Uit de ordners van Jan …

“Op dinsdag 31 augustus 1954 werden in het Olympisch Stadion van Amsterdam vier wereldkampioenen op stormachtige wijze onthaald. Het waren de Fransman Louison Bobet, de Engelsman Reg Harris en de Belgen Dolf Verschueren en Emile Van Cauter, respectievelijk de kersverse regenboogtruidragers bij de profwegrenners, de profsprinters, de profstayers en de amateurwegrenners. Toen ze in een open auto voorafgegaan door de harmonie van de Amsterdamse tram een ereronde maakten was het gejuich zo enthousiast dat zelfs een gelauwerde kampioen als Bobet er van onder de indruk raakte. ´Dat heb ik ...

... nog nooit meegemaakt. Iedereen is zo vriendelijk´. Het applaus van de meer dan 30.000 toeschouwers gold ook de inzittenden van de tweede auto, de Nederlandse medaillewinnaars. Dat waren Arie van Vliet, tweede bij de profsprinters, Jan Pronk, tweede bij de profstayers en Martin van den Borgh, derde bij de amateurs op de weg. Verder zaten ook Frits Wiersma en Albert Lutti Käser in die tweede auto, vanwege het feit dat ze allebei als gangmaker een jubileum vierden. Wiersma zat 40 jaar in het vak en Käser nog vijf jaar meer. De twee mannen in het leer kregen van de directeur van het stadion een bronzen ereplaquette voor hun verdiensten voor de wielersport. De voornaamste uitslagen van de WK-revanches waren: Australische achtervolging voor amateurs: 1. Wies van Dongen, 2. Martin van den Borgh en 3. Flor van der Weyden. De omniumwedstrijd voor professionals bestond uit een tijdrit over 1 kilometer en verder uit twee manches achter handelsmotoren over respectievelijk 5 en 10 kilometer. De uitslag daarvan was: 1. Louison Bobet, 2. Wout Wagtmans en 3. Hein van Breenen. In de sprint voor professionals kreeg Arie van Vliet zijn revanche door alle ritten te winnen. In de puntentelling was Reg Harris tweede en Jan Derksen derde. Jan Pronk wist zich bij de profstayers niet te revancheren, want in de wedstrijd over 100 kilometer werd hij wederom tweede achter Dolf Verschueren, maar voor de Fransman Roger Queugnet.

Leijn Loeveseijn behaalde op dinsdag 31 augustus 1971 in Varese voor Nederland de vijftigste wereldtitel in de geschiedenis van het wielrennen. De Amsterdammer, die een plaats bij de laatste vier bij de profsprinters al als een goede prestatie zou hebben beschouwd, joeg in een lange rush zonder ook maar een manche te verliezen naar het hoogste treetje van het erepodium. Zijn prestatie dwong alom respect af vanwege het feit dat hij geen enkele keer verslagen werd. Eerst fietste hij Fukushima naar zijn Japanse huis, daarna was Borghetti het slachtoffer en in de halve finales moest Turrini er aan geloven. Steeds gebeurde dat met lange spurts ingezet op 300 of 350 meter voor de eindstreep. De finale reed Loeveseijn tegen de sterke Belg Robert Van Lancker. ‘Mijn enige kans was om de vlijmscherpe eindsprint van Van Lancker te breken met zeer lange sprints. Ik heb dan ook tot tweemaal toe zo’n 400 meter op volle snelheid gereden, maar mijn sprong in de laatste meters bleef ook nog goed. Ik wil wel toegeven dat ik zelden zo nerveus ben geweest.’ Bondscoach Jan Derksen zei na afloop: ‘Een echte sprinter met tactische foefjes is Leijn niet, hij is eigenlijk net zo’n sprinter als ik zelf was.’ Derksen, de ‘fietsvader’ van Leijn werd die avond overigens door zijn ‘fietszoon’ onttroond als laatste Nederlandse wereldkampioen bij de profsprinters. De inmiddels 90-jarige Derksen won zijn laatste titel in 1957 op de betonnen baan van Rocourt nabij Luik.

