Wout Wagtmans (10 november 1929, overleden 15 augustus 1994)

Wie de geweldige wielercarrière van Wout Wagtmans goed bestudeerd, ontkomt niet aan de vraag: hoe ver zou deze man zijn gekomen als hij zo serieus had geleefd als een Jan Janssen of een Joop Zoetemelk in latere jaren. Of hij dan net als die twee de Tour de France had gewonnen is met geen zekerheid te zeggen, maar hij zou in ieder geval enkele malen heel dicht in de buurt zijn geweest. Wagtmans had veel talent. Hij kon in de bergen goed mee, had een redelijke tijdrit in de dunne beentjes, een geweldig koersinzicht en hij was uitermate slim. Daar stond tegenover dat hij leefde als een aan twee kanten brandende kaars, zonder zich te sparen ieder jaar van februari tot november koerste, in de winter zesdaagsen reed, niet vies was van een stevige borrel, gek was op het nachtleven van Parijs en andere steden en ook nog eens een stevige sigaar rookte. Als hij dat allemaal had nagelaten en zijn carrière gepland had opgebouwd dan zou hij waarschijnlijk nog veel eerder zijn overleden, want het één hoorde net zo goed bij Wout als het ander. Een zeldzaam fenomeen en ik ken dan ook geen andere renner in de wielerhistorie die ook maar ín de verste verte met hem te vergelijken is.

Wout was een van de acht kinderen van een eenvoudige  fabrieksarbeider en in die economisch moeilijke tijd keken de ouders altijd ... 

 

... reikhalzend uit naar de dag dat de kinderen konden gaan werken om geld binnen te brengen. Wout werd al op 14-jarige leeftijd boerenknecht en met hard werken op het land ontwikkelde hij zijn kleine, magere lijfje tot een pezig lichaam waarin meer kracht schuil ging dan je er aan af zag. Hij was een leuk joch, vrolijk en opgewekt en met zijn kwajongensstreken en kwinkslagen had hij makkelijk de lachers op zijn hand. Mooi van lelijkheid en vlot van de tongriem gesneden sloeg hij zich kwikzilverig door het leven en op 18-jarige leeftijd werd hij gegrepen door de wielersport. Dat was toen zijn oudere broer Ad met koersen stopte en zijn racefiets genereus aan zijn broertje schonk. Toen hij het koersen onder de knie had en het spelletje volledig doorzag, kwamen ook snel de overwinningen. Als amateur behaalde hij al 63 zegepralen waaronder het Nederlands kampioenschap op de weg in 1949. De profs en amateurs reden toen nog in één wedstrijd en zijn leermeester, de oude prof en streekgenoot John Braspennincx, trok de sprint voor hem aan. In de kampioenstrui begon het kleine manneke in 1950 aan een daverend seizoen. Iedere wedstrijdorganisator wilde het attractieve coureurke aan de start en onnauwkeurig en nonchalant als hij was tekende hij twee contracten voor wedstrijden die op dezelfde dag werden verreden. Hij kwam dus bij een van de koersen niet opdagen en dat kwam hem op een schorsing te staan. Dat kon hij gelukkig voorkomen door prof te worden en dus werd hij op 20-jarige leeftijd al beroepsrenner. Nog hetzelfde jaar debuteerde hij – als jongste Nederlander ooit - in de Tour de France. 

