De Burgerlijke Stand van 8 november.

Jan RAAS (1952, Nederland)

Op zondagmorgen stond ik op en monsterde de lucht. Het zag er goed uit, lekker fietsweer. Ik negeerde opkomende pijntjes in mijn botten en deed de dingen die bij de zondagochtend horen. Ik voelde me steeds minder goed worden. Om elf uur lag ik klappertandend van de koorts in bed. 40,3 gaf de oorthermometer aan en ik dook er nog dieper onder. De hele dag bleef de situatie gelijk en ook de maandag verliep eender. Permanent hoge koorts. In de afgelopen weken had ik alles verzameld en gelezen wat ik over Jan Raas te pakken had kunnen krijgen en ik besloot in bed de bandjes te beluisteren van de interviews, die ik had gemaakt met mensen die in de carrière van Jan een rol hebben gespeeld. Het boek kreeg in mijn hoofd de eerste contouren. Jan Raas Revisited!
Tijdens het beluisteren gleed ik in een mooie droom, want ik bevond me in een peloton met allemaal bekende renners om me heen. Wim van Est reed naast me in een gescheurde gele trui. Zijn gezicht was een wijzerplaat geworden. Op de eerste rij reden Aart Vierhouten, Gerrit Schulte en Jan Janssen met iets schuin daarachter Joop. Michael Boogerd reed staand op de pedalen vol in de wind en keek zenuwachtig naar alle kanten. Woutje Wagtmans stak een sigaar op en Henk Lakeman zong van ‘Wien, Wien, nur du allein’. Gerrie kwam informeren of het goed met me ging en Post keurde me geen blik waardig. Ik keek omlaag en zag …

… de mooie kleuren van mijn Cornelo. Plotseling hoorde ik rechts naast me: godgloeiendegodverdomme en een renner met een bril beet me toe: ‘in het wiel, eikel! Een man een man, een woord een woord!’ Ik gehoorzaamde en dook in de staart van zijn hobbelpaard en we knalden uit het peloton. ‘Overnemen!!!’, gebood de gebrilde renner in het Raleigh-shirt. Ik probeerde te schakelen, maar op mijn waterfiets zat niets dat op een hendeltje leek. Ik geselde de pedalen en het water achter mij spoot omhoog. Raas teisterde de flanken van zijn hobbelpaard en we stegen op. Ik keek om en zag de groep ons nakijken met Hennie Kuiper, die stampend in de achtervolging ging. Het was tevergeefs en ook Piet Moeskops, Arie van Vliet, Jan Derksen en Theo Bos kwamen vol spurtend geen streep dichterbij. Cees Stam probeerde het nog even achter Noppie Koch, maar we waren definitief los en scheerden langs de wolken naar de finish. Ik had geen enkele moeite de ontketende Raas te volgen en ik keek naar zijn kenmerken. De turbodijen die nog veel dikker waren dan ik me herinnerde. Het worstenhelmpje waarvan de voorpunt precies boven zijn bril zat. Het brede hoofd, de spottende ogen, de gespierde armen, het permanente vloeken. Wat een coureur, wat een eerzucht, maar hij kreeg me er niet af. Vandaag niet, ik week voor geen Raas ter wereld. Hij begon – volgens de stem van Maarten Ducrot ergens in mijn hoofd - te linkeballen om me eraf te krijgen, maar ik doorzag met de ogen dicht al zijn bedoelingen. Plotseling hing aan een wolk de vlag van de laatste kilometer en Raas reed nog steeds op kop. Ik was zeker van mijn zaak. Hij zette scherp aan, om direct daarna in de remmen te knijpen. Ik trapte er niet in, bleef in het wiel van zijn Colnago, want de Zeeuwse non-babbelaar had zijn hobbelpaard stiekem ingeruild voor een exemplaar van zijn favoriete merk. Mijn waterfiets was ook verdwenen, want ik zat op m’n ouwe rooie Rih en ik voelde me zeker van mijn zaak. De finish naderde en ik besloot te wachten. Dat deed Raas ook altijd, dus zou de sprint zich in de laatste meter voltrekken. Een sprint over honderd centimeter, nog nooit vertoond. Opa slogblog en Jan Raas gingen voor een unicum zorgen. Maar hij demarreerde vol terwijl het wegdek zich vulde met aardbeienjam. Van links naar rechts zigzagde hij op de rode smurrie en ik zag dat er helemaal geen publiek stond. Alleen Mart Smeets zat er, met microfoon bovenop een gigantische stapel boeken. Op al zijn titels gezeten, reikte hij naar de hemel waar Han Hollander, Jan Cottaar en Theo Koomen hem probeerden terug te duwen. De streep naderde snel en ik moest nog langs Raas zien te komen. Ik zette aan, maar blokkeerde direct en ik voelde paniek. Ging ik toch nog verliezen? Het begon afgrijselijk te regenen, een wolkbreuk. Raas draaide zich om en riep treiterend: ‘kom dan, Fredje, kom dan!!!’, terwijl hij de finale trappen uit zijn poten perste. Met een satanische lach die hol door mijn onderbewustzijn schalde, passeerde hij de finish, terwijl hij zijn armen in ruitvorm om zijn hoofd vleide. Drie lengtes had hij. Ik viel van mijn fiets en bleef net over de finish doodstil liggen. Ik hoorde een piepje in mijn oor en de stem van mijn vrouw: ’35,8 en wat ben je weer verschrikkelijk nat, ik moet al weer het bed verschonen.’ Op mijn borst stond een bord met twee beschuitjes vol rooie Flipje.

De andere op 8 november geborenen zijn:

AS, Suzanne van (1980, Nederland)
BAÏOLET, Nicolas (1983, België)
JANSEN, Harm (1967, Nederland)
STEEN, Martin van (1969, Nederland)
HOUA, Léon (1867, overleden 31.01.1918, België)
PEVENAGE, Patrick (1956, België)
TAYLOR, Marshall Walter ‘Major’ (1878, overleden 21.06.1932, Verenigde Staten)

Door Fred van Slogteren, 8 november 2007 0:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web