Adri Voorting (15 februari 1931, overleden 1 augustus 1961)

In de jaren veertig van de vorige eeuw stond er nabij het station Santpoort onder de rook van Haarlem een klein winkeltje. Je kon er brood en snoep kopen en de treinreizigers schaften zich nog snel een krantje aan om daarna hollend de trein te halen. Het winkeltje werd gedreven door de weduwe Voorting, een bewonderenswaardige vrouw die na het onverwachte heengaan van haar man tien kinderen moest zien groot te brengen. Zeven jongens en drie meiden. Na de oorlog sappelde moeder Voorting verder, maar het was wat makkelijker. De meeste van haar kinderen waren al groot en het huis uit, en een van hen was zelfs een bekende wielrenner geworden. Gerrit had een deel van de oorlog als dwangarbeider in Frankrijk doorgebracht, maar was terug in Nederland direct een van de beste amateurrenners. Dat wilde Adri, de jongste van het gezin, ook en op een oude fiets van Gerrit reed hij zijn eerste koersjes. Er waren wedstrijden genoeg in die tijd. Zeker in ...

 

... Amsterdam waar op wielergebied altijd wel wat te beleven was. Er waren heel goede hoofdstedelijke renners, maar ook in Haarlem, de Zaanstreek, Halfweg en in de IJmond wemelde het van het wielertalent. In de vele straatrondjes, op de olympische stadionbaan, op het autocircuit van Zandvoort en in de wintermaanden bij het cyclocrossen in het Amsterdamse Bos of bij Kraantje Lek in de duinen van Overveen, ging het er hard aan toe, want de concurrentie was groot.

In die wielercultuur kwam Adri tot wasdom en hij was van meet af een geduchte klepper. Van de vier fietsende broers Voorting (Gerrit, Piet, Wim en Adri) had hij de meeste pure klasse. Hij zat prachtig opzijn fiets en hij won haast spelenderwijs zijn koersjes. Adri, naar de normen van die tijd een mooie jongen met zijn zwarte golvende haar, bruine ogen en stralende lach, had stijl en panache. Hij kon goed tijdrijden, maar hij had ook een flonkerende sprint in huis. Het enige dat hij miste was het karakter, dat broer Gerrit in hoge mate bezat. Hoewel winnen natuurlijk het voornaamste doel van een wielrenner dient te zijn, kan veel winst de ontwikkeling van een jonge klasbak schaden. Als je als nieuweling van zeventien lentes al met twee vingers in de neusgaten zomaar een hele rits koersjes wint en in de overige wedstrijden altijd prijs rijdt, dan krijg je het idee dat het allemaal vanzelf gaat. Dat je ook niet zo hard hoeft te trainen als de anderen, omdat het toch wel lukt. Bij de amateurs, waar in die tijd heel veel talent rondreed, koerste Adri direct van de ene naar de andere zege en hij had maling aan de reputaties van mannen als Van Breenen, Nolten, Haan, Gelissen, Snijders, Koeman, Willekes, Paymans, Sonnemans, Donker, Kooijman, Hamelink, Maenen, Van Roon en zo kun je er nog wel dertig opnoemen. Hij versloeg ze allemaal en niet alleen in simpele rondjes rond de kerk maar ook in de zware amateurklassiekers. In 1952 won hij er maar liefst drie: de Ronde van het IJsselmeer, de Ronde van Midden-Nederland en Amsterdam-Arnhem-Amsterdam. In die koersen was Adri alert en happig en kon niemand hem een oor aannaaien, maar in de straatrondjes in Amsterdam en Haarlem dwaalden zijn ogen, rijdend in het peloton, vaak langs het publiek op zoek naar mooie meiden. Als hij er een ontwaarde die de moeite waard was dan stapte hij wel eens af, maakte met zijn bevrijdende lach een praatje om na de koers samen een bioscoopje te pikken, waar de twee niets van de film, maar alles van elkaar zagen.

Die kant van Adri zag broer Gerrit met zorg aan. Wielrenner is een zwaar beroep, waarin je alleen kunt slagen als je er alles, maar dan ook alles voor laat staan. Zelf had Gerrit daar geen moeite mee, maar Adri had zijn ogen niet in zijn zak en hormonen zijn er niet om je te doperen, maar om ze bij het zien van een lekkere meid te laten gieren. Gerrit zag ook met zorg dat zijn broertje regelmatig een handje pilletjes naar binnenwerkte. Ach, dat deden ze allemaal in die tijd en af en toe reed een van hen naar d’n Bels om bij de apotheek net over de grens een baal van die rotzooi in te slaan. Zelf moest Gerrit er niets van hebben, hij voelde zich ziek worden als hij zo’n hartje of bommetje nam. Maar de meeste renners van toen zwoeren erbij en Adri had ze immer in de zak van zijn koerstrui waar ook altijd een kammetje in zat. Eind 1952 had hij op 21-jarige leeftijd niets meer bij de amateurs te zoeken en hij vroeg een proflicentie aan. Hij werd direct door Pellenaars ingelijfd en als 22-jarige debuteerde hij in de Tour de France. Het viel tegen, maar na de eerste twee weken, kwam hij er doorheen en ging hij in de vijftiende etappe mee met de Fransen Quentin en Forestier. Ze bouwden een flinke voorsprong op en Adri had die rit gewoon moeten winnen. Hij was de snelste van de drie maar overmand door zenuwen reed hij de finale als een beginneling en liet zich helemaal inpakken door de ervaren Maurice Quentin. Een paar dagen later spoorde hij met een pijnlijke voetblessure terug naar het vaderland.

