Michele DANCELLI (1942, Italië)

Hij kwam uit een straatarme familie en veel uitzicht op een toekomst had hij niet, deze jongen uit een dorp in de buurt van Brescia. Maar hij was ambitieus en hij wilde wat bereiken. De regio waar hij vandaan komt heeft nogal wat grote coureurs voortgebracht en daarom koos Michele Dancelli de koersfiets om zo te proberen hogerop te komen. Hij had talent en een sterke eindsprint. In 1963 werd hij nationaal kampioen op de weg bij de amateurs en de sponsors roerden zich om hem bij de profs in te lijven. Hij debuteerde eind 1963 met een derde plaats in de Ronde van Lombardije. Hij ontwikkelde zich tot een eendagsrenner van formaat, maar meer dan een subtopper was hij aanvankelijk niet. De grote man van het Italiaanse wielrennen was in die tijd Felice Gimondi en daaronder beschikte Italië over sterke renners als Baffi (Pierino), Basso (Marino), De Pra, De Rosso, Fornoni, Motta, Santambrogio en anderen. Die zaten voor een groot deel bij Molteni, de ploeg die later met Eddy Merckx als kopman tot grote hoogten zou stijgen. In de jaren dat hij bij Molteni reed werd Dancelli steeds beter. In 1965 en ’66 werd hij nationaal kampioen en in dat laatste jaar won hij de Waalse Pijl. Hij kwam niet vaak Italië uit, want er was in eigen land voldoende werkgelegenheid. Hij won maar liefst 31 van die Italiaanse semi-klassiekers en dat is een respectabel aantal. Zijn mooiste overwinning behaalde Dancelli in 1970 toen hij na een solo van 70 kilometer Milaan-San Remo won. Van het rondewerk moest hij het minder hebben, hoewel hij er mooie resultaten heeft bereikt. Hij startte slechts een maal in de Tour. Hij won een etappe en hij werd 20e in het eindklassement. In de Giro startte hij negen keer. Hij won totaal elf etappes, waarvan vier in 1970 en zijn beste eindklassering was 4e en dat was eveneens in 1970, zijn topjaar. Dat seizoen heeft hij niet meer kunnen evenaren en hij zakte langzaam weg naar de achterste regionen van het peloton. In 1973 stopte hij op pas 31-jarige leeftijd. Wat hij daarna is gaan doen, weet ik niet, ik heb nooit meer iets over hem gehoord. Hij was in ieder geval iemand die zich niet bij zijn lot neerlegde en zijn eigen weg zocht om iets in het leven te bereiken.

Geplaatst door Fred van Slogteren, 7 mei 2007 22:00

Andrea TAFI (1966, Italië)

Iedere ploegleider zou zijn lippen aflikken met een type als Tafi in de ploeg. Als de maand februari op zijn einde liep, dan begon bij de Florentijn te borrelen wat in de maanden ervoor was voorgekookt. Dan werden – weer of geen weer – de mouwen opgestroopt en dan droomde hij van kasseien, storm en regen, hellingen als muren en alles wat de voorjaarskoersen van het noorden aan shit te bieden hebben. Dat waren zijn koersen en hij won Parijs-Roubaix in 1999 en de Ronde van Vlaanderen in 2002. Het hadden meer overwinningen kunnen zijn, maar het ploegbelang dwong hem nog wel eens in een positie waarin gediend moest worden. Dan ging hij de koers hard maken en volgens mij vond hij dat net zo leuk als winnen. Zo lang en zo hard op kop rijden tot de concurrentie volledig moegebeukt was en Museeuw of Ballerini, of Bartoli of Bortolami of een andere ploegmaat het af  konden maken. En datzelfde deed hij met alle liefde in de Giro, de Tour of een andere rondrit. Stoempen en iedereen het snot voor de ogen rijden dat was de specialiteit van deze verder vriendelijke Italiaan. Hij was het hele jaar goed, verrichtte bergen werk en was dan ook nog in staat in de najaarsklassiekers toe te slaan. Zo won hij in 1999 Parijs-Brussel en de Ronde van Lombardije en in 2000 Parijs-Tours. Tussen neus en lippen door werd hij ook nog nationaal kampioen (1998) en een hele reeks semi-klassiekers. Een groot coureur die eind 2004 bekendmaakte dat hij het welletjes was geweest. Hij maakte echter één voorbehoud hij wilde nog eenmaal zijn voorjaarsklassiekers rijden en Saunier-Duval bood hem een contract tot 31 mei. Hij kon het hoge niveau als bijna 40-jarige niet meer aan, maar hij heeft onderweg iedere kassei persoonlijk toegesproken en de meest hoekige, puntige en ellendige exemplaren geëmotioneerd gekust. Een Latin lover in de Hel. (foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 6 mei 2007 22:00