Een citaat uit de krant van maandag 1 september 1975: ‘Het kan niet op met de Nederlandse wielersport die toch een beetje aan bloedarmoede leek te lijden. Na de baantitels van Keetie van Oosten-Hage, Gaby Minneboo en Roy Schuiten en de wegtitel van Tineke Fopma volgden in het afgelopen weekeinde nog eens twee wereldkampioenschappen. Bij de amateurs toonde André Gevers (foto)  zich de sterkste, terwijl Hennie Kuiper de regenboogtrui greep bij de professionals. Tweehonderd meter voor de eindstreep had de Brabander Gevers de Zweed Sven Ake Nilsson alle illusies op de mondiale wegtriomf bij de amateurs ontnomen. Met een laatste forse pedaalslag passeerde hij de Zweed die vervolgens volgens vanuit de verte machteloos moest toezien hoe onze landgenoot de hand in triomf omhoog stak. Die wereldtitel betekende niet alleen de bekroning van een tactisch formidabel gereden race, maar vormde bovendien de bevestiging van het ongelimiteerde vertrouwen dat zijn ploegleider Jan Gisbers en bondscoach Joop Middelink al jaren in hem hadden. De mondiale triomf van Gevers was de vierde na-oorlogse wereldtitel bij de amateurs, nadat eerder Henk Faanhof (1949), Frans Mahn (1956) en Evert Dolman (1966) wereldroem voor Oranje hadden geoogst.

Vandaag precies 34 jaar geleden toonde Hennie Kuiper zich de verpersoonlijking van Nederlandse macht in een koers die op een Belgische overwinning had dienen uit te draaien. Nationaal kampioen Kuiper was in het begin van de koers al met de Belg Teirlinck en de Fransman Hezard meegegaan. Dat was al in de eerste ronde, van de in totaal twintig over een moeilijk en door het opdringende publiek zelfs gevaarlijk parcours van 13 kilometer lengte. Ze werden teruggepakt, maar Kuiper bleef de hele koers op het vinkentouw om in de voorlaatste ronde zijn allesbeslissende demarrage te plaatsen. Geen moment van verslapping en onzekerheid was er tijdens zijn lange rush naar het goud te bespeuren. ‘Toen ik sprong twijfelde ik. Logisch je bent pas weg en je rijdt op volle kracht zonder op of om te zien. Die twijfel duurde niet lang want ik merkte spoedig dat ik alles kon. Ik hoefde me niet te forceren, alles ging gemakkelijk. Klimmen en dalen, omhoog en omlaag, ik voelde me beresterk. Hoe langer ik wegbleef hoe meer ik begon te denken dat er niets meer kon misgaan. Als ze me hadden teruggepakt dan had ik het opnieuw geprobeerd’, zei de dolgelukkige Tukker na afloop. Kuipers overwinning was de triomf van de solidariteit. Zoetemelk en Knetemann hielden tijdens de finale de acht rivalen in bedwang en dat waren niet de minsten. De Belgen Merckx, De Vlaeminck en Van Impe, de Fransen Danguillaume, Thevenet en Ovion, de Italiaan Moser en de Spanjaard Torres probeerden keer op keer naar Kuiper toe te springen maar Jopie en de Kneet counterden iedere aanval. Ploegleider Jan Janssen: ‘De hele ploeg heeft formidabel gewerkt, ik ben trots op iedereen. Wij hebben het buitenland weer eens wat laten zien. Onze renners domineerden het wereldkampioenschap van begin tot einde.’ Het begon met die speelse aanval van Kuiper en zijn twee gezellen en het ging verder met Gerben Karstens en de Fransman Francis Campaner. Ruim negentig kilometers bleven zij voorop met als grootste voorsprong een dikke drie minuten. Jan Raas, Hennie Kuiper, Joop Zoetemelk en Gerrie Knetemann mengden zich nadien in aanvallen die niet veel meer dan schermutselingen waren. Een afgeslagen aanval van Tourwinnaar Bernard Thevenet luidde tenslotte de solo van Kuiper in. Op bijna dezelfde wijze als hij in 1972 de Olympische titel en drie jaar later het nationale kampioenschap had behaald, trok de 26-jarige inwoner van Denekamp de wereldtitel naar zich toe. Solistische krachtsexplosies waren anno 1975 Kuipers handelsmerk en dat zou nog vele jaren zo blijven. De uitslag was: 1. Kuiper 2. De Vlaeminck 3. Danguillaume 4. Torres 5. Zoetemelk 6. Thevenet 7. Ovion 8. Merckx 9. Van Impe en 10. Knetemann.
 
