De Burgerlijke Stand van 10 juni.

Andy SCHLECK (1985, Luxemburg)

We kenden zijn broer al, de vijf jaar oudere Frank. Die won al eens de Amstel Gold Race en hij zegevierde vorig jaar in de Tour op l’Alpe d’Huez. We waren ook al op de hoogte van Andy, die vandaag 22 jaar wordt, maar al twee jaar beroepsrenner is. Hij is nog beter dan Frank, zeiden de kenners en dat heeft hij in zijn eerste grote ronde helemaal waargemaakt. Hij werd de ontdekking van de Giro d’Italia 2007, waarin hij als tweede eindigde met nog geen twee minuten achterstand op winnaar Danilo Di Luca. De jonge Luxemburger won uiteraard ook het jongerenklassement. Het bijzondere is dat hij zonder te verzaken steeds in de frontlinie reed, zich nimmer liet verrassen en – en dat is heel bijzonder voor zo’n jonge knul – geen enkele inzinking had. Hij zit prachtig op zijn fiets, gaat in een mooie stijl omhoog en verloor in de tijdrit nauwelijks tijd. Het is nog slechts een kwestie van tijd, waarin hij moet groeien, sterker worden en ervaring opdoen, voordat deze Andrew Schleck, zoon van Johnny Schleck de vroegere knecht van Jan Janssen, de Tour gaat winnen. Ik doe dat soort uitspraken niet graag omdat er nog heel veel kan misgaan, maar wie dit op 21-jarige leeftijd kan is voorbestemd een grote te worden. De zwaarste col in de Giro was de Monte Zoncolan. Di Luca wist dat hij deze rit niet kon winnen, maar dat hij moest proberen de schade beperkt te houden. Gilberto Simoni wist dat hij zijn achterstand in het klassement niet meer goed kon maken en hij ging voor de dagzege. Samen met zijn land- en ploeggenoot Leonardi Piepoli ging hij er vandoor en iedereen moest passen. Di Luca, Mazzoleni, Cunego, Riccò, Bruseghin, Savoldelli, ze moesten er allemaal af. Alleen Andy Schleck dichtte de kloof met de twee Sauniers. Dat hij in de sprint geen schijn van kans had, spreekt vanzelf, maar hij pakte in die etappe definitief de tweede plaats. Hij was in de slotweek van de Giro de pleister op de wonde van de dopingellende die overvloedig in Duitsland en Denemarken naar buiten kwam. Wie had tien jaar geleden durven voorspellen dat Luxemburg na Faber, Frantz en Gaul (een mensenleeftijd geleden) nog eens een heuse Tourkandidaat zou voortbrengen? Ik tip hem voor 2010. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Jean ROBIC (1921, overleden 06.10.1980, Frankrijk)

‘Hij had een gezicht als een zure appel, vol spikkels en sproeten. Hij had olifantsoren. De spieren op zijn armen en benen leken door een veldwerk van knobbels met elkaar verbonden. Als hij uit de mistflarden om de Pyreneeëntoppen opdook, leek het of er een geslachte kip kwam aanscheren. Deze knoestige dwerg was Jean Robic. De hartstocht zichzelf tot op de bodem tegen te komen spetterde van hem af.’ Zo begint het tweede hoofdstuk van het boek ‘Heldenlevens’, de bestseller die Martin Ros in 1987 publiceerde. Het is een rake typering van een van de opvallendste Franse renners uit de wielergeschiedenis. Jean Robic was een van de beste wielrenners in de jaren direct na de tweede wereldoorlog. Met Louison Bobet was hij toen het gezicht van het Franse wielrennen en hij was waarschijnlijk nog populairder dan Bobet, die net als hij uit Bretagne kwam. Uit dat qua natuurschoon schitterende schiereiland aan de noordwestkust van Frankrijk zijn altijd goede renners voortgekomen. Het is kennelijk een uitstekende voedingsbodem voor hoekige karakters op de fiets. Het grote talent van Robic werd gedragen door zijn geweldige klimtalent. Hij had er alles voor mee om in het hooggebergte te excelleren en in de klimstatistieken van de Tour de France staat hij nog altijd hoog genoteerd, vóór Gino Bartali, Fausto Coppi, Federico Bahamontes en Lucien Van Impe. Hij won maar één Tour, die van 1947. Of hij er meer had kunnen winnen, is een vraag die moeilijk beantwoord kan worden. Hij had in zijn tijd te maken met moordende concurrentie, maar ook zijn eigenzinnige karakter stond vaak succes in de weg. Een Tourwinnaar moet een sterke ploeg achter zich hebben, maar Robic maakte met iedereen ruzie en reed zijn meeste Tours in de regionale ploeg der Bretoenen. Zijn leven na de koers was dramatisch en zijn einde triest, maar met elkaar maakt het hem tot een legende van de wielersport. En legendes zijn de meest leuke bijkomstigheden van de wielersport.

De andere op 10 juni geborenen zijn:

BECKAERT, Albert (1910, overleden 29.05.1980, België)
BEURSKES, Harry (1945, Nederland)
BOMANS, Carlo (1963, België)
DEBUSSCHERE, Maxim (1986, België)
FRISCHKORN, William (1981, Verenigde Staten)
GERARD, Arnaud (1984, Frankrijk)
JUN, Lars (1987, Nederland)
KOOL, Bram (1937, overleden 11.06.1990, Nederland)
KOOIJ , Vincent van der (1977, Nederland)
KREWER, Paul (1906, Duitsland)
LINTON, Arthur (1872, overleden 23.07.1896, Groot Brittannië)
MARZANO, Marco (1980, Italië)
MOREELS, Eddy (1950, België)
NAVAS CHICA, David (1974, Spanje)
NEDERLOF, Lex (1966, Nederland)
ROTMAN, Luc (1956, Nederland)
SCHIPPER, Jos (1951, Nederland)
SCODELLER, Gilbert (1931, overleden 13.04.1989, Frankrijk)
VERSCHUEREN, Dolf (1922, overleden 30.04.2004, België)
VLIMMEREN, Mario van (1958, Nederland)

Door Fred van Slogteren, 10 juni 2007 0:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web