Uittreksel uit de Burgerlijke Stand van 10 mei …

Uit Vlaanderen kwamen de Flandriens, de wielrenners die de koersfiets gebruikten om zich uit de armoe te verheffen. Maar het waren niet alleen Vlamingen, want ook net over de grens in het westen van Nederlands Brabant werden ze geboren.

Op de schrale zandgronden woonden in de eerste helft van de vorige eeuw kroostrijke gezinnen in grote armoede. De kinderen hadden één zekerheid: ze zouden net zo arm worden als hun ouders. Ze aanvaardden hun lot gelaten, maar soms zat er een joch tussen dat zich niet bij dat onrecht wilde neerleggen; een die zich sufpiekerde hoe hij zijn leven in eigen hand moest nemen en zich van een toekomst verzekeren.

Kees Pellenaars uit Terheyden was er zo eentje. 'Waarom moest hij zich in zijn lot schikken? Hij was voor beter in de wieg gelegd. Is't te waor of te nie?' Vanaf zijn dertiende werkte Kees in de bouw als timmerman en op z'n achttiende verdiende hij vijfentwintig gulden schoon in de week.

Dat ging in de huishoudpot van moeder en Kees kreeg een knaak zakgeld. Geen cent gebruikte hij ervan. Maandenlang bracht hij de vrije zondag liggend op bed door, dromend dat hij als een beroemde wielerheld het publiek in de grote sportpaleizen in extase zou brengen.

Bergen geld zou hij verdienen om later een groot huis te kunnen kopen en zijn kinderen voor dokter te laten leren. Nooit meer armoe, geld moest ie hebben! Na acht maanden had hij eindelijk de vijfentachtig gulden bij elkaar om een koersmachien te kopen. Hij kon er niet eens mee thuiskomen, want op last van de clerus werd de wielrennerij als een spel van de duivel beschouwd.

Hij ging in het geniep koersen en hij behaalde overwinningen en ereplaatsen bij de vleet. Hij was een bikkel op de fiets, eentje die voor niemand opzij ging. Toen ze er thuis toch achterkwamen, werd er gehuild en gejammerd want ons Kees was tot de duivel bekeerd. Toen ze het geld zagen dat hij met die duivelskunsten bij elkaar had getoverd, sloeg de stemming om. In die paar maanden had hij meer verdiend dan vader Pellenaars in twee jaar.

In zijn eerste jaar als nieuweling won hij al drieëntwintig koersen. Als amateur mocht hij in 1934 mee naar het wereldkampioenschap in Leipzig. Hij moest knechten voor Piet Snoeijers uit Hoogerheide, maar de opstandige Pellenaars ging voor eigen kans. 'Hij had toch geen acht maanden op z'n nest gelegen en geen pintje aangeraakt voor diejen Snoeijers'.

In de zevende ronde ontsnapte hij met drie anderen en in de eindsprint won hij met klein verschil. Hij was wereldkampioen bij de amateurs en de zo begeerde weg naar rijkdom lag voor hem open. Hij werd beroepsrenner en wie naar zijn palmares kijkt, raakt niet onder de indruk. Hij werd één keer Nederlands kampioen en hij won tweeënveertig criteriums in zeventien profseizoenen. Toch was hij een van de grootverdieners en hij had minstens de reputatie van een Schulte en een Middelkamp.

Hij was een op geld beluste wielerartiest die het publiek gaf, waar het voor gekomen was. Hij stookte en konkelde, kocht en verkocht, organiseerde combientjes, vergat nooit af te rekenen en hield zorgvuldig zijn boekhouding bij. Zijn spaartegoed werd groter en groter, mede omdat hij op de winterbaan ook tot de vedetten behoorde.

Ook daar behaalde hij niet veel overwinningen, maar met zijn strijdlustige manier van rijden maakte hij het spektakel, waardoor het publiek op de banken klom en hem keer op keer ovationeel toejuichte. De baandirecteuren betaalden hem graag de hoge gages, die hij verlangde. Elke avond voor het slapen gaan telde hij zijn centen en het grote huis voor zijn gezin en de universiteit voor zijn kinderen kwamen steeds meer binnen bereik.

In 1950 kwam er een abrupt einde aan zijn wielercarrière toen hij in de Ronde van Duitsland in volle afdaling op een auto knalde. In een Belgische krant verscheen al een In Memoriam, maar Kees was nog niet rijp voor het hiernamaals. Er wachtte hem nog een taak.

Het Nederlandse beroepswielrennen op de weg zat in een diep dal en dat had het eigenlijk altijd gezeten op enkele succesjes na. Nederland was geen groot wielerland als België, Frankrijk of Italië. Het Nederlandse wegrennen stelde niks voor, maar de wielerliefhebbers snakten naar successen in de klassiekers en de Tour.

En daar kon de zakenman Pellenaars voor zorgen, meenden twee doorgewinterde wielerjournalisten die als Tourvolgers de superlatieven in hun barokke proza ook wel eens op vaderlandse coureurs wilden plakken. Met zijn voorkeur voor Brabanders stelde Pellenaars ze niet teleur. Met Wim van Est en Wout Wagtmans, twee buurtgenoten, en met Gerrit Voorting, die nep-Brabander die eigenlijk een Ollander was, had hij de kern van zijn succes snel te pakken.

