To bee or not to bee …

“In de wielerwereld liepen in mijn tijd heel wat prachtige figuren rond en over de soigneurs van toen zou ik een dik en hilarisch boek kunnen schrijven. Een van de meest kleurrijke mannen binnen dit mysterieuze ambacht was de Amsterdammer Jan Heil. Een man met gouden handen en daarnaast een humorist die als een voorloper van Youp van ’t Hek op de bühne een dikke boterham had kunnen verdienen. Jan was een van de grappigste mensen die ik ooit heb ontmoet. Niets was dan ook leuker om met hem in de auto naar een buitenlandse wedstrijd te gaan, want hij bestond het om je honderden kilometers lang aan het lachen te houden met het ene prachtige verhaal na het andere. Zo gingen we eens naar het Luxemburgse stadje Diekirch om daar met een paar andere jongens in de plaatselijke omloop te starten. Toen we het stadje binnenreden, zagen we in een etalage op de hoek van een grote kruising de kristallen trofee staan die de winnaar van de Grote Prijs van Diekirch mee naar huis mocht nemen. We stonden er minutenlang naar te kijken, terwijl Jan op de kruising het verkeer stond te (ont)regelen, nadat hij de daar dienstdoende agent van zijn plaats had geduwd en diens taak had overgenomen. De bokaal was zo mooi dat ik ...

... stilletjes hoopte de benen te hebben om deze koers te kunnen winnen. Bij het zien van de deelnemerslijst zonk de moed me echter in de schoenen, want er stonden nogal wat namen op die gezien hun reputatie heel wat meer aanspraak op die trofee konden maken dan ik. Bij het lossen van het startschot dacht ik dan ook helemaal niet meer aan die vaas. Het was koers en het was mijn strijdplan om in de buurt van die grote mannen te blijven en als het kon mee te sluipen in een ontsnapping. Ik was in goede doen en het lukte me inderdaad de hele wedstrijd in de voorste linies mee te muizen en zelfs mee te glippen met een kopgroep van zestien man. Er werd lustig op los gedemarreerd, maar alle pogingen werden direct teniet gedaan. Niet door mij overigens, want ik was al blij dat ik het leven had. Wel vastbesloten om koste wat kost bij te blijven, want er waren twintig prijzen te verdienen, dus bijblijven betekende dat ik in ieder geval met de nodige Luxemburgse francs naar huis zou gaan. Als het meezat, zou ik in de eindsprint nog wat mannen achter me kunnen laten, berekende ik, en een plaatsje bij de eerste tien zou zeker niet onmogelijk zijn. Ik zou er vooraf zelfs voor hebben getekend.
Niet ver voor de finish was er nog een lange klim over de Angelsberg en als ik die overleefde had ik een redelijke kans op een ereplaats. In de aanloop ernaartoe keek ik om me heen in de hoop dat niemand het in zijn hoofd zou halen op die klim aan te vallen. Gelukkig had iedereen het net zo moeilijk als ik en ik hoorde slechts het zuchtende ademen van zwoegende renners om me heen. Halverwege de klim ging het zuchten over in hijgen en die geluiden, links, rechts, voor en achter me overstemden het kraken van mijn knie bij iedere pedaalomwenteling. Dat was een geluid dat Jan Heil met behulp van zijn kunstgebit perfect na kon doen als hij op de massagetafel mijn been strekte. Takketakketak!!! Opeens klonk er een geluid dat al het gehijg en gekraak oversteeg. Een gil, een kreet van pijn en die ontsnapte aan mijn mond. Ik voelde een steek in mijn kruis alsof een chirurg onverdoofd zijn lancet in mijn ballen had gestoken. ‘Ik ben gestoken, je me suis mordu, ich bin gestochen worden’, schreeuwde ik uit onderwijl naar mijn edele delen wijzend. Ik was volledig in paniek, maar in plaats van mededogen werd er homerisch gelachen. Een van die etterbakken stak zelfs zijn hand naar me uit met de bedoeling in mijn kruis te graaien. Ik dacht met afschuw aan die keer toen mijn trainingsmaat een wesp had ingeslikt en achter in zijn keel was gestoken. Met mijn niet zo kleine knuist had ik de angel met gifzakje eruit getrokken, waarbij en passant zijn hele kaak werd ontzet. Met dat schrikbeeld voor ogen ontweek ik de graaiende hand en staand op de pedalen maakte ik, opgepompt met adrenaline, dat ik weg kwam. Bovenop de Angelsberg (what’s in a name) merkte ik dat er niemand aan mijn wiel zat en ik met alleen nog maar een afdaling voor de boeg op kop van de wedstrijd reed. De pijn verbijtend gaf ik, met mijn neus bijkans op de voorband, alles en reed ik de laatste kilometers solo naar de finish in Diekirch om daar als verrassende winnaar over de streep te gaan. Jan Heil ving me op en zijn eerste woorden waren: ‘De vaas is voor jou, Jan.’ ‘Wat kan mij die rot vaas schelen, man’, gilde ik en ik wees andermaal op m’n kruis. ‘Help me, asjeblieft, help me?’, bracht ik met moeite uit. Jan had onmiddellijk door dat snelle actie geboden was en hij begeleidde me naar een plaats waar ik ongezien de broek kon afstropen. Jan had de angel snel opgespoord en bij gebrek aan een pincet en lange nagels trok hij het steekwapen van een in de koers verdwaalde bij met zijn tanden uit mijn scrotum. De pijn verdween als bij toverslag en ik had hem wel willen omhelzen van dankbaarheid. In plaats daarvan bood ik hem de vaas aan, maar dat weigerde hij. Wijlen Jan Heil, ik denk nog vaak aan ‘m.

Tot volgende week!”

Jan van der Horst

Steun onze actie!

WAAROM PIETER WEL EN JAN EN JOOP NIET?

Door Fred van Slogteren, 7 november 2010 12:00

Jan Heil

Zeker een bijzonder figuur.
Zelf mocht ik 6 keer Olympia's Tour rijden en we aten en overnachtten vaak in hetzelfde hotel (Jan was soigneur van ASC Olympia?). Bijna standaard was diens conference onder het avondeten, waarbij je soms onder de tafel belandde van het lachen, soms het schaamrood op de kaken kreeg van plaatsvervangende schaamte. Beetgare sperzieboontjes waren aan Jan (schijnbaar) niet besteed en dat mochten het hotelpersoneel en alle -gasten weten!

Geplaatst door Harrie Hofstede, 08 november 2010 12:09:43

jan heil

Ja Jan ik herinner hem ook als soigneur van wv olympia inde tour een leuke man kon je mee lachen mooi verhaal jan uit luxemburg gr anne

Geplaatst door anne koster, 29 oktober 2012 10:11:09

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web