Gerrit Voorting: “We hadden helemaal geen ploegleider nodig!”

Van de vier kopmannen in de Nederlandse Tourploeg van 1953 zou jeGerrit Voorting de wegkapitein kunnen noemen. Dat woord bestond toen nog niet, maar hij had er alle eigenschappen voor. Wagtmans en Nolten hadden de meeste klasse van de vier, maar ook hun beperkingen. Van Est was een goede renner, maar wel iemand die primair met zichzelf bezig was. Geen teamspeler en dat was Voorting in hoge mate. Dat viel me nog eens op toen hij me onlangs op 86-jarige leeftijd nog een heldere analyse gaf van al zijn ploeggenoten van toen. Hij was ook de oudste van het spul en de meest ervarene, als we de snel uitgevallen Jefke Janssen niet meerekenen. Gerrit Voorting was een echte prof die tien opeenvolgende jaren deel uitmaakte van de Nederlandse Tourploeg en vanwege zijn capaciteiten en constante rijden een vaste waarde was, waar Pellenaars niet omheen kon. Ze konden op hem rekenen want hij presteerde altijd goed. Hij was een sierlijke renner die op het vlakke door niemand werd voorbijgereden en in de bergen heel lang met de besten meekon. Hij kon ook nog redelijk aankomen, hoewel zijn eindschot lang niet zo scherp was als die van zijn jongere broer Adri. Dat de ploeg in 1953, naarmate de Tour vorderde, steeds meer ...

 

... een eenheid werd, is voor een groot deel zijn werk geweest. Ze hadden allemaal hun bedenkingen tegen Pellenaars en die negatieve energie werd binnen de ploeg omgezet in motivatie om er iedere dag weer in te vliegen en zoveel mogelijk geld te verdienen. De negatieve invloed van de ploegleider zorgde dus voor een positief resultaat, hoewel de Tourveteraan nog altijd van mening is dat ze helemaal geen ploegleider nodig hadden. “We waren allemaal goede professionals, die wisten waar het om ging en daar had je geen ploegleider bij nodig. Je hebt iemand nodig die met de auto achter je aanrijdt voor het geval van pech. En verder moet een renner het in de koers zelf uitzoeken.”

Gerrit Voorting werd op 18 januari 1923 in Velsen geboin het vroom katholieke gezin en na Gerrit en Truus zouden er nog dren als de helft van een tweeling. Er waren toen al vijf kinderen rie geboren worden. Zijn vader was zeeman en zijn moeder bestierde een winkeltje nabij het station van Santpoort. Het was een sportieve familie. Vooral de tweeling. Truus deed in haar jonge jaren aan handbal en softbal en Gerrit kwam met de wielersport in aanraking door een vriendje. Die had een racefiets, maar de jonge Gerrit had geen enkele moeite op een gewone fiets aan het wiel te blijven en dat vriendje op het laatst voorbij te sprinten. In de buurt was een stuk grond bouwrijp gemaakt om er villa’s op te bouwen en daar reden de twee met nog andere jongens fanatiek hun wedstrijdjes. Gerrit wilde ook een racefiets en het lukte hem een tweedehandsje op de kop te tikken. “Een duikboot was het, zo’n zwaar lang ding en ik had de grootste moeite om die soepel door de bocht te krijgen. Met enige fantasie kon je het een racefiets noemen en daarmee ben ik naar de wielerclub gegaan.” Hij kon daar direct goed meekomen, maar de oorlog gooide roet in het eten. Gerrit kwam als dwangarbeider van de Duitsers in Frankrijk terecht, maar toen de oorlog voorbij was ging hij gelijk weer fietsen. Er waren heel veel wedstrijden in die tijd en al in 1945 behoorde hij tot de beste amateurs van Nederland. Iedereen was arm en racespullen waren haast niet te krijgen. Gerrit en de andere topamateurs waren afhankelijk van de prijzen en premies die ze wonnen, die daarna te gelde werden gemaakt. Ieder reed voor zich, maar Gerrit begreep dat je door samen te werken veel meer aan het koersen kon overhouden. Met drie andere topamateurs maakte hij afspraken om zoveel mogelijk prijs te rijden en na afloop de poet te verdelen. Ze reden niet meer tegen, maar met elkaar. Omdat ze zoveel wonnen werden ze ook vaak in België uitgenodigd. Daar kochten ze van het prijzengeld van die mooie Italiaanse jumpertjes en nylonkousen, die in Nederland niet te koop waren of onbetaalbaar waren. Het systeem van de Vier Musketiers werkte perfect en in 1947 werden ze 1e, 2e, 3e, en 4e bij het Nederlands kampioenschap. In datzelfde jaar was het opeens afgelopen, want toen werden Gerard van Beek, Piet de Vries en Harm Smits beroepsrenner. Gerrit bleef amateur, want die wilde in 1948 naar de Olympische Spelen. Daar won hij zilver in de wegwedstrijd om pas daarna beroepsrenner te worden.

