Uittreksel uit de Burgerlijke Stand van 10 oktober …

Gerrit-Jan Spenkelink was een rasechte Tukker uit Hengelo die op twee manieren naam heeft gemaakt in de wielersport. Als wielrenner was hij tussen 1939 en 1954 een middelmatige profrenner die, behalve het winnen van de Ronde van Dongen in 1939, geen uitzonderlijke prestaties op zijn naam heeft staan.

De Duitse bezetting zat zijn carrière natuurlijk danig in de weg en in de jaren na de oorlog was er geen droog brood te verdienen. Wel reed hij veel in Duitsland in de vele baanprogramma’s die daar werden verreden, met landgenoten als Harm Smits en Harry van de Kamp.

Hij is bij zijn toenmalige collega’s in de herinnering gebleven als de man met het busje. De eerder dit jaar overleden Piet de Vries vertelde me dat daar zijn pilletjes in zaten. “Voor de start pakte hij er één, stak die in zijn mond en zei: Die is voor Coppi.”

“Het volgende pilletje was dan voor Bobet en zo werkte hij alle toenmalige vedetten af. Tenslotte nam hij een handjevol uit het busje, sloeg die naar binnen, slikte en zei dan: “Voor de rest van het peloton”. Hij heeft dus nogal wat amfetaminen tot zich genomen zonder dat het zijn erelijst veel langer maakte.

Na zijn wielercarrière werd hij mekanieker. Hij begeleidde als zodanig vele jaren de selecties van de KNWU bij buitenlandse wedstrijden en hij heeft ook vele malen de Tour de France gedaan. Om in de winter in dienst van diverse koppels meestal alle zesdaagsen te doen.

Hij was een stugge man, eentje van weinig woorden. Zo herinneren zijn collega Johnny Krijnen en oud-renner Arie Hassink zich Jan Spenkelink, met wie ze jaren hebben opgetrokken, zonder veel van zijn privéleven te weten.

Krijnen leerde hem kennen toen hij als jonge mekanieker voor het eerst de Zesdaagse van Berlijn ging doen en zijn oudere collega om advies vroeg. Dat ging ongeveer zo: “Meneer Spenkelink?” “Wat mot-je?” “Weet u waar ik vanavond kan slapen?”. “Ga maar met mij mee”, was het stuurse antwoord.

Diep in de nacht voerde hij Krijnen mee naar een kamertje boven een café, waar iets stond dat op een bed leek. Daar hebben ze samen geslapen. De volgende morgen vroeg Krijnen waar hij kon ontbijten.

“Ontbijten? Eerst een biertje,” was het antwoord. Die stond beneden in de kroeg al klaar voor de stamgast, met een schnapps erbij als het equivalent van de Nederlandse kopstoot. Met zijn beroep had Spenkelink ook zijn verslaving ingeruild.

Na een paar van die combinaties naar binnen te hebben geslagen ging het zonder te eten naar de baan. Van het merkwaardige ontbijt van de routiné was, volgens Krijnen, die dag niets te merken, want Spenkelink werkte als een bezetene en uiterst punctueel.

“Een fijne collega”, kwalificeert Krijnen hem. “Hij kon stug en onbehouwen zijn, maar als hij je mocht dan kon je een potje bij hem breken. Een geweldige vakman.” Arie Hassink deelt die mening.

Hij kan het weten, want jarenlang ging hij met Jan, zijn persoonlijke mekanieker, naar de criteriums. “Een fijne vent”, herinnert de voormalige coryfée van de Amstel Bier-ploeg zich. “Een goed mens, met een klein hartje en een groot alcoholprobleem.

Daar merkte je in zijn werk echter niets van, want niemand kon beter en sneller wielen spaken dan Jan. Hij is ergens in 1991 of daaromtrent overleden, maar dat weet ik niet precies meer.”

Zijn exacte overlijdensdatum heb ik nergens kunnen vinden en daarom houden we het erop dat Gerrit-Jan Spenkelink ongeveer 73 jaar of 74 jaar is geworden. Gelukkig heb ik nog wel een foto van hem. Waarschijnlijk de enige die van hem bestaat.

Door Fred van Slogteren, 10 oktober 2018 9:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web