René PIJNEN (1946, Nederland)

Een groot talent, dat bij de amateurs tot de wereldtop behoorde. In 1967 werd hij derde bij het wereldkampioenschap op de weg en een jaar later behoorde hij tot het gouden kwartet (samen met Den Hertog, Zoetemelk en Krekels) van de Spelen van Mexico. Hij tekende een profcontract bij Willem II Gazelle en hij stelde zeker niet teleur. Vooral in de Ronde van Spanje kon hij goed uit de voeten. In drie starts won hij vier ritten, maar hij kwam tekort in het hooggebergte. Maar zelf vond hij het niks bij de profs op de weg. Urenlang lummelen in een gezapig tempo en dan een finale met zestig in het uur. Dat laatste paste wel bij zijn explosieve karakter, maar het eerste niet. Hij werd zesdaagsecoureur, want daar rijden ze constant een finale. En hij werd een kei in dat werk. Hij maakte nog net de periode Post mee en samen met Leo Duyndam leek de Amstelvener zo maar ineens twee opvolgers te hebben. Maar de twee pasten niet bij elkaar en René ging alleen verder. Met wisselende koppelgenoten reed hij in dertien winterseizoenen naar 72 overwinningen in zesdaagsen. Daarmee stond hij lang op de tweede plaats achter Patrick Sercu, maar hij is later ingehaald door Danny Clark. Aan zijn carrière kwam een abrupt einde door een aderbreuk in de buikholte. Vele uren vochten de chirurgen voor zijn leven en het lukte hen hem bij de levenden te houden, ondanks het feit dat hij twee keer klinisch dood was. Sindsdien houdt René zich bezig met zijn hotel in Bergen op Zoom en de projectontwikkeling van sporthallen in het zuiden van het land. Maar het meest geniet hij van het leven en dat is een eigenschap die hij deelt met mensen die de dood in de ogen hebben gezien. Sport speelt nog steeds een grote rol in zijn bestaan. Fietsen, tennissen, jagen, hij vindt het allemaal even leuk en hij is een tevreden mens met wie je een prettig, maar kritisch gesprek over de wielersport kunt voeren. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 3 september 2006 0:00

Tom STEELS (1971, België)

Het is moeilijk om in de geschiedenis van de Belgische wielersport een record te vinden dat niet op naam van Eddy Merckx staat. Tom Steels was vier keer kampioen van België bij de beroepsrenners op de weg en daarmee is hij alle Belgische kampioenen uit het verleden de baas. Hij is een knap renner met een vlijmscherp eindschot, waarmee hij een aantal jaren lang tot de topsprinters van de wereld behoorde. Hij won twee keer Gent-Wevelgem, een keer de Omloop Het volk, de Schaal Sels, Dwars door België en nog veel meer. In de Tour won hij negen ritten en in de Vuelta twee. Toch is hij het bekendst geworden door het incident met de bidon. Dat gebeurde in de Tour van 1997. De vlakke etappes werden ook toen al steeds beslist met massaspurts en de tenoren van dat vak staan dan strak van de zenuwen als ze nog geen rit gepakt hebben. Dan zijn ze niet zichzelf meer, denk maar aan Tom Boonen in de Tour van dit jaar. In 1997 was dat ook het geval met Tom Steels. Sprinten is kwakken uitdelen en krijgen en dat moet je accepteren. Maar toen Steels in de finale van de zesde rit een kwak kreeg van Moncassin was de maat even vol. In volle sprint pakte hij zijn bidon en smeet die met kracht naar de Fransman. Een levensgevaarlijke actie, waarvoor de Vlaming zwaar gestraft werd. Hij mocht direct zijn biezen pakken en huiswaarts keren. Hij had er veel spijt van en hij wist dat hij alleen eerherstel zou krijgen met zijn benen. Het jaar daarop won hij dan ook vier ritten. Maar al had hij alle etappes gewonnen dat verhaal van die bidon is aan hem blijven kleven en er is zelfs een lied over gemaakt. ‘Tom Bidon’ heette het en het werd overal gezongen waar Tom aan de start kwam. Hij kon er wel om lachen.
De laatste jaren gaat het een stuk minder met de snelle man. Dat heeft enerzijds te maken met een hardnekkige virusinfectie en een reeks blessures. Anderzijds is er natuurlijk het feit dat er bij zijn ploeg Davitamon-Lotto nog een supersprinter rijdt met de naam Robbie McEwen. Daarom verkeert Steels in zijn ploeg in een vergelijkbare positie als Erik Zabel bij Milram. Zabel liet eergisteren zien dat hij nog steeds kan winnen. Hopelijk kan Tom dat ook.
(Foto © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 2 september 2006 0:00