Gerben Karstens won op dinsdagavond 31 augustus 1976 de Gouden Pijl, een criterium over 100 kilometer in Emmen. Het was een zeer levendige koers waarin de Leidenaar zich in de eindsprint de snelste toonde van een groepje van negen renners. Na hem volgden Hulzebosch, De Cauwer, Priem, De Ruiter, Bakker, Vlot, Schipper en Van Katwijk (Fons). Op dezelfde dag werd ook bekend dat Cees Bal weer zou gaan fietsen. Vijf weken nadat de Zeeuwse prof het besluit nam zijn fiets voorgoed aan de wilgen te hangen, kwam hij al weer op die beslissing terug. Het besluit te stoppen nam hij op een moment dat hij volgens eigen zeggen geestelijk volledig in de vernieling zat. Een maandje werken aan boord van een sleepboot had hem gelukkig weer ontnuchterd. ‘Ik heb nu ervaren hoe het in de maatschappij is. Toen ik mijn besluit nam dacht ik: ik doe alles weg en stap nooit weer op de fiets. Die beslissing is me zwaar tegengevallen. Ik wist niet dat ik er zo aan verknocht was.’ Toch heeft Bal nog lang geaarzeld voordat hij weer op de fiets zou klimmen. Hij was er zich van bewust dat hij zijn naam in de afgelopen periode had besmeurd. Door de persoonlijke problemen waarmee hij kampte kon hij zich slecht concentreren op zijn werk. Hij liet dikwijls zonder taal of teken verstek gaan bij wedstrijden waarvoor hij een contract had getekend. Bovendien realiseerde de blonde coureur zich maar al te goed dat het terugkomen op die veelbesproken beslissing ook weer door velen verkeerd zou worden uitgelegd. Hoe kan een renner die zich zo wispelturig heeft gedragen nu ineens weer de stabiliteit opbrengen om er weer voor de volle honderd procent tegenaan te gaan? ‘Ik heb gezien dat het moeilijk is om in de maatschappij je geld te verdienen. Het feit dat ik weer ga fietsen komt voornamelijk voort uit financiële overwegingen. Dat wil niet zeggen dat er een Bal zonder ambities terugkomt. Ik besef goed dat je er voor moet rijden en prestaties moet leveren om financieel goed te zitten. Dat is al een andere instelling. Verder heb ik me voorgenomen me niet meer zo druk te maken over bepaalde zaken die ik om me heen zie. Ik kon daar vroeger niet tegen. Maar nu zal ik er niets meer over zeggen.’ Hij vroeg zich overigens wel af of hij na al de perikelen nog in zijn oude ploeg kon terugkomen. Na een gesprek met kopman Eddy Merkcx liet hij weten: ‘Eddy heeft me gezegd dat hij mijn standpunt kon begrijpen en hij zei zelfs dat als ik dat zou willen ik weer een kans zou krijgen. Dat had ik niet verwacht!’ De hierbij geplaatste foto van de huidige Cees Bal heb ik afgelopen donderdag in Zutphen gemaakt tijdens het Wielergala der Oude Gloriën. Tal van vroegere coryfeeën waren daar present en de leukste ontmoeting was met Theo de Rooij, die mij vertelde een dagelijkse bezoeker van de slogblog te zijn. Deze rubriek leest hij iedere week. Dan besef je weer eens waar je het voor doet.

