Jos Suijkerbuijk: “Die Fransen noemden me Swiekerbwiek!”

In 1953 was hij een van de drie debutanten in de Tourploeg van Kees Pellenaars. In tegenstelling tot de andere twee (Adri Voorting en Hein Steevens) was hij al twee jaar prof. In de kranten konden we lezen dat hij in Brabant ‘De Witte Suikere’ werd genoemd. Dat sloeg op zijn naam en zijn witblonde haar. De Fransen wisten helemaal geen raad met zijn familienaam en ze noemden hem ‘Swiekerbwiek’, zoals Hennie Kuiper daar jaren laterEnnie Kwieperre werd genoemd. Jos oogde als een stoere vent en hij kreeg een kans omdat hij goed zou kunnen knechten voor Van Est en Wagtmans, grote coureurs uit de buurt die de Tour al een paar maal gereden hadden. Vooral Wout kende hij goed want die vrolijke kwant was een kameraad en trainingsmaat toen ze als vrijgezelle jongens allebei nog in Breda woonden. In die West-Brabantse stad woonde ook Kees Pellenaars, de leider van de Nederlandse Tourploeg die in 1953 twee man meer mee mocht nemen dan het jaar ervoor. Waar iedere renner in Nederland in die dagen van droomde, overkwam Jos. Op een dag in het voorjaar van 1953 werd er ...

 

... gebeld en Pellenaars stond op de stoep. “Joske hedde ge goesting om mee naar de Tour te gaon?” Een retorische vraag want alle coureurs van Nederland wilden dat wel. De uitverkiezing van De Witte Suikere was gebaseerd op de twee kermiskoersen die hij in 1952 in België had gewonnen en op zijn goede presteren in de Ronde van Nederland, waar hij dertiende werd in de einduitslag. Eenzelfde klassering bereikte hij ook bij het Nederlands kampioenschap en daarmee had hij zich fors in de kijker gereden. Het meeste indruk maakte hij in het vroege voorjaar van 1953 in de Ronde van Bergen op Zoom over honderd kilometer. Het startschot had nog niet geklonken of Jos was weg. In zijn eentje vergrootte hij ronde na ronde zijn voorsprong en de concurrentie zag hem pas terug bij de finish. Waarschijnlijk was hij uitgedaagd, want dan was hij op z’n best. Uit zijn herinnering komt een voorval naar boven bij de start van een koers in Zeeuws-Vlaanderen. Naast hem stond Wout Wagtmans en die zei: “Joske, ziede ge mijn renschoenen. Die zijn fonkelnieuw en die gaat gij vandaag alleen van achteren zien.”Jos voelde de adrenaline in zijn lijf komen en dacht: Nooi nie. Honderd kilometer lang reden ze kop over kop en deden in niets voor elkaar onder. Op de streep wist Wout met precies één centimeter verschil te winnen, want Jos kon alles maar niet sprinten. “Dat had-ie niet moeten zeggen, van die schoenen”, lacht de 80-jarige oud-coureur bijna zestig jaar later.

Jos werd op 20 april 1929 geboren in Princenhage en niet in Bergen op Zoom, zoals in de meeste wielerboeken staat. Hij was het vierde kind van een eenvoudige handwerksman die in een economisch heel slechte tijd vrouw en zeven kinderen moest zien te onderhouden. Al naar er werk was, werkte hij in de fabriek of op het land en ging iedere zaterdagavond met een paar zuurverdiende centen op weg naar huis. Onderweg kwam moeder Suijkerbuijk hem al tegemoet om het geld in ontvangst te nemen anders kon ze geen boodschappen doen. Een herinnering die veel oude mensen bekend in de oren zal klinken. Het was armoe troef tijdens de economische crisis van de jaren dertig. Voor Jos was het daarom al jong werken geblazen en hij pakte alles aan waar maar wat mee te verdienen was. Hij werkte tijdens de campagnes met Wout Wagtmans in de suikerfabriek van Puttershoek en voor de rest verhuurde hij zich overal als los werkman bedreven in klussen. Vooral schilderwerk lag hem goed en voor zo’n jonge gast verdiende hij goed geld in die jaren. De wielersport speelde nog geen rol in zijn leven, maar oudere broer Antoon was wielrenner. Die kon er volgens Jos geen hout van: “Toon was bang om te vallen en dan wordt het niks, hè.” Dat koersen vond ik wel leuk en ik ben toen ook coureur geworden. Ik deed in mijn eerste koersje in St.Willebrord alles verkeerd, maar ik werd wel gelijk negende. Ik kwam met een prijsje thuis en dat had Toon nog nooit gepresteerd. Dat gaf de burger moed en ik ging keihard trainen en zo werd ik vanzelf een goede amateurrenner. We waren allemaal nog thuis in de kost en toen ik goed prijs ging rijden, zeiden m’n broers tegen me, wij betalen ons moeder wel een gulden meer, gade gij nou maar trainen en koersen.

