Met dank aan Bertus!

Een dikke week geleden reageerde ene Don de Wit op een stukje uit de Burgerlijke Stand van twee jaar geleden. Dat ging over zijn ome Henk, de Amsterdamse beroepswielrenner Henk Lakeman. Hij schreef in die reactie dat Cokkie Lakeman, de weduwe van Henk net overleden was. Bertus Raats herinnerde zich het interview dat hij in 2002 met Cokkie had. Hij publiceerde dit in deeltje 5 van zijn reeks boeken over het Amsterdamse wielrennen. Helaas zijn de meeste deeltjes uitverkocht, maar de delen 5 en 6 zijn nog verkrijgbaar bij de boekhandel Linnaeus (Middenweg 29 – 1098 AB Amsterdam) en rijwielhandel Ger Bikes (Brink 26 – 1097 TW Amsterdam), beide winkels gevestigd in de Watergraafsmeer. Met toestemming van Bertus publiceren wij hierbij zijn hoofdstuk over Henk Lakeman, een van de succesrijkste wielrenners uit de hoofdstad.

Henk Lakeman, de zingende wielrenner

Henk Lakeman is geboren in Ilpendam op 30 augustus 1920 en overlijdt jong. Op 52-jarige leeftijd op 8 april 1975. Nu nog wordt hij herinnerd als een goed renner, maar vooral ook omdat hij voor of na een wedstrijd wel eens zijn prachtige zangstem liet horen. In 1953 is hij aan zijn laatste seizoen bezig. Hij wint in Amsterdam de Ronde van Betondorp en de Ronde van de Markthallen, maar had veel meer in zijn mars. Tientallen wedstrijden won hij in binnen- en buitenland. Op de baan en op de weg. Hij reed klassiekers als Milaan-San Remo en de Ronde van Lombardije. In 1950 won hij bijvoorbeeld de Ronde van Nederland, maar ook met Cor Bakker de Zesdaagse van Barcelona. Hoe hij begon te wielrennen wordt heel summier duidelijk in een artikel in het Wiering’s Weekblad (een huis-aan-huis-krant verschijnend in Amsterdam) als ter gelegenheid van zijn afscheid in 1954 aandacht besteed wordt aan zijn imposante wielerloopbaan. Een wielerloopbaan die in dat jaar bijna naadloos overgaat in een loopbaan als opera- en operettezanger.

We lezen: ‘Jaren geleden reed er een joch met een blonde kuif en een woedend gezicht op een fietsje met een krom stuur het paadje af van een voetbalveld. Waar zijn vriendjes vrolijk doorspeelden. Er was net een nieuwe aanvoerder gekozen. Het blonde joch, dat een veel betere voetballer was dan de rest, voelde zich zo achteruit gezet dat hij voor de club bedankte en er vandoor ging. Henkie Lakeman fietste dus een beetje doelloos door de stad, toen hij een groep mensen zag staan. Jongens in kleurige truien balancerend op racefietsen. “Daar is een wielerwedstrijd”, dacht hij en meteen daarop: “En ik doe mee”. Hij dééd mee en won. “Dat komt omdat ik zo geladen was”, dacht hij, maar de volgende wedstrijd won hij weer, zonder de geladenheid van gekwetste trots.’ Aldus de aanhef van het verhaal. Niets over wanneer en waar? Via wie lid geworden van wat? Of hoe hij aan zijn fiets kwam?

Nieuweling in 1940
Zijn weduwe Cokkie: ”Hij is al begonnen toen hij nog op de Mulo zat. Toen hij daar afkwam was hij zestien en werd hij loopjongen op de beurs. Meer weet ik daar niet van.” Van de verdere wielerloopbaan van Henk weet ze natuurlijk alles. Als rennersvrouw heeft ze alle ups en downs meegemaakt. Want ondanks zijn imposante wielercarrière wordt Henk Lakeman min of meer miskend als talent. Wielerjournalist Jean Nelissen heeft hem bijvoorbeeld geen plaats gegund bij De 100 beste Nederlandse wielrenners aller tijden (L.J. Veen Sportboekerij 1999). “Wat meer zegt over Nelissen dan over Henk”, meent zijn weduwe Cokkie in het najaar van 2002. Zo is Henk Lakeman ook nauwelijks terug te vinden in het jubileumboek van ‘100 jaar Olympia’. Daar was hij lid van. In dat boek vinden we hem pas als het baanseizoen in dat jaar geopend wordt op de Olympia-baan in Badhoevedorp.