Dat de Tour zijn wedstrijd zou worden was in dat eerste jaar nog niet te zien. Gekweld door steenpuisten belandde hij al snel op de laatste plaats in het klassement en in de tiende etappe stapte hij in de bezemwagen. Een jaar later begon het tijdperk Pellenaars, maar na de val van Van Est in het ravijn ging de hele Nederlandse ploeg, inclusief Woutje, naar huis. In 1952 was hij nog maar 22 jaar, maar hij reed een daverend voorseizoen met de overwinning in de zware Ronde van Romandië als eerste parel aan zijn kroon. In de Tour maakte hij indruk in de etappe over de Mont Ventoux, waarin hij vijfde werd, maar hij bleef vooralsnog in de schaduw van Nolten, Van Est en Voorting. 1953 werd zijn grote jaar. Hij won twee etappes, behaalde tal van ereplaatsen en werd vijfde in het eindklassement, op dat moment de beste individuele klassering van een Nederlander. In 1954 pakte hij al in de eerste etappe van Amsterdam naar Brasschaat de gele trui. Na de vierde rit was hij het kleinood kwijt om het in de negende etappe te heroveren. Toen de bergen kwamen was het gauw gedaan met Wagtmans. Hij betaalde de tol voor zijn overladen voorseizoen en zijn strijdlustige manier van koersen. In de negentiende rit gaf hij uitgeput op. Een jaar later reed hij eerst naar een uitstekende negende plaats in de Ronde van Italië om daarna vol ambitie aan de Tour te beginnen. Hij begon weer op z’n Wagtmans, veroverde de gele trui, reed daarna dagenlang in de groene om vervolgens wegens oververmoeidheid weer ver weg te zakken en als negentiende in Parijs aan te komen. Het leidde niet tot bezinning en hij nam geen gas terug om beter voorbereid aan de volgende Tour te beginnen.

Had hij dat wel gedaan dan had hij de Tour de France van 1956 wellicht kunnen winnen. Louison Bobet, de winnaar van de voorgaande drie jaren, was niet van de partij en ook de andere grote renners van die tijd ontbraken. In de vijftiende etappe veroverde hij het geel en hij verdedigde de leiderstrui met alles wat hij nog in zich had. In de bergen weken Nolten en Van der Pluym niet van zijn zijde en Nederland begon in het sprookje te geloven. In de achttiende rit was het echter gedaan met de kleine man. Alle energie was verbruikt en hij kon niet meer herstellen. Hij werd genadeloos uit de trui gereden door de Franse regionaal Roger Walkowiak, een renner die normaliter niet in zijn schaduw kon staan. Hij verloor vele minuten en op een zesde plaats in het klassement kwam hij gedesillusioneerd en volslagen uitgeput in Parijs aan. Hij zou nog twee keer in de Tour terugkeren om beide keren op te geven. Na de laatste keer in 1961 stapte hij ook niet meer op de fiets. Hij verkocht al zijn wielerspullen en zelfs zijn verzameling groene en gele truien ging de deur uit. Hij wilde niks meer met de wielrennerij te maken hebben.

De sleet zat niet alleen op zijn pezige lijf, maar ook op zijn moraal. En dat kwam door die maandagavonden. In zijn gloriejaar 1953 was dat begonnen. Er werd iedere maandag een supportersavond georganiseerd in het Bredase café ’t Hoekske van zijn vriend Toon Simons. Er kon meestal geen muis meer bij en er werd gedronken en gefeest alsof het iedere maandagavond carnaval was. Als de heilige hermandad Simons kwam wijzen op het feit dat het sluitingstijd was, liep de kroeg langzaam leeg en Wout, die als een kind had genoten, betaalde blijmoedig de totale rekening. Dat ging week na week zo door maar hij bleef ervan genieten als een kleuter dat steeds hetzelfde filmpje wil zien. Het was zijn variant op het genot van de hedendaagse coke, maar de roes veranderde hem niet, want hij bleef de getapte jongen. “Wout was een moordgozer”, vertelde Henk Faanhof me eens. “Hij kocht ieder jaar en soms wel twee keer per jaar een nieuwe auto. Een grote Amerikaanse slee of een Porsche, als het maar snel en duur was. Hij kon het betalen, want de poen kwam er met scheppen in, maar het ging er ook weer met bakken uit. Des te gekker, des te mooier.” Een gepensioneerde automonteur uit Breda herinnert zich dat Wout bij zijn baas eens een bestelde auto kwam afhalen, waarin ze een originele bel van de Bredase tram hadden moeten installeren. Hij had een koffertje bij zich waarin de benodigde 26.000 gulden zat, die hij verschuldigd was. “Een maand later lag het ding in de poeier en kwam Wout vrolijk een nieuwe bestellen.”