Prof worden was toen wel de droom van iedere amateur, maar waar ze van droomden was in feite een bestaan in armoede. Er was geen droog brood te verdienen, als je je heil tenminste op de weg zocht. Dat wist Gerrit natuurlijk, maar zijn ideaal was de Tour de France rijden. In 1950 werd hij gevraagd om mee naar de Tour te gaan, maar het werd een deceptie. De ploegleider was Jan Pijnenburg, een baanrenner van voor de oorlog. Die had absoluut geen verstand van wegrennen en zijn chauffeur ook niet. Dat was Piet Moeskops, de beroemde baansprinter uit de jaren twintig. Daar had je niks aan. Voorting vroeg aan stadgenoot, de zesdaagserenner Gé Peters, of die eens bij Stan Ockers wilde informeren welke versnellingen die gebruikte in de bergritten van de Tour. Toen hij dat wist vroeg hij Pijnenburg om die versnellingen, maar die weigerde met het argument dat dat veel te licht was. Alle Nederlanders reden veel zwaarder en dat moest Gerrit ook maar doen. Hij deed het aanvankelijk prima in de Tour, want als 27-jarige debutant kon hij de afstanden lichamelijk goed aan. Tot aan de elfde dag toen de karavaan de Pyreneeën in trok. In de beklimming van de Aubisque reed hij moeiteloos mee met mannen als Bartali, Geminiani, Bobet en Ockers. Toen het steiler werd zat Voorting op zijn kleinste versnelling aan het wiel van de Belg. Het werd zwaar en Ockers schakelde terug, pakte een ander ritme en weg was-ie. Woedend was de Nederlander en hij stapte ter plekke af en ging op een rotsblok zitten. Een kwartier later kwamen Moeskops en Pijnenburg langs in het spoor van de zwoegende overige Nederlanders. Pijnenburg sommeerde Gerrit om weer op te stappen, anders kon hij op een schorsing van de bond rekenen. Nog steeds woedend wachtte hij echter op de bezemwagen en liet zich naar de aankomstplaats rijden, vanwaar hij direct naar huis vertrok. Een jaar later kwam Pellenaars en die had een goed verhaal, waar hij wel vertrouwen in had. De ploeg had direct succes, want Van Est won met de hulp van Voorting een etappe en pakte de gele trui, om een dag later met de hele ploeg huiswaarts te gaan nadat hij in het ravijn was gedoken en dat wonder boven wonder had overleefd. In de twee jaar daarna ging het steeds beter en 1953 werd het absolute hoogtepunt. Na dat grote succes werd het minder, de conflicten tussen Pellenaars en de KNWU gingen een rol spelen en in 1957 werd d’n Pel buitenspel gezet. In 1958 werden acht Nederlanders, onder wie Voorting, gekoppeld aan vier Luxemburgers onder wie de beroemde Charly Gaul. Die won die Tour en Gerrit maakte op zijn oude dag nog een Touroverwinning van nabij mee. In 1959 startte hij voor de laatste keer in de Tour. Van zijn tien starts reed hij er zes uit met een elfde plaats in 1956 als beste resultaat. Hij won in die jaren twee keer een etappe en hij reed vier dagen in de gele trui. In 1954 werd hij ook nog zevende in de Ronde van Italië, nadat hij een dag de roze leiderstrui had gedragen.

