Woensdag 22 juli 1953, 18e etappe Gap–Briançon, 165 km.

Eindelijk, eindelijk. De leider van de Tour was opgestaan en had ondubbelzinnig aangetoond wie uiteindelijk de sterkste was. Louison Bobet (foto), de bakkerszoon uit Bretagne, die zich in vorige Tours nog wel eens voortijdig vertilde aan onmenselijke inspanningen, had geleerd wat wachten is. Hij had zich in de zeventien ritten voor deze dag rustig gehouden, maar zich toch onopvallend op de tweede plaats weten te manoeuvreren. Op het vinkentouw kon hij zelf het moment bepalen waarop hij toe zou slaan en dat was in de 18e etappe, de koninginnenrit van deze zo zware editie van de Tour de France. Een dagmars door het meest woeste gedeelte van de Franse Alpen bracht hem niet alleen een grootse overwinning, maar ook de gele leiderstrui met een zodanige voorsprong dat niemand meer wist wie daar nog verandering in zou kunnen brengen. Het was voor iedere volger en journalist duidelijk dat deze superieure Bobet de man was die vier dagen later in het Parijse Parc des Princes gehuldigd zou worden als winnaar van de 40e Ronde van Frankrijk.
Ook het handjevol Nederlandse journalisten was onder de indruk, niet alleen van Bobet maar ook van ...

... de prestaties van de eigen mannen en dan met name van Jan Nolten en Wout Wagtmans, die op deze dag lieten zien dat ze zich met de beste klimmers van deze Tour konden meten. Alleen niet met Louison Bobet, want die behoorde op deze dag tot de buitencategorie. Nolten kwam als tweede alleen in Briançon over de streep met een achterstand van 5’23” op Bobet en Wagtmans moest als achtste 9’48” toegeven. Prestaties waarmee de twee behoorlijk in het klassement stegen en Wout zelfs op de negende plaats belandde. Wie de sprong van Nolten waarnam dacht met spijt aan het onnodige tijdverlies dat de Limburger in de eerste week had geleden. Was dat niet gebeurd dan had hij wellicht bij de eerste drie in het klassement gestaan. Maar niet alles gaat altijd zoals men dat wil en met deze resultaten werden juichende verslagen en commentaren in de kranten gepubliceerd, terwijl Jan Cottaar voor de radio superlatieven te kort kwam om het allemaal te verwoorden, te meer daar de eerste plaats in het algemeen ploegenklassement stevig in handen van de Nederlanders was. Ook het goede rijden van Wim van Est werd dik in de verf gezet. In de afdaling van de beruchte Col d’Izoard had hij tot drie maal toe een lekke band gekregen en dat had tien minuten aan tijd gekost en hem naar de dertigste plaats in het dagklassement verwezen. Als vierde Nederlander, achter de bewonderenswaardige Joske Suijkerbuijk die net voor hem eindigde en zichzelf had overtroffen. Die prestaties zorgden ervoor dat de Nederlandse ploeg met maar liefst acht minuten voorsprong op de Franse nationale ploeg het ploegenklassement aanvoerde.
Toch viel er over de Nederlandse successen een lichte schaduw. De jonge Adri Voorting had het op deze loodzware dag niet gered en samen met de Luxemburgers Diederich en Goldschmit was hij met een zwaar ontstoken teen uitgeput in de bezemwagen gestapt. Met de uit de strijd genomen Fransman Dupont en de Spanjaard Iturat mee, waren er nog maar 77 renners in koers, waaronder zeven Nederlanders. Onmiddellijk na de start trok de Franse nationaal Deledda en de regionalen Quennehen en Dacquay ten aanval. Zij slaagden er in een voorsprong van acht minuten te nemen, maar al bij de beklimming van de Col de Vars slonk de voorsprong zienderogen. Tijdens de afdaling werd deze dappere vlucht geheel teniet gedaan, want als een Ferrari suisde Louison Bobet hen voorbij gevolgd door Nolten, Loroño, Serra, Schaer, Bartali, Wagtmans en Van Est. Direct daarna begon de klim naar de top van de grimmige Izoard. Bobet ging in een indrukwekkende stijl omhoog en alleen Nolten kon volgen, zij het op gepaste afstand. Ruim daarachter zwoegden de anderen. Van Est verloor door pech de aansluiting en bij zijn derde lekke band kon hij niet meer zelf repareren. Gelukkig was er Adolphe Deledda, die hem in het passeren een reservetube toewierp, een sportief gebaar als van een barmhartige Samatitaan op de fiets.
In het algemeen klassement stond Bobet na afloop fier op de eerste plaats met een voorsprong van 8’35” op Mallejac en 9’48” op Astrua. Wagtmans stond zoals hierboven reeds aangegeven negende op 17’14”; Van Est vijftiende op 36’45”; Voorting senior zestiende op 37’8” en en Nolten zeventiende op 39’38”. Vier landgenoten bij de eerste zeventien van het klassement en dat op vier dagen voor het einde. Heel Nederland leefde met hoge Tourkoorts mee als in een gelukzalige epidemie. In kantoren en fabrieken schalde de radio en zelfs in de Tweede Kamer werd een toestel neergezet. Zodra de stem van Cottaar klonk, draaide de bode aan de volumeknop en hamerde kamervoorzitter Kortenhorst af. De geachte afgevaardigden dromden met rooie koppen van de spanning om het toestel en het derde kabinet Drees was even gevrijwaard van kritische vragen. Gekker kon het in het Nederland van toen niet worden.
(Foto: archief T&T Tekst & Traffic)

De uitslag was:
1. Louison Bobet (Fr.nat) de 165 km. in 5.11’17”
2. Jan Nolten (Ned) op 5’23”
3. Jesus Loroño (Sp) op 5’57”

Gele trui: Louison Bobet (Fr.nat)

Door Fred van Slogteren, 22 juli 2009 15:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web