Follow me, I’m the Pied Piper (deel III)

 

“Om geen tijd te verspelen met zoeken, verkeerd rijden of aanwijzingen opvolgend van mensen die het niks kan schelen waar we terecht zouden komen, besloten we de volgende morgen eerst naar de plaatselijke VVV van Tongeren te gaan om daar een map met fietsroutes aan te schaffen. Het was even wennen maar toen we door hadden hoe je zo’n kaart het best kunt vouwen om er al fietsend af en toe op te kunnen kijken, vroegen we ons hardop af waarom we niet eerder zo’n ding hadden gekocht. Verkeerde zuinigheid was de conclusie. Onderweg deden we in een ...

... Supermarché vast inkopen voor de avondmaaltijd, want na een paar dagen onderweg ontwikkel je een zintuig voor overleven. Wat zit een mens toch uniek in elkaar, dacht ik achter het boodschappenkarretje, terwijl Barry Gibb met zijn broers Staying Alive in mijn oor kopstemde. Kilometers verder draaiden we prachtig via de aankomstlijn van Luik-Bastenaken-Luik om Luik heen om vervolgens langs de Maas richting Ardennen te fietsen. Aanvankelijk een levensgevaarlijke onderneming want er zijn daar geen fietspaden, maar wel heel veel auto’s die in een hardrijdende file vlak langs ons scheurden. Na geruime tijd werd het gelukkig rustiger op de weg en bij een verstild kerkhofje stopten we om er een boterhammetje te eten. Een ideale plaats voor Dik om zijn dagelijkse tukkie te doen. Ik voelde een gewelddadige rust in me neer dalen toen ik de namen op de zerken las en probeerde te bedenken hoe die mensen zich de dood hadden voorgesteld toen ze de laatste adem uitbliezen. Wallonië is een zeer roomse regio en ze zullen daarom wel een prachtige voorstelling hebben gehad van het hiernamaals. Toen ik een gigantisch praalgraf in het vizier kreeg van een mevrouw die wel erg belangrijk moet zijn geweest, hoorde ik Led Zeppelin Stairway to Heaven zingen. De hoogmoed van mensen om ook hun verblijf in de hemel te willen regelen kwam me op deze plaats zeer profaan voor. Waarom moet het leven maakbaar zijn, terwijl de natuur steeds weer aantoont dat we daar geen flikker invloed op hebben. Ik werd er een beetje melancholiek van, maar gelukkig hoorde ik achter me Dik ontwaken en twee minuten later beraadslaagden we weer opgewekt over het vervolg van onze route. We besloten de kleinste Ardennenweggetjes te nemen om maximaal van deze prachtige omgeving te kunnen genieten. Ideaal voor de renner of toerfietser die van klimmen houdt, maar niet voor berijders van volgeladen pakezels als wij. Op de lichtste versnelling stampten we moeizaam omhoog om daarna weer voorzichtig af te dalen op weg naar een nieuwe puist met een angstaanjagend stijgingspercentage. Dat deden we supergeconcentreerd want het wegdek zat vol met kuilen, gaten en scheuren omdat ‘achterstallig onderhoud’ voor de Waalse overheid veel te Vlaams klinkt om er gehoor aan te geven. We wisten keer op keer een valpartij te voorkomen, maar de bagagesteun bleek niet berekend op het vernietigend gebots en gebonk en begaf het. Improviserend maakte ik de zaak weer enigszins vast en nog voorzichtiger vervolgden we onze weg. We fietsten urenlang, maar het aantal afgelegde kilometers bleef door al het ongemak beperkt. Bovendien waren de bidons al lang leeg en we verrekten van de dorst. Bij de zoveelste stop zag Dik op de kaart een camping staan en we besloten daar ons kamp op te slaan om onze achterwerken en polsen wat rust te gunnen. Op de plaats aangekomen was er echter helemaal geen camping. Wel een kroeg en we namen daar een colaatje. De kastelein moest glimlachen toen we naar de camping vroegen en verwees ons naar Hamoir, het volgende plaatsje. Daar was een camping, zei hij, mooi gelegen aan het riviertje de Ourthe en zo vroeg in het seizoen was kamperen er gratis. We hadden weinig vertrouwen in zijn informatie maar het bleek te kloppen. Het was een mooi goed onderhouden terrein en we waren de enigen. Toen we geïnstalleerd waren en we in een bleek zonnetje voor het tentje lagen was alle fietsellende van die dag snel vergeten. We voelden ons weer het binkie, zeker toen er een niet onaardig uitziende vrouw gepakt en gezakt de camping op kwam lopen en ons vroeg of ze haar tentje naast de onze mocht opzetten. We hadden daar natuurlijk geen bezwaar tegen. Ze vertelde dat ze al drie weken eenzaam onderweg was als oefening voor de pelgrimstocht naar Santiago de Compostela en we kregen direct haar hele hebben en houwen te horen. Zo wisten we al snel dat ze uit Maastricht was komen lopen, getrouwd was en moeder van een zoon. Ze vond die vrijwel verlaten camping maar eng voor een vrouw alleen en onze directe nabijheid – slechts gescheiden door twee dunne tentdoekjes – een zeer geruststellende gedachte. Toen ze dat met een blik vol verstandhouding meldde, begreep ik tot mijn schrik dat ze moet hebben gedacht met een stel nichten te maken te hebben. Dik moet die indruk nog versterkt hebben, vermoed ik, want die was inmiddels druk in de weer met de potten en de pannen, terwijl ik met haar, bij gebrek aan glaswerk, wijn dronk uit een schaaltje waaruit we later moesten eten. Van al het geslobber werd ik een beetje soezerig en in mijn hoofd echode Gary Brooker A whiter shade of pale. Die tekst van Procol Harum heb ik nooit begrepen en het monotone geratel van de vrouw naast me vervormde tot klinkerloze klanken. Toen de schemer over de camping daalde schoven we in de slaapzak. Die nacht vroor het en ik werd wakker van de kou. Voorzichtig trok ik op de tast een broek en een jack aan, terwijl Dik naast me ontiegelijk lag te snurken en om de zoveel tijd een scheet liet. De stank was niet te harden, maar de rits van de tent op een kiertje zetten was nog erger, want het was gelijk stervenskoud. Ik fantaseerde me in slaap door aan de vrouw te denken die een meter naast me lag. Haar hoorde ik niet, maar ik wist zeker dat het in haar tentje een stuk aangenamer moest zijn. Met Aan de andere kant van de heuvel zongen Liesbeth en Ramses me uiteindelijk in een diepe slaap. (wordt vervolgd)

Tot volgende week!”

Jan van der Horst
 

Door Fred van Slogteren, 5 juni 2011 12:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web