Amateur in 1941
Met ene Somers is Henk winnaar van een koppelkoers voor nieuwelingen. Een fraaie foto met alle deelnemers van die zonnige zondag 24 juni 1940 staat in het jubileumboek Olympia. Een jaar later (1941) komen we hem pas weer tegen als winnaar bij de amateurs in de Amsterdamse Ronde van Frankendael. Verder staat er niet zoveel van Lakeman in dat jubileumboek. Onbegrijpelijk als men het verloop van zijn wielercarrière in ogenschouw neemt.

Medailles in broekzak
Slechts het verhaal in het Amsterdamse Wiering’s Weekblad licht een tipje van de sluier op over hoe het allemaal begon. ‘Nou was Henkie zelf ook niet zo mededeelzaam, thuis vertelde hij niets van zijn eerste wielersuccessen. Alleen op school speelde hij de branie en droeg hij de gewonnen medailles los in zijn broekzak. Smoezelig van de vele keren dat hij ze aan zijn mede-Mulo-leerlingen liet zien. Vader Lakeman wist echter van niets. Hij vond het wel merkwaardig regelmatig de naam H. Lakeman in de sportpagina’s tegen te komen. “Wie is dat toch?”, vroeg hij op een avond en Henkie antwoordde met een blos op de wangen: “Ik”.’

Toch onderduiken
Uit het verhaal halen we verder: ‘Lakeman stapte al in 1941 van de amateurs over naar de profs. Maar wat had de Duitse bezetter nu aan een wielrenner? Arbeiders moesten ze hebben. Zo’n grote sterke kerel kon heel wat werk verzetten in een fabriek. Henk vond een truc om zich te laten afkeuren. Hij maakte met een bijtende stof zijn armen stuk en smeerde er een bruine zalf op. Een goede dokter hielp hem -en  waarschijnlijk vele andere jonge Nederlanders- bij dit kunstje. De Duitsers waren als de dood voor besmettelijke ziektes en toonden voorlopig geen interesse in de blonde coureur. Eind september 1942 wordt hij tweede in een profkoers in Bergen op Zoom en wint dan tot juni 1944 in Alkmaar, Breda, Bergen op Zoom, Maastricht, Opye (België) en op het Mosveld in Amsterdam-Noord (zie Deel 1, Amsterdams wegwielrennen). De moffen krijgen dat kennelijk in de smiezen en hij moest tenslotte toch onderduiken.

Zesdaagse-avonturen
Na de oorlog klom Henk meteen weer op racefiets, lezen we verder: ‘Nu begon het leventje van wielrennen pas goed. Boeiend, met kameraadschap, jaloezie, eerzucht en … kuiperijen’. Henk rijdt intussen met Henk Faanhof tal van koppelkoeren op de piste. Beiden weten op dat nummer wat winnen is, maar komen in de zesdaagsen niet aan de bak. Het aantal Nederlandse zesdaagsenkoppels is te groot en bovendien houdt Gerrit Schulte (machinist van de blauwe trein) -die wel degelijk ontzag had voor Lakemans capaciteiten- zijn stadgenoten liever buiten de deur. De rappe Lakeman had Schulte al meerdere malen geklopt. Op de baan en op de weg.