Het was voor Gerrit Voorting geen vraag wat hij na zijn rennersloopbaan zou gaan doen, want hij had toen al een goedlopende rijwielzaak in de Molenstraat in Roosendaal. In 1952 was hij naar dat Brabantse stadje verhuisd om dichter bij de koersen in België te wonen. Een jaar later trouwde hij met een meisje uit Haarlem en die verveelde zich al snel in die vreemde omgeving. In Haarlem had ze in een stoffenzaak gewerkt en het leek Gerrit een aardig idee om een fietsenwinkel over te nemen. Voor hem hoefde het niet, want het wielrennen eiste nog al zijn aandacht op, maar hij deed het voor zijn vrouw. Omdat hij er zelf zelden was, nam hij een knecht in dienst voor de technische zaken. Met zijn successen in de Tour de France en de Giro d’Italia liep de winkel als een trein, maar nadat hij was uitgefietst bekende zijn vrouw dat ze vreselijk heimwee had en terug wilde naar Haarlem. Gerrit verkocht de zaak en het echtpaar, dat inmiddels twee kinderen had, verhuisde naar de hoofdstad van Noord-Holland. Eenmaal gesettled openbaarde zich bij zijn vrouw een ongeneeslijke ziekte en ze overleed kort daarna aan keelkanker. Gerrit bleef achter met twee kleine meisjes voor wie hij zowel vader als moeder moest zijn. Hij deed een jaar niets om zich te beraden op zijn verdere leven en werd toen huisschilder, het beroep waar hij ooit voor was opgeleid. Op 62-jarige leeftijd stond zijn naam weer in de wielerpers, want de Tourveteraan had een licentie aangevraagd als veteraanwielrenner en fanatiek als hij was reed hij binnen de kortste keren weer uitslagen. Hij is nooit hertrouwd, had wel zo nu en dan een relatie, maar het dagelijks kunnen fietsen vergoedde veel. In de jaren tachtig werden er als voorprogramma bij profcriteriums vaak koersjes georganiseerd voor oud-beroepsrenners. Ondanks dat hij een van de oudsten was bleek Gerrit nog steeds moeilijk te kloppen. Behalve het wit geworden haar leek hij nog sprekend op de bruinverbrande tanige atleet van vroeger. Op z’n tachtigste verjaardag werd hij door zijn vele wielervrienden verrast met een splinternieuwe Jan Janssen fiets en Gerrit ging nog beter rijden. Onderweg kwam hem wel eens een ploegje achterop van trainende wielrenners en met een kleine tempoversnelling haakte hij aan en ze kregen die ouwe taainagel tot zijn genoegen niet van het wiel.

Hij verdeelde zijn tijd tussen de bejaardensoos en de racefiets en ingoede gezondheid was hij een opmerkelijk fitte opa. Toen overkwam hem een bizar ongeluk. Met de gewone fiets op weg naar de soos werd hij op een rotonde geschept door een personenauto. Gewond en met een op meerdere plaatsen gebroken heup belandde hij in het ziekenhuis in de wetenschap dat hij zijn mooie racefiets nooit meer zou berijden. Na een lang verblijf in een verpleeghuis keerde hij begin van dit jaar terug naar zijn aangepaste woning. Naar omstandigheden maakt hij het daar redelijk wel en vertelt hij bezoekers nog steeds graag over de mooie jaren toen hij beroepsrenner was en een vaste waarde in de Nederlandse Tourploeg. Van ploegleider Pellenaars was bekend dat hij nog wel eens een dealtje maakte met de Franse ploeg of de Zwitserse ploeg of de Spaanse ploeg al naar gelang dat uitkwam en daarom stelde ik hem de vraag: “Gerrit, hoe goed waren jullie eigenlijk in 1953? Was het echt of werd er een spel gespeeld?” Even meende ik een lichte irritatie in zijn bruine ogen te zien en toen zei hij: “We hebben in andere jaren wel eens combine gemaakt met andere ploegen, maar niet in 1953. Toen zaten we met niemand in de slag. Ja, met Jacques Goddet van de organisatie, die vond het geweldig wat we deden. Elke dag leven in de brouwerij. Nee hoor, we waren echt goed dat jaar. Ze laten je heus het ploegenklassement niet winnen, daar moest je hard voor koersen. Het was een geweldige ploeg en het waren mooie jaren. Toen ik in 1953 van de Tour thuiskwam hadden ze in Roosendaal de hele winkel versierd en het stond er zwart van de mensen.” (Bovenste en onderste foto: © Cor Vos; middelste foto: archief Wim van Eyle)

Door Fred van Slogteren, 22 juli 2009 12:00

Gerrit Voorting

Gerrit , we hebben van je genoten , het ga je goed !!

Geplaatst door c.veerman, 22 juli 2009 13:49:00

Gerrit Voorting

Gerrit en zijn broer Adrie , mogelijk 'n betere renner dan zijn oudere broer woonden na de oorlog in Haarlem Noord waar zij in de schuur achter een rollerbaan hadden waar zij trainden.
Wij als jongens die vlak bij woonden vonden dat zeer interessant en gingen vaak en mochten ook mee wanneer ze in de duinen gingen crossen. Vlak
na de oorlog zijn ze beiden lid geworden van de Rkvv Onze Gezellen, niet lang overigens.
Hun broer Willem daarentegen wel.

Geplaatst door J.E.Smit, 25 juni 2015 14:07:59

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web