Er was niet zo veel verschil tussen de ploegleider Pellenaars en de wielrenner. Hij stookte en konkelde, kocht en verkocht, organiseerde combientjes, vergat nooit af te rekenen en hield zorgvuldig zijn boekhouding bij.

Het enige verschil was dat zijn renners nu de uitvoerende macht waren, maar die waakten er wel voor om ongehoorzaam te zijn. Ze verdienden uitstekend in die jaren en Wout Wagtmans kocht ieder jaar een nieuwe Porsche.

Pellenaars zorgde ervoor dat die renners goed verdienden en hij vond het daarom meer dan billijk dat hij ook in de poet meedeelde. Dat kon niemand hem beletten, want als thesaurier generaal van de schatkist beheerde hij de centen. Hij had met leedwezen vastgesteld dat hij door dat ongeluk op zijn kapitaaltje had moeten interen. Dat vond hij niet leuk en daarom waren zijn inkomsten als ploegleider meer dan welkom.

Het grote huis stond er inmiddels al, een witte villa op de Bredase Liesboslaan, en het was enkele jaren later financieel geen enkel probleem om zoon Pierre naar de universiteit te sturen om daar econoom te worden.

Met zijn rechtlijnige karakter en zijn ongeduld om snel dingen voor elkaar te krijgen die beter met tact en beleid tot stand kunnen worden gebracht, maakte hij veel vijanden. Van diplomatie had hij nog nooit gehoord en de aanvaringen met de KNWU, onder wiens supervisie hij officieel moest opereren, waren talrijk.

Ondanks alle gele en groene truien, etappezeges en ereplaatsen, groeide de weerzin tegen de man die als een potentaat de Nederlandse beroepswielersport dicteerde. Hij vond alles geneuk, gelul en gekloot en er was vaak niet met hem te praten. Zo werkte hij zorgvuldig aan zijn eigen ondergang en in 1957 viel hij in ongenade.

Een deel van de renners die veel aan hem te danken had, liet hem als een baksteen vallen en jarenlang was hij het onbegrepen orakel van Breda dat zich misprijzend uitliet over het Nederlandse beroepswielrennen.

Hij had veel vijanden en weinig vrienden, maar het Nederlandse volk verlangde naarstig terug naar die jaren van succes, waar Kees Pellenaars de hand in had gehad.  Een van die schaarse vrienden was de Limburgse journalist Pierre Huyskens en die bracht hem in contact met de rebelse heren van het blad Televizier, die in die jaren bezig waren het vermolmde Nederlandse omroepbestel omver te halen.

Die konden wel een populistisch steuntje in de rug gebruiken, bedacht Huyskens. Het volk wil brood en spelen en de belangstelling voor de Tour was weer groeiende, dankzij de prestaties van Jan Janssen, Ab Geldermans en Jo de Roo in buitenlandse dienst.

Ze werden het eens en Kees Pellenaars kon in 1964 de eerste Nederlandse merkenploeg gaan formeren. Omdat de conflicten tussen de Pel en zijn renners altijd over centen gingen, zorgde de sponsor voor een degelijk financieel beleid, met goede contracten voor de renners en verzekeringen voor als er wat gebeurde. Pellenaars hoefde geen centen meer bij elkaar te scharrelen, hoewel hij het wheelen and dealen en vooral het afrekenen nooit is verleerd.

Hij is nooit met een Tourwinnaar thuisgekomen, maar hij beleefde nog wel een aantal succesvolle jaren met Televizier en later met de sponsor Goudsmit-Hoff. Een enkele keer was de ouwe Pel nog wel eens zichtbaar, vooral als de KNWU in het geding was.

Dan werd hij weer even die furieuze straatvechter, die voor niemand opzij ging en compromisloos alleen de hoofdprijs begeerde. Maar hij ging niet meer tot het uiterste zoals vroeger, daarvoor had zijn mooie huis en zijn geriefelijke banksaldo hem te mild gemaakt.

Bovendien had hij door de vroege dood van zijn geliefde Sjaan de betrekkelijkheid van het leven leren inzien. Zijn zware ongeluk in de Ronde van Duitsland had hij wel overleefd, maar zijn verdere leven heeft hij altijd pijn gevoeld. In zunnen kop en in diejen verrekte arm, die soms zo kon zeuren.

Nog jaren na zijn dood wordt er over hem geschreven als journalisten weer eens een oud-renner opdiepen die gretig komt vertellen hoezeer hij door de Pel financieel is benadeeld. Die renners vergeten dat ze nooit voor een interview zouden zijn uitgenodigd als Pellenaars er niet geweest was.

Hij zorgde voor hun status en zonder hem zouden ze allang vergeten zijn. De Flandrien dacht niet alleen aan zijn eigen portemonnee, maar hij heeft en passant ook de Nederlandse wegrensport op de internationale kaart gezet.

Hij heeft fouten gemaakt en hij was niet makkelijk, maar het eindsaldo van zijn boekhouding is desalniettemin positief. Kees Pellenaars overleed op 30 januari 1988.

Uit Wielerhelden van Oranje 2003

Foto’s: archief dewielersite.net

Door Fred van Slogteren, 10 mei 2018 9:00

De Pel

Nog steeds een mooi afgewogen verhaal, Fred. Zo was híj inderdaad. Gr. Pierre
Geplaatst door Pierre Pellenaars , 10 mei 2018 11:46:36

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web