22 zesdaagsen
Zoiets herinnert zijn oude koppelgenoot Faanhof zich nog als de dag van gisteren. “Met Henk reed ik veel. Onder meer in Spanje. Ook in Antwerpen een keer. Toen wonnen we en zei directeur De Winter dat we welkom waren in zijn zesdaagse. Nooit meer wat van gehoord, want Gerrit zag ons niet zitten als concurrent. Lakeman was heel rap. Hij klopte een keer Gerrit Schulte in Amsterdam-Maastricht. Dat vond Gerrit helemaal niet leuk, want hij had Henk eerder in de koers ‘opgehaald’ toen-ie gelost werd. Kwam hij hem wel kloppen in de eindsprint. Later ging Henk wel veel zesdaagsen rijden. Met Cor Bakker. Die zal daar nog alles van af weten”, aldus de oud-wereldkampioen. Faanhof reed geen enkele zesdaagse, maar Lakeman wel. Liefst tweeëntwintig.

Gerrit Schulte
Met Schulte bleef hij in de clinch liggen. In de Ronde van Den Bosch (1947) wilde Gerrit Schulte graag winnen. Henk voelde zich sterk, maar Schulte wilde geen cent dokken. Dat werd bakkeleien in de koers. Wegens wangedrag werden beiden uit koers gehaald en moest Lakeman 300 piek boete betalen, maar Schulte maar liefst een paar duizend gulden. Henk de Hoog won die wedstrijd.

Het leven in de zesdaagse
Over zijn optredens in de zesdaagsen vertelde Lakeman niet veel in dat interview. Wel over de vele baantoernooien die hij reed: ‘Een grote familie ben je. Vooral als je zesdaagsen rijdt, waarvan ik er heel wat onder mijn banden heb. Je maakt samen plezier en als er ruzie komt vecht je het vreedzaam uit op de fiets. Soms zitten de jongens ’s nachts, als het donker is en er geen volk op de tribunes zit, te jagen als gekken. Dan weet je wel dat er iets aan de hand is geweest. Sommige mensen kijken neer op een wielrenner, maar vooral naoorlogse renners zijn behoorlijke jongens. Als je met ze praat is het eerste wat ze doen foto’s laten zien van vrouw en kinderen. Je moet soms lachen om het taaltje dat ze bij internationale wedstrijden onderling gebruiken. Toch versta je elkaar altijd. Of dat nu een Spanjaard is of een Italiaan. Ik heb uiteraard veel grootheden meegemaakt en moet zeggen dat Coppi en Koblet bijvoorbeeld fijne jongens waren. Je kon altijd een slok water of een stuk vlees krijgen als je dat nodig had.’

Het leven als wielrenner
Over zijn mooiste overwinningen zegt hij vervolgens: ‘Het leven van een wielrenner is een leven van hard werken Zeker als je niet tot de internationale topklasse behoort. Heus geen beroep waar je rijk van wordt. Maar ik heb het goed gehad en blij dat ik het heb meegemaakt. Ik heb door de sport de mooiste steden van Europa gezien en fijne uren meegemaakt. Vooral als de zegekrans om je schouders wordt gelegd. De mooiste overwinningen zijn eigenlijk die waarop jezelf niet hebt gerekend…. Als je net in de laatste meters een beetje meer fut over hebt dan de anderen die vlak voor je rijden. Iedere dag moet er getraind worden. De ene dag stap ik op de fiets voor 250 kilometer en de andere dag doe ik het wat minder. Zo blijf je fit. En flink eten natuurlijk. Bij het ontbijt eet ik net zoveel biefstuk als u in de hele week. Plus nog een paar eieren, suikerwater, brood en boter. Maar onderweg wordt er heel weinig gegeten.

Vanen en zegelinten
Mevrouw Lakeman toont vol trots een doos vol vanen en zegelinten: “Hij won tientallen wedstrijden en kon met de besten meekomen. Hij kon alleen niet klimmen. Maar verder grote koppen in de krant. Ronde-koning noemde men hem.
In de oorlog gingen ze met een vrachtwagen, waarin banken stonden naar België. Met Gerrie Loos en zo. Later moest hij tot de bevrijding onderduiken. Zat hij op de Nieuwe Zijds Kolk. Grote wedstrijden reed hij na de oorlog. Met die Zaankanters trok hij veel naar Italië. Cor Bakker, Bouk Schellingerhoudt, Arie Vooren, Cor van de Star en Chris Smits. Ik weet wel dat hij op grote toernooien altijd net dat beetje geluk miste dat je als renner wel eens nodig had. In het WK in Reims in 1947, weet ik nog. Was hij weggesprongen, maar trok zijn schoen uit de toeclips. Bleken zijn veters gebroken. Schoen in het publiek. Afgestapt dus. Dan was hij wel heel erg teleurgesteld, want hij stelde zijn eisen altijd heel hoog en was te trots om af te gaan. Hij won nog op de Markthallen. Daar reed de hele Tourploeg. Was hij het oneens met het startgeld dat hij kreeg van zijn eigen club. Maar ik had het contract voor hem getekend. De Tourploeg vulde daar natuurlijk de zakken.