Hans JUNKERMANN (1934, Duitsland)

Na de tweede wereldoorlog stelde het Duitse wielrennen aanvankelijk niet veel meer voor. Het land had enkele jaren andere dingen aan het hoofd dan topsport. Maar in 1952 werd plotseling een volslagen onbekende Duitser wereldkampioen. Die heette Heinz Müller en de derde plaats was voor Ludwig Hörmann, ook al een Duitser. In die tijd reed ook ene Hans Preiskeit verdienstelijk, maar een echte grote wielernatie werd Duitsland er niet van. Aan het eind van de jaren vijftig verschenen er wel Duitse renners aan het wielerfirmament met kans op het vedettendom. De drie belangrijkste waren Rolf Wolfshohl, Rudi Altig en Hans Junkermann. Zij werden gecontracteerd door Franse ploegen die in die tijd het beeld bepaalden. Het aardige is dat die Duitse coureurs erg veelzijdig waren. Wolfshohl was een sterk wegrenner die in 1965 de Vuelta won, maar ook drie keer wereldkampioen veldrijden was. Altig was behalve een groot wegrenner, ook een fantastische achtervolger en een zesdaagsecoureur van formaat en Junkermann was in die drie disciplines vrijwel zijn evenknie. Hij was drie keer wegkampioen van zijn land, won twee keer de Ronde van Zwitserland, won klassiekers, eindigde vier maal bij de eerste tien in de Tour de France en won nog tal van wegwedstrijden. Ook op de piste was Hennes een hele baas. Hij was vele malen kampioen van Duitsland ploegkoers en een keer Europees kampioen in die discipline. Hij was verder een keer nationaal kampioen achtervolging en hij reed ook niet onverdienstelijk achter de grote motor. En ieder winterseizoen reed hij een aantal zesdaagsen en hij won er in totaal negen, waarvan vier met Altig. Ondanks alle grote Duitse renners die na hem zijn gekomen en die voor het grootste deel uit de voormalige DDR kwamen, handhaaft Hennes Junkermann zich met gemak bij de beste tien Duitse renners aller tijden. Na zijn carrière hield hij zich hoofdzakelijk bezig met het begeleiden van jong talent. Twee namen die het heel ver brachten (ook in de zesdaagsen) hebben de fijne kneepjes van Junkermann geleerd. Vraag het maar eens aan Rolf Aldag en Erik Zabel.

Geplaatst door Fred van Slogteren, 5 mei 2007 22:00

Wilfried NELISSEN (1970, België)

In de vele jaren dat ik de wielersport volg heb ik tal van valpartijen gezien. Het loopt gelukkig meestal goed af, maar er zijn ook chutes geregistreerd, waarbij je maag zich omdraait. Zo’n valpartij gebeurde in de Tour de France van 1994 en al in de eerste etappe. 234 kilometer van Lille naar Armentières. Een rit voor de sprinters. Een van hen werd al voor de start uitgeschakeld, want Frédéric Moncassin viel van het trappetje dat hij moest beklimmen om het presentieformulier te tekenen. Met een dubbele enkelbreuk ging hij naar het ziekenhuis. De rit verliep zoals verwacht en de compacte groep denderde in Armentières op de finish af. In de brede straat waar de eindstreep was getrokken stonden de mensen dik opeengepakt achter de dranghekken. Voor de hekken stonden om de zoveel meter de politiemannen om te voorkomen dat iemand te ver over het hek zou hangen. Het publiek stond er al uren en ook de politiemannen staan al lang tevoren op hun plaats. Dan ontstaat er vaak een vertrouwelijke sfeer tussen le flic en het publiek. Toen de renners in aantocht waren vroeg een jongetje uit het publiek of de agent een foto wilde maken. Dat wilde hij wel en hij ging er eens goed voor staan. De gevolgen waren niet te overzien. Het peloton waaierde in de breedte uit van dranghek tot dranghek. Als hij gewoon was blijven staan had de agent al gevaar gelopen, maar als een beroepsfotograaf stond hij wijdbeens met de camera van dat jongetje in de aanslag om de plaat van zijn leven te maken. Als hij heeft afgedrukt zou ik die foto wel eens willen zien. Wilfried Nelissen de Belgische krachtsprinter had de gewoonte om met zijn kop naar beneden te sprinten en hij zag de agent dus niet. Hij knalde vol op de geüniformeerde sukkel en bleef bewusteloos liggen, nadat tal van renners over hem heen waren geduikeld. Toen hij weer bij kennis kwam, dacht hij de rit te hebben gewonnen. Het zag er slecht uit, maar het viel allemaal mee, al moest hij wel opgeven. Twee jaar later knalde hij in Gent-Wevelgem vol op een verkeerspaaltje en met een dubbele scheenbeenbreuk, een gebroken dijbeen en een knieschijffractuur bleef hij liggen. Hij kwam nog wel terug, maar de macht was uit die poot en hij stopte kort daarna. Hij was vier keer wegkampioen van België, waarvan twee keer bij de profs. Hij won ook de Omloop Het Volk en de Tour de l’Oise. Ik geloof dat hij nu ploegleider is. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 4 mei 2007 22:00

