Uit de beeldentuin van Jac …

“Eergisteren, 28 mei, was het precies vijftig jaar geleden dat Charles Pélissier in Parijs overleed. Hij was de jongste van ‘de gebroeders Pélissier’, het illustere drietal dat in de jaren dertig grote faam genoot. Niet alleen als wielrenners maar vooral ook als provocateurs en notoire dwarsliggers. Met name Henri, de oudste en meest kleurrijke van de broers, heeft in zijn tijd een ijzersterke reputatie op weten te bouwen als eigenzinnige querulant en rebel. Daar moet wel bij worden aangetekend dat hij …

… tevens een zeer goed coureur was. Zoals Henri Desgrange, de stichter van de Tour de France, destijds schreef: ‘Hij beschouwt elke fabrikant als zijn tegenstander en elke organisator als zijn vijand’. Francis Pélissier was iets minder getalenteerd, maar niettemin een goed coureur en houder van een merkwaardig record; onder uiterst slechte weersomstandigheden won hij in 1921 Parijs-Tours met een gemiddelde van 22,8 kilometer per uur, een laagterecord. Charles ‘Charlot’ Pélissier was de jongste van de broers. In eerste instantie vertoonde hij dezelfde provocerende houding als Henri en Francis, maar omdat de successen bij hem de eerste jaren uitbleven, moest hij zijn toon wel matigen. Toen een journalist schreef ‘wij kennen Charles Pélissier alleen als wielrenner omdat hij wielerkleren draagt’, gooide hij het over een andere boeg en begon gebruik te maken van zijn uiterlijk. Dat verzorgde hij zozeer dat men hem de bijnaam ‘Beau Brummel’ gaf, naar een filmster in die dagen. Zo was hij de eerste renner die witte sokjes droeg omdat die zijn bruine benen zo goed deden uitkomen. Hij was een matig klimmer maar wist zich goed te weren in massasprints. In de Tour van 1930 won hij acht van dergelijke aankomsten wat zelfs Desgrange, die massasprints verfoeide en er alles aan deed om ze te verhinderen, tot lyrische loftuitingen bracht. Dat record is nooit verbeterd maar later wel geëvenaard, door zowel Eddy Merckx als Freddy Maertens. Hij was natuurlijk ook geen coureur die er helemaal niets van kon, maar zoals Benjo Maso in zijn boek ‘Het Zweet der Goden’ schreef: ‘Waarschijnlijk is er geen wielrenner geweest die met zo weinig prestaties zoveel roem heeft vergaard’. Hij was de eerste renner die zijn eigen PR uitstekend op orde had, die toegang had tot de wereld van aristocraten en kunstenaars en in twee films speelde. Hij had een bediende die later zelf als de komiek Fernandel furore in de filmwereld zou maken. In zijn nadagen vormde hij op de baan een koppel met zijn tijdgenoot André Leducq. Bij de poort van de ingang van de wielerbaan van Vincennes, tegenwoordig het Vélodrome Jacques Anquetil geheten, hangt een onopvallend houten tableau met daarop afgebeeld de hoofden van de broers Pélissier.

Tot over veertien dagen!”

Jac Zwart

Door Fred van Slogteren, 30 mei 2009 10:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web