Uit de ordners van Jan …

De Tour rijden is maar voor weinigen weggelegd. Sinds 1936 bemachtigden slechts 251 landgenoten een startbewijs voor het grootste wielerevenement van het jaar. Bijna al die gelukkigen zijn middels een prachtige biografie beschreven in het epos in drie delen Als je de Tour niet hebt gereden van Fred van Slogteren.

Een prachtig cadeau voor in de schoen of onder de kerstboom dat je hierboven kunt bestellen. Om dan onder diezelfde kerstboom weg te dromen bij de vaak heroïsche verhalen in de onbereikbare wereld van een monument als de Tour de France.

Gelukkig kent de wielersport ook monumenten die voor veel meer mensen zijn weggelegd. Elk jaar treden hordes toerfietsers in de voetsporen van hun helden over de parcoursen van Parijs-Roubaix, Milaan-San Remo, Ronde van Vlaanderen en Luik-Bastenaken-Luik.

Toerclub Le Champion voorzag al in 1984 in de behoefte door het creëren van een klassiekerbrevet. De destijds dertien meest bekende klassiekers konden nagefietst worden. In de jaren tachtig van de vorige eeuw was ik zelf ook zo’n toerfietser die de Nederlandse fietspaden wel gezien had en in jeugdige overmoed ook wel eens de Koppenberg, de Poggio of zo’n verschrikkelijke kasseistrook in de Noord-Franse hel wilde bedwingen.

In vier afleveringen beschreef ik mijn ervaringen tijdens het bedwingen van de monumenten. Want ze betekenden voor mij net zo veel als Parijs-Roubaix voor Niki Terpstra, Milaan-San Remo voor Hennie Kuiper, de Ronde van Vlaanderen voor Jan Raas en Luik-Bastenaken-Luik voor Steven Rooks.

Misschien wel het meest trots was ik op Parijs-Roubaix die ik in 1987 op mijn toerfietspalmares zette. Dat was op zondag 8 juni dat ik kennismaakte met de Hel van het Noorden. In alle vroegte begaf ik mij met duizenden anderen naar de startplaats waar ik een stempel op mijn kaart kreeg.

Het was ideaal weer, weinig wind en een heldere hemel. Na de start begonnen zich al spoedig groepen te vormen. Na een kilometer of tien belandde ik in een groep die in een mum van tijd aangroeide tot een man of honderd. In rap tempo ging het over licht glooiende asfaltwegen naar de eerste controlepost in Noyon. Daar stond het Franse leger klaar met koffie en koeken.

Na een korte pauze kon ik weer in een peloton aansluiten. Ook deze groep groeide gestaag en ik hoefde me, midden in de groep, niet overmatig in te spannen. Na Noyon begon het parcours te heuvelen. Kleine maar gemene heuvels waar de meesten toch een 52x21 voor nodig hadden.

In Beaurevoir, bij de tweede controle had ik nog steeds 32 kilometer gemiddeld per uur op de teller staan. “Over vijftien kilometer gaat het beginnen”, beloofde een Belg me duidend op de eerste kasseistroken. Ik besloot alleen te gaan fietsen, want op de kasseien moet je goed voor je uit kunnen zien om gaten in het wegdek te ontwijken.

De Belg had gelijk, maar over de eerste kasseistrook van 1300 meter lengte was nog redelijk te doen. Er zaten geen gaten in. De tweede strook zou echter een van de slechtste van de hele dag blijken. 2600 meter pure ellende. Kuilen, waarvan de meeste vol water lagen door de regen die de dag ervoor was gevallen.

De spleten tussen de keien waren soms twee banddiktes breed. Links en rechts werd er gevallen, want wie onzeker is gaat onherroepelijk onderuit. De slecht onderhouden asfaltweg die volgde was een verademing, maar de volgende kasseistrook diende zich al weer aan.

De handen en polsen begonnen pijn te doen en ik zag iemand met fiets en al een greppel in duiken. Redelijk goede wegen worden afgewisseld met kasseistroken en boerenlandweggetjes. Soms is een stuk kasseien voorzien van een vers gelegde laag asfalt, maar steeds maar voor even. Waardoor ik de indruk kreeg dat het geld op was.

Zo ging het uren door en het fietsen leek steeds beter te gaan. Ik haalde althans tal van lotgenoten in en soms een hele groep. Na de laatste strook bij Hem was het niet ver meer en om kwart voor vijf draaide ik moe maar zeer voldaan de wielerbaan van Roubaix op. Er was applaus vanaf de tribunes, een welverdiende ovatie voor het zwoegen over wegen die deze naam niet verdienen.

Bij de eindcontrole werd nog gecontroleerd of alle vereiste stempels op de deelnemerskaart stonden. Daarna volgde de beloning in de vorm van het afgebeelde brevet als bewijs dat ik Parijs-Roubaix Cyclotouriste had volbracht. Als souvenir kocht ik een kassei aan op een marmeren voet en een medaille.

Met een variant op de boeken van Fred zou ik willen zeggen: Als je Parijs-Roubaix niet hebt gereden, ben je geen echte fietstoerist geweest.

Door Jan Houterman, 26 november 2018 12:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web