Franco BITOSSI (1940, Italië)

Hij was een tijdgenoot van Jan Janssen en een tegenstander van formaat. Een sterk coureur met een mooie erelijst. Hij won de Ronde van Zwitserland, de Tirreno Adriatico en de Ronde van Catalonië en verder het Kampioenschap van Zürich en de Ronde van Lombardije. En dan nog een hele reeks van die Italiaanse eendagskoersen met vrijwel uitsluitend Italianen als winnaars. In de grote ronden was hij eveneens succesvol, hoewel hij net iets te kort kwam om daar als grote kanshebber mee te doen voor het podium. Hij won 21 etappes in de Ronde van Italië en vier in de Tour de France. Dat kwam hoofdzakelijk door zijn snelheid, maar Bitossi kon ook klimmen. Hij won bijvoorbeeld drie keer de bergprijs in de Giro. In de Tour de France van 1968 was hij heel dicht bij de eindoverwinning, want hij behoorde tot de acht kanshebbers die op enkele dagen voor het einde, met heel kleine tijdsverschhillen de top van het klassement vormden. Maar Bitossi fixeerde zich liever op het puntenklassement en dat heeft hij ook gewonnen. Hij is de enige renner in de geschiedenis van de Tour die als winnaar van dat klassement een rode in plaats van een groene trui mee naar huis heeft genomen. Na één jaar werd het experiment met een andere kleur weer beëindigd en werd het groen in ere hersteld.
Bitossi had een uitzonderlijke bijnaam. 'Het dwaze hart' werd hij genoemd, omdat zijn hart bij grote inspanningen wel eens oversloeg. Een kwaal waar meer renners aan lijden, maar in het geval van Bitossi was het geen beletsel om door te gaan.
Aan het WK van 1972 zal de Florentijn niet graag terugdenken. In de finale was het peloton weer bij elkaar gekomen en vier kilometer voor het einde demarreerde Bitossi. Hij sloeg een behoorlijk gat, maar het peloton hield hem in het vizier. Er werd fel op hem gejaagd met enkele blauwe truien van zijn landgenoten op kop. Het was Marino Basso die enkele tientallen meters voor de streep langs Bitossi spoot en de wereldtitel greep. Zelfs Eddy Merckx liet zich over de zaak uit. Die had er die dag alles aan gedaan om zelf te winnen, maar toen hij hoorde dat Basso het was geworden, zei hij: “dat is spijtig, Bitossi zou een veel waardiger kampioen zijn geweest”.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 1 september 2006 0:00

Michiel ELIJZEN (1982, Nederland)

Eind vorig seizoen kreeg Michiel een aanbieding van de Franse ProTour-ploeg Cofidis en in goed overleg met Nico Verhoeven van het continental team van Rabobank heeft hij samen met Mathieu Heijboer voor de ploeg van de telefonische kredietverlener gekozen. Heijboer verhuisde direct naar Zuid-Frankrijk, maar Michiel besloot de kat uit de boom te kijken en niet zoveel in zijn leven te veranderen. Een verstandige beslissing, want het seizoen is tot nu toe uiterst ongelukkig voor hem verlopen. De jonge renner uit Culemborg is echter iemand die goed met tegenslag kan omgaan en voldoende veerkracht heeft om met de blik op oneindig succes te blijven nastreven. Hij zal in ieder geval geleerd hebben dat het in tegenstelling tot veel andere ploegen bij Rabobank heel erg goed geregeld is. Maar niet ieder talent dat door Nico Verhoeven is opgeleid kan in de eigen ProTour-ploeg terecht en het past in de missie van Rabobank om jong talent op te leiden voor een plaats in het ProTour peloton en dat hoeft dus niet per se Rabobank te zijn. Wat Cofidis met de twee Nederlanders van plan is, moet worden afgewacht. De wijze waarop ze de zwaar geblesseerde Jans Koerts vorig jaar behandelden doet het ergste vermoeden, maar dat kan meevallen. In ieder geval heeft Michiel de voeling met Rabobank niet verbroken. Integendeel er is nog regelmatig contact met Nico Verhoeven, een man die zijn pupillen op de voet blijft volgen, ook al zijn ze al jaren bij hem weg. Of dat er toe zal leiden dat Michiel weer op het vertrouwde nest terugkeert, is op dit moment niet aan de orde. Maar als dat wel zo is, dan zal er zeker niet moeilijk worden gedaan over zijn persoon, want Michiel is een buitengewoon aardige jongen, zo hoorde ik van Jacob Bergsma. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 31 augustus 2006 0:00