Jos reed in 1953 en 1954 twee keer de Tour. De eerste keer deeldehij volop in het succes van de Nederlandse ploeg en met een zak geld en een gouden horloge van sponsor Pontiac kwam hij bij moeder thuis. Jos ging met de ploeg van de ene huldiging naar de andere en met veel koersen groeide het kapitaaltje in de nazomer nog behoorlijk aan. Het verdiende geld ging op een spaarbankboekje en het horloge in de la van het buffet. In september brak de tijd aan om een beetje te ontspannen en de vrienden van Jos, coureurs uit de buurt namen hem mee naar de kermis in Made, omdat daar volgens hen de schoonste vrouwkes van Brabant woonden. Jos liep in het eerste café al de mooiste tegen het lijf. Willy heette ze en ze herkende hem direct. “Ge zijt toch die Joske Suijkerbuijk, die goeie coureur?” Jos knikte en toen zei ze: “Dan wil ik oe wel hebben en als ik oe niet kan krijgen, dan trouw ik nooit.” Tegen zoveel directheid was de nog zeer groene Witte Suikere niet bestand en hij zei: “Ik heb thuis in Princenhage een gouden klokkie, dat ga ik halen en dat is onze verlovingsring.” Toen hij anderhalf uur later met dat horloge terugkwam was Willy inmiddels naar een ander café verkast. De smoorverliefde Joske had haar echter gauw gevonden en met dat klokje om haar pols volgde de eerste zoen. Wat die avond samen kwam is nooit meer gescheiden. Het resulteerde in een gelukkig huwelijk dat vijftig jaar duurde, een mooie dochter die hen een fijne schoonzoon en drie prachtige kleinkinderen schonk. Vijfenhalf jaar geleden is Willy gestorven en Jos woont nog steeds in het paleisje in Made waar hij met zijn kapitaaltje uit 1953 de eerste aanbetaling voor deed.  

“Ik was n’n sterke coureur. Ooohh, oooh ik kon me toch hard rijen, joh. Ik ben geen Coppi geweest, maar heb in ‘53 toch een goede Tour gereden. We gingen met tien man van start en we zijn met zeven als winnaars van het ploegenklassement in Parijs aangekomen. We hebben toen nog een ereronde gereden in het Parc des Princes. Ik ben een hele sterke knecht geweest, want Pellenaars was altijd heel tevreden over me. Ik was bij de start niet zenuwachtig, want ik had er alle vertrouwen in. Ik had ook geen angst voor het klimmen, want dat ging wel goed. Ik was natuurlijk geen Charly Gaul, maar op de macht kwam ik goed omhoog. Dalen daar had ik schrik van, dat heb ik nooit goed gekund. Van tevoren hadden we al de Giro gereden en toen had d’n Pel al gezien dat ik goed mee kon in de bergen. De verstandhouding in de ploeg was goed, zeker omdat er goed verdiend werd. We konden het wel met elkaar vinden. Het waren Hollanders, Brabanders en Limburgers, maar je had geen groepjesvorming. M’n kameraad was Henk Faanhof, oh, oh, ohhh, wat was die rap. Die was er in ‘53 niet bij, maar in ‘54 wel. In 1954 heb ik de Tour niet uitgereden. Pel gaf me in de voorlaatste etappe bij de ravitaillering een etenszak aan maar net iets te laag om hem goed te pakken. Die zak slaat in de spaken van mijn voorwiel en pats daar lag ik. Sleutelbeen gebroken. Toen ben ik met de auto naar huis gebracht door meneer Slesker van de Locomotief. Hebben we onderweg nog lekker gegeten. Hij heeft me bij het Sint Ignatius ziekenhuis in Breda afgezet en daar is die schouder pas goed verbonden. Kort daarna werd ik bij de Acht van Chaam nog gehuldigd met die schouder in verband. Het jaar daarop mocht ik niet meer mee van de Pel. Waarom? Ja, dat weet ik ook niet, hij had me niet meer nodig, denk ik. Zo was Pel, hé. Dan pakte-ie gewoon weer ’n ander. Daan de Groot kwam er toen bij en Michel Stolker. Ik heb nog een paar jaar doorgekoerst en ben toen weer bij een baas gaan werken. In de bouw als los werkman meestal in Rotterdam en omgeving. Dat heeft geduurd tot ik in 1976 een hartaanval kreeg en ik een operatie moest ondergaan. Een bypassoperatie met drie omleidingen. Ik ben toen afgekeurd. Sindsdien ben ik thuis en fietste ik een beetje, werkte ik in de tuin of deed ik ergens een schildersklusje, alles op z’n gemak hè.”