Toen het na 1958 met Wout allemaal wat minder ging en hij nog wat geld kon verdienen als stayer werd het aantal bezoekers van de supportersavonden in ’t Hoekske snel minder. Van week tot week kon Wout zijn populariteit meten, tot hij alleen met Toon achterbleef en zijn knopen ging tellen. Dramatisch was zijn afgang in de Tour van 1961. Het was het laatste jaar van de landenformule en ploegleider Büchli had de Nederlandse ploeg al weken tevoren rond. Toen Joop Captein op het laatste moment afzegde, moest de Hagenaar op zoek naar een vervanger. Hij polste Wagtmans en die zei: ja. Dat had hij niet moeten doen, want de voormalige geletruijager kon gewoon niet meer meekomen. Volkomen uitgeblust gaf hij in de negende etappe op. Terug in Nederland praatte hij langdurig met zijn vrouw Nellie. Van al het verdiende geld was niets meer over, maar wat Wout niet wist was dat zijn lieve vrouw tijdens al die jaren in weelde steeds een bedrag onder het hemd had gestopt. Nu ze wist dat haar Wout was uitgeraasd was het tijd om dat kapitaaltje aan te spreken. Wout vond een baan als vrachtwagenchauffeur bij een Rotterdams transportbedrijf en tien dagen na zijn opgave reed hij met zijn eerste vracht naar Parijs, waar de dag daarna de Tour zou aankomen waarin hij nog gestart was. Het was een stageperiode, want zijn schoonvader was eigenaar van het transportbedrijf Jaspers uit St.Willebrord. Dat bedrijf zouden Wout en Nellie in de toekomst erven en het was de bedoeling dat de oud-renner elders het vak zou leren om daarna als compagnon in het bedrijf te komen. Het gebeurde eerder dan verwacht, want de oude Jaspers stierf plotseling en Wout ging verder als directeur/eigenaar van zijn eigen transportbedrijf, gespecialiseerd vervoerder van bakstenen. Als bakker de baksteendoorkruisten Wout en de bij hem in dienst zijnde chauffeurs jarenlang heel Nederland en het verhaal wil dat Almere is gebouwd met door de firma Jaspers & Wagtmans aangevoerde bakstenen.

Opvallend is de metamorfose die het zo uitbundige zondagskind indie jaren onderging. Van een eeuwige kwajongen die zich letterlijk en figuurlijk alles kon permitteren werd hij een serieuze zakenman die zuinig leefde en geen enkele behoefte meer had aan publiciteit. Wel keerde hij in 1967 nog een keer terug naar de Tour. Voor één jaar zou de landenformule weerkeren en de KNWU had behoefte aan een ploegleider. Ze dachten aan Wout Wagtmans, maar het werd geen succes. Hij was er te lang uit geweest en kon zich niet meer aanpassen aan het nieuwe wielrennen, dat zo veel commerciëler was geworden. Daarna keerde de stilte rond zijn persoon weer, zo nu en dan onderbroken met een enkel interview. De laatste keer was in juli 1994 toen Jeroen Wielaert naar St.Willebrord reisde om Wout en Wim van Est nog eens te vragen naar hun Tourbelevenissen van veertig jaar geleden. Wielaert, toen nog verslaggever van Veronica Sportradio, publiceerde het verhaal ook in Wieler Revue en we lezen vooral over de harde aanpak van Pellenaars en de slechte verdiensten van die tijd. Over Wout als feestbeest en kwistig uitgever en innemer geen woord, maar wat niemand toen nog wist was dat de kleine man ernstig ziek was. Een maand later was hij dood. 64 jaar nog maar.(Foto’s: archief Wim van Eyle, onderste foto: © Henk Theuns)

Door Fred van Slogteren, 24 juli 2009 12:00

Renners 1953

Hoi Fred,
Veel renners van de Tourploe-
gen uit de jaren vijftig zijn
op deze site mooi naar voren
gehaald door jou.Er wordt in
alle interviews die over de
succesvolle jaren van de Neder
landse Tourploegen gingen, heel vaak de naam van Pelle -naars genoemd. Bijna alle ren-
ners voelden zich tekort ge-
daan door hem want als ze 3000 gulden netto kregen uit -betaald kwam er nog een nahef fing van de belasting waarvan ze geen weet hadden.We hebben het over de jaren vijftig, toen waren de renners nog niet zo bijdehand wat finan -ciŽle afhandeling betreft.Het lijkt mij bijna onmogelijk in de huidige tijd,dat er nog ploegleiders zijn die de premie's of andere extra's
voor de renners, in eigen zak
kunnen steken.Gelukkig maar!!