De zingende wielrenner
Aan het eind van het interview in het Wiering’s Weekblad komt Henk Lakeman nog even terug op zijn optredens in de zesdaagsen: ‘Door de voortdurende spanning ging je wel eens gek doen. Een keer zijn we ’s nachts gewoon van de fiets gestapt en hebben de instrumenten van de muzikanten gepakt en zijn we in optocht over de baan getrokken. Ik had verder nog een beetje vertier door voor het publiek te zingen. Oh Mädchen, mein Mädchen was altijd een groot succes. Dat zingen van mij was in die tijd niet veel. Ik heb heel wat maniertjes moeten afleren toen ik later les begon te nemen.’

Opera en operette
Daarmee komen we aan grote liefde van Lakeman: de opera. En bij de herinneringen die veel Amsterdamse wielerliefhebbers nog hebben aan Henk Lakeman. “O ja Lakeman, hij zong altijd bij een wedstrijd”, hoor je nog wel eens zeggen. Toen in 1954 de fiets definitief op zolder werd gezet nam hij alle tijd om zich aan zijn zangstudie te wijden. Een mooie toekomst als operazanger lag voor hem. “Voorlopig begin ik met operette, want ik moet nog veel leren.”

Van de wielerbaan naar het concertpodium
In 1954 begon Henk Lakeman een heel nieuw leven. Als vertegenwoordiger bij Acifit Accu’s van Kurt Vyth, maar ook als gevierd zanger. “Hij was met wielrennen gestopt vanwege hartklachten. Bovendien werd zijn interesse om serieus te gaan zingen steeds groter. Hij had een prachtige stem en zong veel tijdens de zesdaagsen, waar ik een enkel keertje wel mee naar toe ging. Vier prachtige jaren had hij bij de Hoofdstadoperette en ook heeft hij éénmaal opgetreden in Carré. Zingen was zijn lust en zijn leven”, aldus Cokkie Lakeman.

Door Fred van Slogteren, 14 september 2009 14:00

Met dank aan Bertus!

Als renner heb ik Henk Lakeman niet meegemaakt, maar wel eens als masseur van de Poolse ploeg [meen ik]. Samen met de onvergetelijke Jan Heil bracht hij in de catacombe van het olympisch stadion een aria ten gehore.
Onvergetelijke lol met die twee. Wel vraag ik me af of Henk eigenlijk wel masseur of soigneur was! Misschien, Bertus weet jij daar iets van?

Geplaatst door Jan v d Horst, 14 september 2009 15:15:58

lakeman

beste jan,
daar kan ik geen zinnig woord over zeggen. misschien weet henk faanhof of piet van heusden dat. zal ze eens vragen.

Geplaatst door bertus raats, 14 september 2009 19:10:44

soigneur/masseur

In het blad Wielersport van 17 april 1975 staat een In Memoriam voor Henk Lakeman. Daar staat in dat hij als soigneur heeft gewerkt voor de voetbalclub Blauw Wit in het Olympisch Stadion. Of dat de waarheid is, weet ik niet, omdat niet iedereen het verschil weet. Groet! Fred

Geplaatst door Fred, 14 september 2009 20:49:01

henk meester.

wie heeft henk meester gekend , hij was prof renner tot 1954.
hij won o.a het bosbaan criterium achter gangmaker jan edel .wie heeft nog een foto .henk woonde iun amsterdam in de orteliusstraat .

willyleeners@gmail.com

Geplaatst door willy leeners., 15 november 2011 12:25:29

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web