In 1954 beleefde hij zijn mooiste jaar, hoewel Pellenaars hemthuisliet. In het Olympisch Stadion versloeg hij bij de baankampioenschappen Jan Plantaz bij de achtervolgers en in het nationaal wegkampioenschap was hij de snelste van een kopgroep van drie en voor Wout Wagtmans en broer Gerrit ging hij als eerste over de streep. Het werd het begin van een jarenlang negeren van elkaar, want Gerrit voelde zich geflikt door zijn broertje. Adri had die dag lang met zijn krachten gesmeten en toen hij na een lange solo achterhaald werd door het viertal Wagtmans, Schulte, Van Est en Gerrit zat hij er helemaal doorheen. Hij wilde opgeven maar Gerrit overtuigde hem ervan dat hij aan het wiel moest blijven, om straks voor hem de sprint aan te trekken. Schulte reed lek en bleef achter en in de laatste ronde moest Van Est lossen, nadat hij Gerrit had gepolst voor samenwerking. “Van twee Voortingen kun je nooit winnen”, beet Gerrit hem toe en met z’n drieën ging het verder. In de spurt was Wagtmans gelijkwaardig aan de oudste Voorting, maar met de hulp van Adri moest het Gerrit lukken Nederlands kampioen te worden. Adri bleef lang aan het laatste wiel om in de laatste honderden meters gelanceerd over zijn twee medevluchters heen te springen en afgetekend te winnen. Het is niet meer goedgekomen tussen de twee broers. Dat had direct invloed op Adri. Hij reed geen koers meer uit en putte zich uit om voor Gerrit te werken, in de hoop dat zijn broer hem zou vergeven. Hij gleed weg naar het niveau van een modale profrenner en na een mislukt Touroptreden in 1955 kreeg hij van Pellenaars zijn congé. In 1958 koerste hij nog incidenteel, vooral op de baan, toen hij in ’s-Gravenmoer een café-restaurant begon.

Op 26 juli 1961 verongelukte hij met zijn auto in de buurt van Bergen op Zoom. Met een ambulance werd hij naar het ziekenhuis gebracht, waar hij zes dagen en nachten in coma lag, voordat het hart het opgaf. Al die tijd zat Gerrit aan zijn bed en de keiharde Tourveteraan huilde bittere tranen. Niet van spijt, want tot op de huidige dag is ome Gerrit ervan overtuigd dat Adri dat toen niet had moeten doen. “De meeste renners kon je niet vertrouwen en daar hield ik rekening mee, maar je eigen broer?” Op 4 augustus 1961 was het druk op de RK begraafplaats Sint Joseph in Haarlem-Noord toen Adri Voorting daar ten grave werd gedragen. Hij werd slechts dertig jaar. De hele vaderlandse wielerwereld was present en er heerste een grafstemming. Ondanks alles hielden ze van dat jong, de kleinste Voorting. (onderste foto: archief Sport-Express, de andere twee: archief T&T Tekst & Traffic)

Door Fred van Slogteren, 10 juli 2009 12:00

dochter

Ik Anita Kimenai heb op latere leeftijd vernomen dat mijn biologiesche vader adrie voorting is.
Jaak kimenai,is mijn op voed vader een geweldige vader.
Helaas is hij overleden.
Ik snap niet dat er niemand van de familie voorting moeite heeft gedaan om de dochter van hun overleden zoon of broer tevinden.
O, ik begrijp dat het in die tijd schande was maar toch we leven nu in 2011.
Ik zou graag iets meer weten over mijn roets.
Wie kan mijn daar bij helpen.
Mijn opvoed vader was een goede vriend van adrie die beloofd heeft om voor de moeder en het ongeboren kind toen tezorgen.
En dat heeft hij voor honderd procent gedaan.

Anita Dolman Kimenai.

Geplaatst door Anita Dolman Kimenai, 21 maart 2011 16:51:08

Anita

Als je je e-mailadres en telefoonnummer doorgeeft op fred@slogblog.nl dan laat ik je weten wat ik kan doen. Groet Fred

Geplaatst door Fred, 21 maart 2011 17:07:30

Anita

Ik lees net het artikel over mijn oom en de daarbij behorende reacties. Ik zou graag het mailadres willen hebben van Anita. Ik ben al enige tijd bezig met de genealogie van onze familie. Ik was hiervan niet op de hoogte.

Geplaatst door Aad Voorting, 14 mei 2013 11:45:10

Juist omdat die Adrie Voorting het vaak nogal gemakkelijk opnamen, dwong hij ieders bewondering af tijdens de oylmpische wegrace van 1952 in Helsinki. Daar reed hij al heel snel lek, maar de bemanning van de verzorgingspost bleek nog niet aanwezig. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Eik van Looy, de pas achttienjarige kampioen van België, stapte de jonge Haarlemmer niet af, maar ging ondanks de uitzichtloze situatie en de slopende hitte al die uren door in zijn eentje. Adrie reed de koers uit en had karakter getoond. Dat mag toch ook nog wel even worden gereleveerd.

Han de Gruiter.

Geplaatst door Han de Gruiter, 14 mei 2013 21:24:21

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web