Luis HERRERA HERRERA (1961, Colombia)

In 1983 oordeelde de tweehoofdige directie van de Tour de France, verenigd in de heren Jacques Goddet en Felix Lévitan, dat hun Tour wel wat meer strijd kon gebruiken. Het was allemaal te voorspelbaar geworden. Na geweldenaren als Anquetil en Merckx was Bernard Hinault aan het bewind en het machtsblok Raleigh behaalde veel te veel etappezeges. Er moest meer concurrentie komen. Er werd over het ijzeren gordijn gekeken om te zien of die Oost-Europese staatsamateurs niet aan de Tour konden meedoen. Toen dat mislukte werd er overzee gekeken en in het verre Zuid-Amerika bleek zowaar een groot wielerland te bestaan. Colombia, een land met zeer hoge bergen, met veel kleine donkere jongetjes die als apen op een fiets tegen de steilste bergwand op konden rijden. Er kwam een ploeg van die donkerharige lichtgewichten over om aan de belangrijkste wedstrijd ter wereld mee te gaan doen. Het werd een drama. In de bergetappes zag je ze inderdaad van voren koersen, maar in de vlakke aanloopweek werden ze moeiteloos uit de wielen gereden en de tijdritten waren helemaal een helse opgave. Dat werk kenden ze niet en de schrik zat er goed in toen ze in hun land terug waren. Die zien we nooit meer terug, dacht iedereen, maar een jaar later waren ze er weer en ze hadden hun allersterkste coureur meegebracht. Luis Herrera, heette hij, maar hij stond ook bekend als de Vlinder van de Andès en de Kleine Tuinman. Het was meer een tuinkabouter, maar in het klimmen was het een reus ook op de hoogste Alpentoppen en Pyreneeënreuzen. Ook hij had moeite met de lange vlakke ritten en het tijdrijden, maar hij won wel gelijk de koninginnerit naar l’Alpe d’Huez. Een jaar later won hij zelfs twee bergetappes en het bergklassement. In 1987 eindigde hij als vijfde in het algemeen klassement en bracht hij wederom de bolletjestrui in Parijs. Lucho won in zijn carrière de Ronde van Spanje en de Dauphiné Libéré.  Sindsdien rijden er elk jaar wel enkele Colombianen in de Tour mee, maar een grote als Herrera is niet meer voorbij gekomen. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 3 mei 2007 22:00

Jean-François ‘Jeff’ BERNARD (1962, Frankrijk)

Toen de grootste renner aller tijden in zijn nadagen kwam en zijn superioriteit minder werd, werden er in België direct speculaties gemaakt wie Eddy Merckx zou moeten opvolgen. Ieder jong talent werd onder het vergrootglas gelegd en grootgeschreven, alsof talent het enige is dat telt. Een jaar of wat later was het in Frankrijk net eender toen voor de op één na grootste renner aller tijden de datum naderde die hijzelf had uitgekozen om afscheid te nemen. Bernard Hinault had het moeilijk met zijn natuurlijke opvolger Greg LeMond, maar dat is geen Fransman. Le successeur van le blaireau moest een Fransman zijn en de eerste keuzes van het Franse wielerpubliek waren Laurent Fignon, Charly Mottet en Jean-René Bernaudeau, die al een aantal jaren in de schaduw van Bernard successen behaalden. Maar toen Hinault er als renner niet meer was, konden die drie het niet waarmaken. Fignon kreeg na zijn twee Tourzeges te maken met dezelfde knieblessures als Hinault, Mottet kwam gewoon tekort en Bernaudeau kon het gewicht die de Breton achterliet niet dragen. Gelukkig was er de zes jaar jongere Jeff Bernard die in 1983 spelenderwijs Frans amateurkampioen was geworden en volledig bekwaam werd geacht om de meester op te volgen. Bernard was een begenadigd tijdrijder en een grimpeur van grote kwaliteit. Hinault was een zeer groot coureur, maar een deel van zijn succes was ook de ijzersterke Gitane-formatie onder leiding van de gewiekste ploegleider Cyrille Guimard. En dat had Jeff niet. Het Franse wielrennen zat in een vrije val en die is nog steeds niet opgehouden, maar het is flauw om het daar helemaal aan op te hangen. Jeff Bernard grootste makke was het feit dat hij niet constant was. Hij kon de sterren van de hemel fietsen en de volgende dag als een krant in het peloton hangen. En daarom staat er op zijn erelijst geen Tour, geen Giro en geen Vuelta, maar Parijs-Nice, de Ronde van de Middellandse Zee en het Criterium International. Niks mis mee, maar niet voor de beoogde opvolger van Bernard Hinault, de laatste Napoleon van het cyclisme. Hij sleet de laatste jaren van zijn profcarrière als een zeer gewaardeerde knecht van Miguel Indurain. En dat was wel de opvolger van Hinault, maar helaas voor de Fransen … geen Fransman.

