Uittreksel uit de Burgerlijke Stand van 10 december …

Vandaag precies vier jaar geleden overleed Gerard Vianen aan leukemie. Ik herinner me die dag als was het gisteren. Ik had met zijn dochter afgesproken dat ik die dag bij Gerard op bezoek zou gaan, maar in de ochtend belde ze me dat het niet meer hoefde.

Gerard was die ochtend overleden en dat feit bezorgt me nog altijd een schuldgevoel, omdat ik natuurlijk eerder een afspraak had kunnen maken. Niet dat Gerard een dikke vriend van me was, maar we kenden elkaar redelijk goed.

Hij was een goede renner, maar geen topper. Ik woonde in de jaren zeventig een ‘dorpie verder,’ zoals dat heet. In ons geval hij in Kockengen en ik in Wilnis. We kwamen elkaar weleens tegen op de racefiets. Ik wist wie hij was, maar voor hem was ik toen nog een anonieme fietstoerist.

Ik reed meestal met een ploegje van tussen de vier en acht man en omdat we dat elke avond deden en steeds hetzelfde rondje almaar sneller aflegden, hadden we het gevoel dat we als dertigers onze roeping hadden gemist en wielrenner hadden moeten worden in plaats van voetballer, tennisser en in mijn geval basketballer.

Op een avond waren we weer lekker bezig met de kop onder het stuur en borend in de wind van het Groene Hart, toen we achter ons een tikkende derailleur hoorden van een fietser die er langs wilde. Dat op zich vonden we al een gotspe, want wij waanden ons Merckx of Zoetemelk, zonder dar hardop te durven zeggen.

Geen idee hoe hard we gingen, want er bestonden nog geen computertjes voor op het stuur, maar die eenzame fietser passeerde ons alsof we stilstonden. Handjes op het stuur en met de woorden Gan Mercier op zijn rug passeerde ons Gerard Vianen himself.

In het voorbijgaan, zei hij zonder hijgen, “Zo jongens, lekker weertje voor een tochtje, hè,” alsof hij in een luie stoel zat en over koetjes en kalfjes praatte. Na die woorden werd hij razendsnel een stip aan de horizon om in de kortste keren uit zicht te verdwijnen.

Dat was een geestelijke dreun van jewelste als je alles zit te geven om dat tempo vol te houden en er komt iemand langs die zonder overmatige inspanning zoveel harder fietst. Gevoelens van bewondering en deceptie streden om voorrang en ik vond dat fietsen ineens niet meer zo leuk.

Dat laatste gevoel is gelukkig snel overgegaan, maar ik heb nooit meer het gevoel gehad dat er aan mij een groot wielrenner verloren is gegaan. Later leerde ik Gerard kennen en heb ik hem dit verhaal verteld. Hij moest er om grinniken en hij plaagde me er bij iedere ontmoeting mee.

Gerard was een prachtkerel die als beroepsrenner een mooie carrière heeft gehad met als hoogtepunt die etappezege in de Tour de France in 1994. Het was in de laatste week en de bergen hadden de renners achter zich gelaten toen Gerard intuïtief aanvoelde dat het nu of nooit was.

Ik citeer uit het eerste deel van ‘Als je de Tour niet hebt gereden’ de beschrijving zoals hij me het zelf had verteld: ‘Met nog maar tien kilometer voor de boeg was een vijfmanskopgroep bijna teruggehaald en maakte het peloton zich op voor een massasprint.

Dat was het moment waarop ik mijn kans schoon zag en uit alle macht demarreerde op een glooiende weg met veel draaien en keren. Na twee scherp genomen bochten was ik uit zicht en zag ik het vijftal voor me.

Ik vloog erop en erover en had het geluk dat de weg versmalde waardoor ik de bochten in mijn eentje veel beter kon aansnijden dan het jagende peloton achter me.’

Gerard Vianen werd 70 jaar. De man die me deed beseffen dat ik nooit een goede wielrenner had kunnen zijn.

Foto 1: archief T&T Tekst & Traffic
Foto 2: © Cor Vos

Door Fred van Slogteren, 10 december 2018 9:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web