Vertellingen op het Bloemendaalse strand II

“Wat je bijna nooit ergens leest is dat ploegleiders in de regel uitstekend auto kunnen rijden. Wie dat niet kan, zal nooit een goede ploegleider worden. Zeker in de bergen is het noodzakelijk dat je de wagen met gevaar voor eigen leven zodanig de bochten doorstuurt dat je je renner kunt bijhouden, die met een noodgang omlaag giert. Krijgt hij pech dan moet je er à la minute zijn, want het gaat om winst of verlies. Gé Peters was jarenlang ploegleider van Caballero, de ploeg waar ik als beroepsrenner voor reed, en hij kon autorijden als de beste. Toen hij eens tijdens een woeste afdaling door zijn rem trapte dacht hij even dat het met hem gebeurd was. Die gedachte werd direct vervangen door een rampscenario om het vege lijf te redden en hij bracht de wagen in een zee van vonken van het op steen schurende metaal tegen de rotswand tot stilstand.
Hij kon het gelukkig smakelijk navertellen, daar in zijn strandpaviljoen in Bloemendaal en wij hingen aan zijn lippen. Soms interrumpeerde zijn personeel hem wel eens met de een of andere zakelijke mededeling. Midden in een prachtig verhaal nota bene. Gé moest direct even komen. We konden dan die serveerster wel dood kijken en onze blikken zeiden: “Hallo, zoek het effe lekker zelf uit, zie je niet dat Gé met iets veel belangrijkers bezig is. Scheer je weg!” Gé merkte dat natuurlijk en voelde feilloos aan dat hij ...

... zich niet vlak voor het moment suprème kon onderbreken, en door moest gaan. Dan wuifde hij de lastpost weg, die er natuurlijk ook niks aan kon doen. “Nu even niet”, zei hij dan lichtelijk geïrriteerd. Op meesterlijke wijze vertelde hij dan hoe hij op een nieuwelingenverzetje de grote Rik Van Steenbergen eens het nakijken gaf in Brasschaat. Slechts gekleed in een kakibroekje en een paar badslippers kon je op zijn arm de enorme littekens zien, die hij had overgehouden aan die valpartij in Gent en de vele operaties die hij daarna moest ondergaan. Dan vertelde hij dat het eigenlijk een wonder was dat die arm er nog aan zat, want de artsen hebben amputatie ernstig overwogen. Het was ook een bijna onmogelijke taak waar de chirurgen voor stonden. Met engelengeduld moesten alle spieren en spiertjes, pezen en peesjes, bloedvaten en haarvaatjes opgerekt en aangehecht worden en daarvoor heeft Gé tientallen operaties ondergaan. Ze hebben het gedaan en de arm is gespaard gebleven. Hoewel hij door een ijzeren zelftucht hem wel weer kon gebruiken, kon hij niet meer aan zijn stuur rukken als voorheen en moest hij zijn plannen om het werelduurrecord aan te vallen, laten varen. De bijna lamme arm had ook nog een voordeel, vertelde hij vaak lachend, want hij kon er met gemak iemand mee dood slaan zonder er zelf iets van te voelen. Over Gé Peters raak ik nooit uitgepraat, want al schrijvend schieten me nog veel meer dingen te binnen. Daarom komt er nóg een vervolg over de man die zo veel betekend heeft voor het Haarlemse wielrennen.

Tot volgende week!”

Foto: archief Wim van Eyle

Jan van der Horst

Steun onze actie!

WAAROM PIETER WEL EN JAN EN JOOP NIET?

Door Fred van Slogteren, 27 juni 2010 12:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web