Geplaatst door Fred van Slogteren, 1 mei 2007 22:00

Robert VARNAJO (1929, Frankrijk)

Een veelzijdig renner die in de jaren vijftig tot de beste Franse renners behoorde. In 1949 werd hij Frans wegkampioen bij de amateurs en een jaar later werd hij in het Belgische Moorslede als amateur tweede bij het WK op de weg achter de Australiër Jack Hoobin. Bij de profs werd hij een goede subtopper die mooie koersen op zijn naam bracht, als het Circuit du Mont-Blanc en Parijs-Camembert. Dat hij niet meer gepresteerd heeft, lag aan zijn eigenzinnig karakter, want hij vertikte het zijn eigen kansen op te offeren voor die van een kopman. Daar was hij veel te zelfzuchtig voor. Met wat hand- en spandiensten op zijn tijd zou hij het verder gebracht hebben, want nu werd hij categorisch uit de ploegen gehouden waardoor hij hogerop had kunnen komen. In 1954 behaalde hij zijn mooiste triomf door in de Tour de France de laatste etappe te winnen op de wielerbaan van het Parc des Princes. Hij versloeg in de eindsprint snelle mannen als Fredje De Bruyne en onze eigen Henk Faanhof. Hij kon ook goed achter de derny rijden en in de monsterklassieker Bordeaux-Parijs, die voor een groot gedeelte achter derny’s werd gereden, werd hij twee maal vierde. In de herfst van zijn carrière werd hij stayer en hij werd drie jaar achtereen kampioen van Frankrijk in die discipline. Dat was in 1962, ’63 en ’64. In het middelste jaar werd hij bij het WK 3e achter de Belgen Leo Proost en Pol Depaepe. Le Chouan – zijn bijnaam omdat hij voor zijn wielercarrière enige tijd herder was - stopte in 1965 en er is sindsdien weinig van hem vernomen. (Foto: archief T&T Tekst & Traffic)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 30 april 2007 22:00

Eric VAN LANCKER (1961, België)

De Raleigh-ploeg van Peter Post had het imago dat iedereen er kon winnen. Natuurlijk waren er kopmannen, maar de knechten wonnen ook regelmatig. Bij de meeste andere ploegen uit die tijd was dat niet denkbaar. Na Raleigh ging Post verder met Panasonic en ook in die ploeg werd die strategie het kenmerk van de ploeg. Mannen als Erik Breukink, Eric Vanderaerden, Teun van Vliet en Jean-Paul van Poppel waren de vedetten, maar ook de knechten mochten zo nu en dan hun gang gaan en in het voorjaar van 1989 sloegen twee van die domestieken toe. Eerst won Jean-Marie Wampers Parijs-Roubaix en twee weken later was het Eric Van Lancker die de winst in de Amstel Gold Race binnenhaalde. ‘Alweer een knecht’ kopten de kranten, want Van Lancker werd net als Wampers als een knecht beschouwd. De bescheiden Van Lancker uit Tiegem, aan de voet van de Vlaamse Ardennen, kon er niet mee zitten. Een jaar later won hij ook nog Luik-Bastenaken-Luik. Dat hij desondanks geen vedette is geworden ligt meer aan zijn bescheidenheid, dan aan zijn wielerkwaliteiten. Hij was een knap coureur die vooral in het heuvellandschap tot zijn recht kwam. In de Tour en de Giro kon hij geen potten breken, hoewel hij in de Ronde van Italië van 1986 toch op een veertiende plaats eindigde en een etappe won. Wat ik niet zo geslaagd aan hem vond, was zijn snor. Wielrenners horen geen snor te hebben en die opvatting deel ik met de meeste renners, want het aantal snorren is in het peloton te verwaarlozen. De bekendste snordrager uit de moderne wielergeschiedenis was de Zwitser Urs Freuler, maar dat was voornamelijk een zesdaagsecoureur. In dat gesoigneerde wereldje met zijden koerstruitjes ligt dat gevoelsmatig anders, vind ik. Toen Freuler ook op de weg ging rijden en in de Tour etappes won, vond ik weer dat het niet kon. Gelukkig is Van Lancker – in tegenstelling tot Freuler – tijdig tot inkeer gekomen en hij behaalde zijn twee grootste zeges met een glad geschoren bovenlip. En zo hoort het ook. (Foto: © Cor Vos)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 29 april 2007 22:00

