Uit de beeldentuin van Jac …

 

“Gisteren was het negentig jaar geleden dat Jean Robic werd geboren. Hij behoort tot de legendes van de wielersport. Klein van gestalte en lelijk van uiterlijk, maar met een onbegrensd geloof in zichzelf, was hij in de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog een van de renners die het wielrennen kleur heeft gegeven. Hij afficheerde zichzelf als een oer-Breton hoewel hij niet in Bretagne is geboren maar in het dorp Condé-les-Vouziers in de Franse Ardennen. Vader Robic, een timmerman, was daar vanuit Bretagne naar toe getrokken in de hoop er werk te vinden. In 1925 keerde de familie echter terug naar de geboortegrond van vader en vestigde zich in Radenac, waar Jean opgroeide. Hij liet al snel weten wielrenner te willen worden en zijn moeder, die zich zorgen maakte over de toekomst van haar …

… enigszins mismaakte zoon, gaf hem het geld voor een racefiets waarop hij regionale wedstrijden ging rijden. Toen zijn vader op het land omkwam door een vallende boom zette hij het winkeltje van zijn ouders voort. Na de oorlog werd hij in 1945 Frans kampioen cyclo-cross en nam hij een jaar later deel aan de ‘Ronde de France’ en het ‘Circuit de France’, twee voorzichtige pogingen om de Tour de France, die tijdens de oorlog door de Duitse bezetter was verboden, nieuw leven in te blazen. Het was tijdens die ritten dat Robic ontdekte dat hij goed kon klimmen. De Pyreneeën waren zijn favoriete terrein, wat bleek tijdens de etappe Luchon-Pau in de Tour van 1947 toen hij na een solo van 190 kilometer bijna een kwartier terugpakte op de uitgeputte veteraan René Vietto die zijn gele trui nog maar net kon behouden. Briek Schotte vertelde in een interview eens dat Robic toen net zo snel de Peyresourde op reed als Marco Pantani in 1998, met dat verschil dat de wegen toen niet geasfalteerd waren en dat de fiets van Robic 12 kilo woog en hij slechts 10 versnellingen tot zijn beschikking had. Robic zou die Tour verrassend winnen door op de laatste dag een aanval in te zetten op de Côte de Bonsecours. Het was een prestatie die hij later nooit meer heeft weten te evenaren. In de klassiekers kwam hij tekort en in de grote rondes acteerde hij te onregelmatig. Hij kon fenomenaal klimwerk afwisselen met evenzovele opzienbarende inzinkingen. Bovendien wist hij met zijn koppigheid, zijn eigenwijze uitspraken en snoeverij zo'n beetje iedereen tegen zich in het harnas te jagen. Het resultaat was dat hij niet meer werd geselecteerd voor de Franse nationale ploeg, maar de Tour moest rijden in de regionale ploeg van westelijk Frankrijk, waardoor hij het vrijwel in zijn eentje op moest opnemen tegen de veel beter gestructureerde ploegen van de Franse nationalen, de Belgen en de Italianen. Robic was een slim mannetje en hij is er persoonlijk verantwoordelijk voor dat in het wedstrijdreglement van de Tour een artikel staat waarin wordt bepaald dat bidons uitsluitend gevuld mogen zijn met water of een andere vloeistof. Dat artikel was er in opgenomen nadat was uitgekomen dat Robic in afdalingen zich een met lood gevulde bidon liet aanreiken om met dat extra gewicht sneller te kunnen dalen. Verder was het een zuur mannetje, want zijn nederlagen waren altijd aan iemand anders te wijten en alle overwinningen kwamen door hemzelf. Toch was hij ongekend populair, omdat er met hem altijd wat te beleven was en hij zich steeds weer in de rol van underdog of slachtoffer wist te manoeuvreren. Volgens eigen zeggen kwam hij tien centimeter lichaamslengte en tien kilo gewicht tekort om een superkampioen te te kunnen zijn. Hij was ook betrokken bij enkele fameuze incidenten. In de Tour van 1949 werkte hij Coppi dermate op de zenuwen dat de Italiaanse campionissimo zijn drinkwater wel met de Belg Ockers deelde, maar niet met Robic. Dat was reden voor de Breton om in de Franse pers een aantal venijnige verdachtmakingen aan het adres van de Italiaan te uiten. In het dal van Aosta kwam hem dat te staan op fluitconcerten en een kogelregen van rotte eieren. Robic had ook een reputatie als brokkenpiloot. Omdat hij in Parijs-Roubaix in 1944 een schedelbreuk had opgelopen reed hij altijd rond met een gigantische zelfgemaakte worstenhelm die hem de bijnaam Het lederen hoofd opleverde. Verder brak hij alles wat er maar te breken was: armen, benen, ribben en een sleutelbeen. Hij had een voor een wielrenner onverstandige levenswijze, want hij at meestal uiterst ongezond en kwam meestal in een matige conditie aan de start. Zijn vele valpartijen kwamen vaak voort uit het feit dat hij zich moest forceren om in vorm te komen. Robic grossierde trouwens in bijnamen, zoals Le biquet (het geitje) en De mees van Radenac. Zelf prefereerde hij De Bedoeïen omdat hij zich in de Tour van 1947 eens hulde in een boernoes om zich tegen de hitte te wapenen. Collega Apo Lazaridès zag hem en riep: ‘wie is dat ouwe wijf met die sluier rond haar nek?’. Nadat hij in 1950 wereldkampioen cyclo-cross was geworden en in 1949 en 1952 nog ereplaatsen in de Tour had behaald zette de neergang in. In 1953 gaf hij op, na in de Pyreneeën toch weer eens te hebben uitgeblonken. Hij werd het voorbeeld van de renner die geen afscheid kon nemen en te lang is doorgegaan. In 1959 ploeterden Robic en Bobet, twee oude Bretonse concurrenten, zij aan zij tegen een steeds groter wordende achterstand. Bobet gaf op en Robic werd wegens tijdoverschrijding uit de strijd genomen. Het was hem nog wel vergund in Parijs de bloemen aan winnaar Federico Bahamontes te overhandigen. Hij begon vervolgens een café in Montparnasse maar verloor al zijn geld. Zijn vrouw Raymonde, voor wie hij de Tour van 1947 had gewonnen, verliet hem met hun twee zonen. Hij werd een rariteit die tijdens etappes van de Tour een aantal kilometers voor de aankomst als ‘oude krijger’ voor de stoet uit fietste en huilde als hij werd toegejuicht. Hij probeerde het ook een tijdje als scheidsrechter bij catch-wedstrijden. In 1980 nam hij deel aan een wedstrijd voor veteranen die uitmondde in een reünie met andere oude Tourvedetten. Die gaven de straatarme Robic wat geld om een tv-toestel te kunnen kopen om aan het eind van die week de Ronde van Lombardije te kunnen zien. Het liep anders, want met te veel drank op viel hij in zijn wankele bestelwagentje in slaap en botste frontaal op een tegenligger. Jean Robic was op slag dood. In Condé-les-Vouziers is op zijn geboortehuis een plaquette te vinden die hem eert als winnaar van de Tour de France van 1947. Tegenover het pand bevindt zich de Place Jean Robic.
 
Tot over veertien dagen!”

Jac Zwart
 

Door Fred van Slogteren, 11 juni 2011 10:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web