Superlatieven schoten op zondag 31 augustus 1980 tekort om de prestatie van Bernard Hinault in de strijd om de wereldtitel te beschrijven. Het was in één woord samen te vatten: MACHTSVERTOON. De wijze waarop de wielerheld van Frankrijk op het moordende parcours van Sallanches al zijn tegenstanders had verpletterd, was groots. Het betekende een vernedering voor alle andere grote namen, die wellicht nog hadden gehoopt bij de Bretonse geweldenaar te kunnen aanhaken. Hinault daverde echter voort alsof er geen rivalen waren. Hij sleepte zelfs geruime tijd Baronchelli mee zonder dat de Italiaan ook maar bij machte was de nieuwe wereldkampioen nerveus te maken. De dag waarop Saronni, Moser, Nilsson, Battaglin, Willems, Pollentier en de Nederlanders een ongekend pak slaag kregen, betekende voor Hinault het zoveelste hoogtepunt in zijn briljante loopbaan. Het betekende tevens een revanche voor zijn vlucht uit de Tour de France als gevolg van een geforceerde knie. Joop Zoetemelk won die Tour en ontketende daarmee in Nederland een ware criteriumgekte die uiteindelijk zijn weerslag had op de conditie van de Nederlandse toprenners. In Sallanches gingen onze vedetten vrijwel zonder uitzondering kopje onder met als enig aanwijsbare oorzaak de gigantische mallemolen van criteriums, waarin zij na die flonkerende Tour van Joop en van Raleigh wekenlang hadden rondgetold. Ze kozen in die periode, niet helemaal onbegrijpelijk, voor het grote geld dat na de Tour bij wijze van spreken op straat lag, maar leverden daarmee wel hun kansen in voor een hoofdrol tijdens de strijd om de wereldtitel. Het gevolg was dan ook desastreus. Het uiterlijk van de Nederlandse wielersport, dat de laatste vijf jaar in West-Europa door de successen van de ploeg van Peter Post een bijna magische klank had gekregen, werd binnen een tijdsbestek van slechts zeveneneenhalf uur zo ernstig geschaad dat zelfs de meest vermaarde plastisch chirurg er moedeloos van zou worden. Want hoe de excuses ook luidden, het was een regelrechte aanfluiting dat van de sterke 13-mansformatie, met een kilometerslange gezamenlijke palmares, slechts één dappere knecht (Bert Pronk) de eindstreep haalde. Het sprookje was voorlopig even uit. Niet omdat Nederland het na twee jaar weer eens zonder regenboogtruidrager moest stellen, maar wel omdat het blamerend was dat vrijwel alle leden van de oranjebrigade al lang en breed uit de spits waren verdwenen, toen Bernard Hinault het commando overnam.

Eddy Merckx won op 31 augustus 1963 als amateur in Etterbeek zijn 42e koers. Als prof was hij in 1966 succesvol in Overijsse, in 1970 in het Italiaanse Fabriano, in 1972 in Rummen voor Swerts en Barras en in 1974 in Poperinge voor De Vlaeminck en Sercu.

Tot volgende week!”

Jan Houterman

Door Fred van Slogteren, 31 augustus 2009 10:00

...gangmaker Albert Kaser kreeg van de directie van het Olympisch Stadion een bronzen plaquette vanwege zijn 45 jarig jubileum. Een prestatie die niet genoeg te roemen valt. De man heeft meermaals de dood in de ogen gekeken en, tientallen malen aan een graf van een verongelukte stayuer gestaan. Dat begon al met zijn broer Karl, doodgevallen in 1904. Karl werd gegangmaakt door... Josef Kaser de broer van Karl en Albert. Josef gaf er direct de brui aan en was gangmaker exit. Albert kachelde nog tientallen jaren door. En was ook gangmaker van Piet van Nek die, achter zijn rug, in het Leipzig van 1914, ook ter hemel trok. Ach, het voegt aan deze site niets toe maar het zijn van die aardige 'weetjes'...

Geplaatst door André Stuyfesant, 31 augustus 2009 19:19:41

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web