 2011 12:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web