Mijn Tourherinneringen (IV)

Toen ik lang geleden van school kwam, wilde ik maar één ding: journalist worden. Of nog liever: sport- journalist. Elk jaar de Tour de France doen en eens in de vier jaar de Olympische Spelen. Dat leek me wel wat, maar dat was in de jaren vijftig een wens die bijna gelijk stond aan het verlangen kroonprins te worden. De beroepsopleiding voor journalisten bestond nog niet en daarom was je aangewezen op de willekeur van de mensen uit het vak, die jouw schriftelijke sollicitatie moesten beoordelen. ‘Bij het lezen van uw prachtige dagblad werd ik getroffen door de annonce, waarin u een leerling-journalist vraagt voor de sportredactie’. Enzovoort, enzovoort. Die openingszin heb ik tientallen malen met de hand geschreven. Meestal hoorde ik niks, want de heren hoofdredacteuren van toen hadden een ruime keus en ook de schaarse keren dat ik voor een gesprek werd opgeroepen, was een afwijzing mijn deel. Zo zat ik eens doodzenuwachtig tegenover Bob Bouma (in de jaren zestig een TV-coryfee met de filmkwis ‘Voor een briefkaart op de eerste rang’) van het Algemeen Handelsblad; ik maakte mijn opwachting bij Frans Henrichs van het Utrechts Nieuwsblad en bij …

… Rien Bal, chef sport van Het Parool. Bal vertelde me dat ik tot de laatste twee kandidaten was doorgedrongen en hij overhoorde me op het gebied van records. De 100 meter bij de atletiek en bij het zwemmen en hoeveel goals het PSV-kanon Coen Dillen ooit in één seizoen had gescoord. Ik heb op zijn verzoek ook nog alle Tour de France winnaars opgedreund als was het de tafel van 10. Ik wist het allemaal, maar het mocht niet baten, de keus viel op Cees van Nieuwenhuizen en ik ging, door toeval gestuurd, in de maatschappij een heel andere kant op.
Hoewel ik vele jaren later in mijn contacten met de echte Tourjournalisten heb begrepen dat het niet zo mooi is als ik in mijn romantische jeugddromen had vermoed, valt het mij op dat die gasten het bijna allemaal al tientallen jaren doen. Het is waarschijnlijk in hoge mate verslavend en begrijpen doe ik dat niet echt.
Gretig, als mocht ik als klein jongetje zonder toezicht de snoepwinkel in, betrad ik op 7 juli 2004 voor het eerst de Salle de la Presse van de Tour de France in Luik. Ik had die dag een afspraak voor een interview met Bernard Hinault, die mij zou gaan vertellen wat hij van Joop Zoetemelk vond. Uiteraard lag mijn accreditatie niet klaar, maar met de gefaxte toezegging van de hoogste persfunctionaris van de Tour, lulde ik me naar binnen. Ik betrad de perszaal en keek nieuwsgierig rond. Het was nog stil. Ik ging strategisch met een stapel persberichten ergens zitten en ik zag de rondemissen met mobiele koffertjes en schoonheidskisten binnenkomen. Onopvallende broodmagere sprieten, waaraan nog heel wat schilderwerk te pas moest komen voor ze in alle glorie op het podium konden. Ik zag Raymond Poulidor in een hardgeel truitje gapend l’Équipe lezen en een journalist uitgestrekt over vier stoelen zijn roes uitslapen. Ik zag ze daarna allemaal binnentreden. De Fransen, de Duitsers, de Belgen en de Nederlanders, zoals Wim, Jeroen, Marije, Leon, Raymond en alle anderen. Wat opviel was dat ze bijna zonder uitzondering gekleed waren als clochards. Ongeschoren koppen, ongekamde haren en gekreukte kleding alsof ze daarin de nacht hadden doorgebracht. Ze wekten de indruk dat ze er al drie weken Tour op hadden zitten, terwijl ze er nog aan moesten beginnen. Kille begroetingen en een grote hang naar koffie. Ze zochten een plaatsje aan een van de desks en ze installeerden hun laptops van waarachter ze een riant uitzicht hadden op een van de vele schermen die in de gangpaden tussen de rijen stonden opgesteld. En toen begreep ik het. De romantiek van Jan Cottaar bestaat al lang niet meer. De journalisten die in volgauto’s vlak achter de renners reden, lagen al jaren op hun respectieve kerkhoven en deze mannen en vrouwen volgden de Tour voornamelijk vanachter een bureaublad in de perszaal. ‘If this is Tuesday, this must be Bordeaux’. Ik ben er van overtuigd dat sommige van hen in die drie weken geen renner zien. Daarvoor moeten ze er op uit, naar de rennershotels en dagen van tevoren belet vragen bij Jacob Bergsma, of een van zijn collega’s van andere ploegen, om op de rustdag tien minuten te krijgen om even Michael Boogerd of een andere ster te interviewen. Een stoet met honderden verveelde verslaggevers die van perszaal naar perszaal trekt en er elke dag vermoeider en uitgewoonder uitziet. In dat wereldje moet je bevoorrecht zijn om ergens te komen. In de schaduw van Bennie Ceulen (foto), de hoogste vertegenwoordiger van de Tour in Nederland, liep ik even later op het parcours en met de accreditatie van Bennie werden we nergens tegengehouden. Ik kwam waar niemand anders mocht komen en ik sprak een half uur met Bernard Hinault. Ik had dankzij Bennie en Bernard een prachtige dag en veertig jaar na dato was ik als een kind zo blij, dat Rien Bal destijds voor Cees van Nieuwenhuizen had gekozen. En als ik het nog een keer mag overdoen, wil ik geen journalist, maar Bennie Ceulen worden.
(Foto: © T&T Tekst & Traffic)

Door Fred van Slogteren, 28 juli 2007 10:00

Mijn Tourherinneringen

Mooi stukje. Ik vind het trouwens onbegrijpelijk dat de grote Hinault iedere dag weer op dat podium staat.

Geplaatst door Paul Verstappen, 28 juli 2007 13:35:19

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web