Lucien AIMAR (1941, Frankrijk)

In Frankrijk was hij niet echt populair, ook al noemden ze hem Lulu. Iedere Lucien heet in dat land zo, als hij meer dan één vriend heeft. Er is in Frankrijk echter maar één Poupou en dat is Raymond Poulidor, een Limousin. Geen koe, maar een inwoner van Limoges. Er zijn maar vijf Franse wielrenners superpopulair geweest en dat waren André Leducq (Dedé), Charles Pélissier (Charlot), Louison Bobet (Bobette), Laurent Jalabert (Jaja) en natuurlijk Raymond Poulidor, beter bekend als le deuxième éternel. En Lucien Aimar beging een doodzonde toen hij in 1966 het troetelkind aller Fransen van de overwinning in de Tour de France afhield. Het was ijzig stil in het Parc des Princes toen de overwinnaar van de Tour daar in 1966 zijn ereronde reed. Alles werd hem misgund. De gele trui en vooral die ereronde. Die kwam Poupou toe, de zwijgende en immer glimlachende loser, die zich jaren had stukgelopen op die superieure Normandiër, Jacques Anquetil. Die werd hooguit geaccepteerd vanwege zijn uitzonderlijk talent. Een hooghartige god op de fiets en van een boven de mensheid verheven eenling mag een publiekslieveling verliezen. Maar de uitverkorene aller Fransen mocht vanwege zijn ‘low key appearence’ natuurlijk niet ten onder gaan voor een omhooggevallen steen als Lulu Aimar. En daarom die stilte, die halverwege de ereronde werd verbroken door een aanzwellend fluitconcert. Het onbeduidende knechtje van maître Jacques, de gehate …

Geplaatst door Fred van Slogteren, 27 april 2007 22:00

José MEIFFRET (1913, overleden 16.04.1983, Frankrijk)

In de jaren vijftig en zestig stond er wel eens stukje over hem in het blad Wielersport. Hij was zich dan aan het voorbereiden op weer een aanval op het wereldrecord absolute snelheid op de fiets, dat al op zijn naam stond. De Fransman was van dat record bezeten en hij noemde het zijn rendez-vous met de dood. Op jeugdige leeftijd werd hij op een dag aangereden door een auto. Meiffret zat goed in de kreukels, maar zijn fiets was total loss. Gelukkig was de automobilist mens genoeg om hem een mooie nieuwe fiets te schenken. Vanaf dat moment wilde hij wielrenner worden. Helaas had hij niet al te veel talent en het was Henri Desgrange, de stichter van de Tour de France, die hem overtuigde dat hij stayer moest worden. Dat werd hij en hij was in de jaren dertig een behoorlijke demi-fond renner zonder ooit een kampioenschap of iets dergelijks te hebben behaald. In die jaren kwam het bij hem op de snelste man ter wereld op de fiets te willen worden. Door de oorlog kwam zijn wielercarrière voortijdig ten einde, maar toen de vrede was weergekeerd begon Meiffret aan zijn ideaal te werken. Hij ondernam vele recordpogingen achter motoren en auto’s die slaagden of voortijdig eindigden door een val. Dan lag hij weer maandenlang in het ziekenhuis, maar geestelijk al bezig met zijn volgende poging. Op 16 juli 1962 reed hij op de Duitse autobahn in de omgeving …

Geplaatst door Fred van Slogteren, 26 april 2007 22:00

« Vorige 1 2 3  ... 659 660 661 662 663 664 665 666 667 668 669  ... 700 701 702 Volgende »