Geplaatst door Bap van Breenen, 24 juli 2009 14:17:39

De Pel

Beste Bap,
Misschien is het feit dat die renners niet financieel onderlegd waren,juist de reden dat ze zich misdeeld voelden.
Ik heb Pierre Pellenaars eens horen uitleggen, let wel niet verdedigen , dat vader Cees zijn ploegen best "managerial" bestierde, ook in financiŽle termen. Het was een heel plausibel verhaal.
Het zijn overigens steeds dezelfde paar renners die 50 jaar na dato nog de bekende klaagzang aanheffen.

Geplaatst door theo, 24 juli 2009 22:09:06

Pel & Poen

Inderdaad bestaan er over de financiŽle handel en wandel van Kees Pellenaars vele verhalen. Dat hij er zelf niet bepaald slechter van is geworden, is absoluut waar. Behalve ploegleider was hij ook de manager van de renners die in de Locomotief-ploeg reden en de organisatoren van criteriums klopten dan ook bij hem aan als ze een of meer van zijn renners aan de start wilden. Hoe hij dat precies financieel regelde, is niet bekend, maar er is wel ťťn geval uitgelekt, omdat een oplettende belastingambtenaar in de boekhouding van een van de renners zag dat die voor het rijden van zoín rondje rond de kerk 75 gulden startgeld had gebeurd. Dit terwijl Pellenaars volgens zijn administratie voor iedere renner 250 gulden had ontvangen. Een managersfee van 230% is aan de royale kant, maar de renners zijn er wel mee akkoord gegaan toen ze gevraagd werd of ze voor 75 gulden wilden rijden. Ook klaagden zijn renners later over het hoge salaris dat Pellenaars van Locomotief kreeg uitbetaald. Hij stond bij de fabriek op de loonlijst om de renners als ploegleider te begeleiden in de Tour, de Giro en andere etappekoersen, maar daarnaast was hij in de wintermaanden elke dag op pad om in het land alle Locomotief-dealers te bezoeken. Die hielden dan een open dag waar Pellenaars een praatje hield over zijn belevenissen in de Tour, waarna er ontzettend veel fietsen werden verkocht. Pellenaars kreeg van fabrikanten als Vredestein en Campagnolo voor zijn renners gratis banden en onderdelen, maar de renners kregen ze niet, maar moesten ze kopen. Toen de fabrikanten daarvan op de hoogte werden gesteld, lieten ze weten dat ze dat geen moer kon schelen, omdat Pellenaars voor ontzettend veel omzet en publiciteit zorgde en wat hij met die spullen deed moest hij weten. Omdat de klachten van de renners eind jaren vijftig via interviews nogal heftig naar buiten kwamen, is de Fiod eens een kijkje gaan nemen in de boekhouding van de ploegleider. Ze hebben, volgens Pierre Pellenaars, niets onregelmatigs kunnen vinden, maar kwamen er wel achter dat uitbetaalde premies, startgelden en prijzen niet altijd in de boekhouding van de renners voorkwamen. Ik wil Pellenaars moreel niet vrijpleiten, maar met de inspecteurs van de Fiod kun je echt geen geintjes uithalen. Hoewel ik de grieven van de renners volledig begrijp, denk ik dat het financiŽle beleid van dín Pel weliswaar geen schoonheidsprijs verdient, maar dat hem formeel weinig te verwijten is. Groet! Fred

Geplaatst door Fred, 26 juli 2009 12:20:02

Wout Wagtmans

mijn vader Piet van Straten ook van het Heike want daar kwam De Wout ook vandaan heeft menig trainings tochtje met de Wout
gefiets en ook menig kroegentochtje met de Wout gedaan. Ik kende de beschreven verhalen als geen ander. De wielerronde van Ossendrecht won hij op een geleende damesfiets
De Wout had de zijn totall loss tijdens een valpartij.
Peter van Straten

Geplaatst door Peter van Straten, 10 januari 2011 15:09:56

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web