“Nee doping heb ik nooit gebruikt. Ik had daar schrik van. In de ploeg waren er wel die gebruikten en niet zo zuinig ook. Ik heb het één keer gedaan, maar dat is niet goed bevallen. En nadien nooit meer. Dat ene pilleke kreeg ik van Hein van Breenen, Die kwam uit Amsterdam en als hij in België moest koersen dan kwam hij bij ons logeren. Op een avond kwam hij weer, want we zouden samen naar de koers gaan. Van Hein heb ik toen dat pilleke gehad en ge kunt het geloven of niet van dat kleine pilleke heb ik toch zo hard gereden. Vijftig aan het uur of het niks was. Hein heeft me echt overgehaald, want ik zei steeds: ik moet die rotzooi niet. Hij bleef aanhouden en toen heb ik er maar één genomen om er vanaf te zijn. Wat kan één zo’n klein pilleke nou voor kwaad, dacht ik maar aan het vertrek voelde ik het al. Ik ging vliegen. Ik ging er gelijk vandoor en niemand kon me houden. Ik rije, rije, zo op de overwinning af. Met nog een halve ronde te gaan viel ik ineens stil en toen gingen Van Looy en al die anderen er nog overheen. En toen heb ik me toch staan kotsen, joh, niet mooi meer. Ik heb nooit meer zo’n pilleke genomen, of ze moeten stiekem iets in mijn buske hebben gedaan. Dat kan natuurlijk. Er werd veel gebruikt in die tijd. Wout ook hè. Wout is natuurlijk veuls te jong gestorven. Ik weet wel dat het van de kanker was, maar hij zag er al jaren daarvoor slecht uit. Het is rotzooi. Maar die Wout kon rije hoor. Dat was niet gewoon meer.” (Foto’s: bovenste archief Wim van Eyle; twee onderste © Henk Theuns)

Door Fred van Slogteren, 12 juli 2009 12:00

Jos Suijkerbuijk

Beste meneer Suijkerbuijk,
Alle renners die inmiddels overleden zijn waren kennelijk
,,pakpaarden,, en u was rooms
als de paus. Wat een tevreden
man moet u zijn??!! Zeer te spreken over Pellenaars,zelfs
toen hij u zonder te vertellen
naar het hoe en waarom niet meer mee naar de Tour nam.
Nog vele jaren in goede gezond
heid toegewenst!!

Geplaatst door Bap van Breenen, 12 juli 2009 13:19:49

quiz brabants dagblad

In de krant van 18 dec 2010 staat een foto bij de quiz van het brabants dagblad.
Vraagnummer 11 foto 3.
is dat Jos Suijkerbuijk?
De foto staat ook op internet
www.brabantsdagblad.nl/brabantquiz brabantquiz A+B

Geplaatst door j vingerhoets, 06 januari 2011 21:49:14

Suykerbuyk

De beroemde Brabander op de foto is niet Jos Suykerbuyk. Wie het wel is, daarvan heb ik geen idee. Groet! Fred

Geplaatst door Fred, 07 januari 2011 10:21:15

Jos Suijkerbuijk

Volgens mij is dat wel Jos Suijkerbuijk. Hij is wat ouder geworden, maartoch...

Geplaatst door Rien, 18 oktober 2011 10:10:09

In Memoriam

Vandaag, 2 februari 2015 is bekend geworden dat Jos Suijkerbuijk op 85 jarige leeftijd is overleden. We hebben hem gememoreerd op WAF®, waar renners en kenners elkaar treffen.

Moge Jos rusten in vrede.

Geplaatst door André, 02 februari 2015 11:48:50

tour.

in herinnering Suijkrbuijk,
De start van de tour in Amsterdam,1e etappe naar Antwerpen dat S met nog een renner op grote voorsprong de verkeerde weg nam,en daardoor de gele trui miste,het was toen al een sensatie,maar dit historisch voorval mis ik in de beschrijving van hem.

Geplaatst door J.Zweeris., 04 februari 2015 11:06:07

Vakantie

Nog dikwijls aan Jos gedacht,hij kwam ons altijd halen op de fiets van made naar Hank en terug en dan mochten we als 8 jarige komen logeren en dan vertelden ie over het fietsen het waren hele lieve mensen daar denk ik met plezier aan terug al 56 jaar geleden.
Zijn familie veel sterke en Jos rust zacht

Geplaatst door Hennie Broeders, 04 februari 2015 19:01:36

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web