Danny CLARK (1951, Australië)

Eigenlijk zijn het gastarbeiders, die Aussies. Al sinds mensenheugenis komen ze naar Europa. Met een koffertje met hun persoonlijke bezittingen en een fiets. Dat ze in hun vaderland vaak al een indrukwekkende erelijst bijeen hebben gereden, weet geen mens in Europa. Zo’n renner moet weer van voren af aan beginnen en met inzet en eerzucht schoppen ze het meestal vrij ver. En allemaal dromen ze van de dag dat hun carrière voorbij is en ze met een zak geld terug kunnen keren naar way down under. Zelfs Robbie McEwen, die toch helemaal verbelst is, weet wat hem te doen staat als het rennerseinde daar is. Onder die Australiërs was Danny Clark daar geen uitzondering op. Hij werd een geldwolf genoemd, want iedere verdiende frank of mark die hij niet voor zijn primaire levensonderhoud nodig had werd gespaard of belegd om maar als man in bonus naar zijn vaderland te kunnen terugkeren. Dat is hem meer dan gelukt, want hij was een grote en zijn carrière duurde lang. Weliswaar in het zesdaagsencircuit, maar als er een renner is die vindt dat dat niets voorstelt, dan moet Patrick Sercu die direct maar eens een contract aanbieden. Kijk maar eens naar de koppen van die uitgepierde gelegenheidsbaners na een ploegkoers van drie kwartier. Kapot zijn ze, terwijl de echte specialisten dan pas lekker gerodeerd zijn voor nog twee van die inspanningen op een avond. In dat wereldje is Danny Clark een heel grote geweest. Qua aantal overwinningen de op een na beste uit de wielergeschiedenis. Geliefd bij het publiek, maar veel minder bij zijn collega’s omdat hij hongerig altijd alles wilde hebben. Maar Peter Post zei het al eens tegen me, als je in dat wereldje de top wil bereiken, dan moet je een sekreet zijn. “Kijk maar naar Altig dat kreng, kijk maar naar Bugdahl, ook zo’n etter.” En kijk ook maar naar Post en Clark, zou ik er aan toe willen voegen, want die konden er ook wat van. Spijt hebben ze er niet van, waarom zouden ze ook en ik denk dat Danny hier 20.000 kilometer vandaan nog vaak met een glimlach terugdenkt aan de vele loeren die hij zijn collega’s (!) heeft gedraaid. En wat heeft het publiek daar van genoten. (Foto: archief Wim van Eyle)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 30 augustus 2006 0:00

Ole RITTER (1941, Denemarken)

Denemarken is geen groot wielerland, maar al sinds het bestaan van de wielersport komen er uitzonderlijke renners uit het kleinste Scandinavische land. De eerste Deense superkampioen was Thorvald Ellegaard (1877-1954) en na hem kwam een lange reeks Deense toprenners die ongeveer eindigt bij Bjarne Riis en Rolf Sörensen. Ergens middenin die lijst staat de naam Ole Ritter en dat was een begenadigd hardrijder. Hij reed zowel op de weg als op de baan, maar zijn vele records hebben vooral zijn naam gevestigd. Op 10 oktober 1968 verbeterde hij op de splinternieuwe Olympische piste van Mexico City het werelduurrecord met een afgelegde afstand van 48,653 kiometer. Vier jaar later werd hij - met 778 meter meer - onttroond door Eddy Merckx en die was toen echt op het toppunt van zijn atletische vermogens. Ondanks die wetenschap ondernam Ritter in 1974 twee pogingen om het record terug te krijgen, maar hij faalde. Hoewel falen? Hij verbeterde beide malen zijn eigen beste tijd, maar bleef net onder de 49 kilometer steken. Ook achter de motor vestigde hij records, maar die werden niet als zodanig erkend. Dat was meer iets voor het Guiness Book of Records. Op de weg won hij een hele reeks tijdritten in diverse rondritten. Een zevende, een negende en een twaalfde plaats in het eindklassement van de Ronde van Italië bewijst dat hij ook als ronderenner over uitstekende kwaliteiten beschikte. Hij wordt vandaag 65 jaar, maar de naam Ritter is nog op elk fietspad van zijn vaderland te bewonderen. Althans fietsen met zijn naam erop, want na zijn loopbaan begon Ole Ritter een groothandel in fietsen, kleding en rijwielonderdelen. Er bestaan echter geen Ritter racefietsen, want die importeert hij uit Italië van het merk Fondriest.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 29 augustus 2006 0:00

