De Burgerlijke Stand van 1 april

Erik Breukink (1964)

Als ik aan Erik denk, denk ik ook altijd even aan Marcel Kint. De wereldkampioen van 1938 die mij hoogbejaard en met priemende wijsvinger eens toevoegde dat de wielersport een sport is voor arme mensen. “Den diejen, die zoon van een notaire”, die hoort niet thuis in den koers. Die is rijk.” Hij bedoelde Gerben Karstens, omdat hij Erik Breukink nog niet had meegekregen. Bij Karstens heb ik van zijn voorname afkomst nooit veel kunnen merken. In platheid en grofheid deed hij niet onder voor de gemiddelde coureur van zijn tijd, maar Erik is altijd een beschaafde jongen gebleven. Iemand die wachtend in de rij voor een weldadig buffet niets laat merken als een of andere aso in smoking zijn bord vollaadt met de laatste exquise lekkernijen. Mijn indruk is dat hij ook zo koerste. Een geweldig talent, die als een beest kon afzien (zie foto) en die eind jaren tachtig de Giro had moeten winnen. Die meer in de Tour had kunnen bereiken dan die ene derde plaats in 1990. Overigens de laatste podiumplaats van een Nederlander. Die zich veel te vroeg schikte in een onderdanige rol, toen hij walgend van wat daar was gebeurd van PDM naar Once ging. Erik Breukink die echt heel wat talentvoller was dan Laurent Jalabert, maar die te veel heer was om in Spaanse dienst zijn deel van het buffet op te eisen. Het wemelt in de moderne wielersport van de welopgevoede en hoogopgeleide jongens, maar de meeste van hen zijn als het er op aan komt boeffies. En zo hoort het ook. Dat is de les die ik van Peter Post leerde. Echte grote renners zijn namelijk ook killers. Wat niet wegneemt dat Erik tot de beste tien Nederlandse wielrenners aller tijden behoort. Misschien dat hij als ploegleider wel een boeffie kan zijn als de positie van Thomas Dekker daar om vraagt. Peter Post zal hem daarbij graag van advies dienen. (© Cor Vos)

Door Fred van Slogteren, 1 april 2006 0:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web