Herinneringen aan Roy …

“In de jaren dat ik als beginnend amateurrenner prijsjes begon te rijden, had ik de toekomstdromen al in m’n kop zitten. Net als de jongens waarmee ik dagelijks trainde, waarvan de namen elke week in de uitslagen stonden. We wilden naar de top en droomden van grootse daden. We zagen ons al bij NK’s, WK’s en Olympische Spelen op het ereschavot staan en het volkslied bleef maar spelen. Door keihard te trainen en volledig kapot te gaan, dachten we lichaam en geest tot een ware vechtmachine te kunnen ontwikkelen. In de spiegel kijkend zag ik mijn ogen steeds dieper in de kassen zakken en voor een beschrijving van mijn ...

... lichaam waren drie woorden genoeg: vel over been. Moeders houden meer van Hollands welvaren en de mijne informeerde vrijwel dagelijks of ik niet te veel van mezelf vergde, waarbij ze altijd heel bezorgd keek. Ik droomde echter verder over het ereschavot en het Wilhelmus, net als mijn trainingsmaten, ... op één na. Die was van het soort dat van moeder natuur zoveel talent had meegekregen, dat hij met minimale trainingsarbeid de grootste prestaties kon leveren. Hij heette Roy Schuiten en hij woonde in Zandvoort. Aan Roy kon je de klasse al op jonge leeftijd afzien, maar toen we hem wat beter leerden kennen vroegen we ons af of het er ooit uit zou komen. Het speelse gemak waarmee hij moeiteloos de pedalen streelde, demonstreerde hij eveneens bij alles wat hij deed. Zelfbewust zette hij minder getalenteerden in wedstrijden, trainingen en alle andere intermenselijke contacten stijlvol en moeiteloos naar zijn hand. Kortom, waar Roy ging, gingen wij, zij het met enige irritatie mijnerzijds. Daarom denk ik met genoegen terug aan die keer dat ik tijdens de training hem een kunstje kon flikken, waar hij heel kwaad over is geworden. Het was onze gewoonte om twee aan twee rijdend het tempo langzaam op te schroeven, tot het voor de twee op kop niet meer te doen was en het daarachter rijdende duo de kop overnam. Hoewel Roy de beste van ons allemaal was, zocht hij het altijd zo uit dat hij naast een renner reed die het tempo maar met moeite kon bijhouden als het echt hard ging. Zodoende hoefde hij niet al te lang kopwerk te doen en kon hij op z’n gemakje meerijden. Wij hadden dat gauw door, maar op sneren en treiterige opmerkingen reageerde hij niet en was absoluut niet van plan zijn gedrag te wijzigen. Het kon hem niks schelen wat we van hem dachten. Een van de weinige keren dat hij er echt voor ging rijden was toen er een nieuwe jongen bijkwam, die ook wel iets van tijdrijden kon. De twee reden naast elkaar en toen Roy op kop merkte dat hij die jongen met een gelijkmatig hoog tempo niet tot capitulatie kon dwingen, wierp hij een ander wapen in de strijd door telkens een tempoversnelling door te voeren. Achter hen rijdend zag ik dat hij die jongen op deze manier aan het slopen was, waarna we straks weer uitgebreid zouden moeten horen hoe goed hij wel was en zoveel beter dan wij. Ik besloot die nieuwe renner een handje te helpen. Ik pakte mijn fietspomp, zo’n lange, en plaatste het uiteinde ervan tegen het zadel van die jongen en gaf hem aldus het steuntje in de rug dat hij zo broodnodig had. Iedereen zag het en gniffelde. Roy had echter niks in de gaten. Hij begreep er geen moer van dat die jongen naast hem zijn wieltje steeds maar gelijk met het zijne wist te houden. Hij gaf nog een verschrikkelijke snok, maar Jan Jansen, niet de Tourwinnaar en ook niet de baansprinter van die naam, gaf dankzij mijn fietspomp geen krimp. Kilometers verder hielden we plaspauze en daar hebben we het Roy lachend verteld. Hij zag er de lol niet van in en bezwoer dat hij me dit betaald zou zetten. Dat heeft hij ook geprobeerd, maar dat verhaal bewaar ik voor volgende week.

Tot dan!”

Jan van der Horst

Foto: © Cor Vos

Steun onze actie!

WAAROM PIETER WEL EN JAN EN JOOP NIET?

Door Fred van Slogteren, 26 september 2010 12:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web