Roger PINGEON (1940, Frankrijk)

Tussen de regeerperiodes van Anquetil, Merckx, Hinault, Indurain en Armstrong mochten in de Tour de France andere renners even aan de top plaatsnemen. Ze worden tussenpausen genoemd en daardoor lijkt het alsof het om veel mindere renners gaat. Dat is maar gedeeltelijk waar, maar in tegenstelling tot de bovengenoemde goden hebben deze halfgoden een achilleshiel. Bij Roger Pingeon, die de Tour een keer won tussen de periodes Anquetil en Merckx in, was dat zijn grilligheid. De ene dag kon hij alles om de andere dag een diepe inzinking door te maken. In de Tour van 1967 was hij er een keer van gevrijwaard en hij won, terwijl er toch grote renners meededen die in het lijstje van favorieten boven hem stonden. Door een tactische meesterzet van ploegleider Bidot pakte Pingeon al in het begin van die Tour een grote voorsprong en stond die niet meer af. Een jaar later had hij wel weer catastrofale inzinkingen, nadat hij tot twee maal toe de hele meute op grote achterstand had gefietst. Daardoor werd hij slechts vijfde op drieënhalve minuut van winnaar Jan Janssen. Het was de story van zijn leven, maar die ene overwinning staat als een huis in de annalen. 1969 was misschien wel zijn beste jaar, maar toen kreeg hij te maken met een superieure Eddy Merckx die dat jaar alles won en slechts de kruimel van de tweede plaats aan Pingeon liet. Erg populair is hij nooit geweest, want hij miste de uitstraling die het publiek vertaalt in aantrekkingskracht. Een altijd wat nors kijkende man, met lange, dunne benen waardoor hij de bijnaam ‘de steltloper’ kreeg. Na zijn carrière werd hij bloemist en tijdens de Tour werd hij ingehuurd door de Franstalige Zwitserse televisie. Zijn teksten waren weinig inspirerend en na een aantal jaren werd hij bedankt voor de moeite. Met een nurkse reputatie verdween hij in de anonimiteit. Hij ontbrak in 2003 als enige bij het eeuwfeest van de honderdjarige Tour in het gezelschap van alle nog in leven zijnde Tourwinnaars. Wat de reden van zijn absentie was, weet ik niet, maar het verbaasde niemand.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 28 augustus 2006 0:00

Sylvère MAES (1909, overleden 05.12.1966, België)

Toen hij in 1936 zijn eerste Tour won was hij nog maar 25 jaar en drie jaar later 28 toen hij zijn tweede Touroverwinning behaalde. Die tweede had al in 1937 behaald kunnen zijn, maar door allerlei chauvinistische manipulaties van de Franse inrichters, die liever hun landgenoot Lapébie zagen winnen, ging Maes met de hele Belgische ploeg voortijdig naar huis. In 1939 had hij eigenlijk maar één grote concurrent en dat was de Italiaan Gino Bartali. Daarom is het best verantwoord om te stellen dat hij de Tour nog enkele malen had kunnen winnen als er geen oorlog was geweest. Hij was een echte ronderenner die zijn krachten goed kon verdelen en zich zelden liet verrrassen. Na de tweede wereldoorlog koerste hij nog enkele jaren, maar grote successen waren er niet meer bij.
In 1950 werd hij door de Belgische wielerbond aangesteld als ploegleider van de nationale ploeg, die onder meer in de Tour de France werd ingezet. Die ploegleiders van toen – Marcel Bidot voor Frankijk, Alfredo Binda voor Italië, Kees Pellenaars voor Nederland en Maes dus voor België – hadden in feite alle macht en Maes maakte nog wel eens keuzes die niet in het belang van de Belgische kansen waren. Daarin speelde de verborgen strijd tussen Vlamingen en Walen een grote rol. Er is zelfs wel eens gesuggereerd dat Maes graag voor eeuwig de laatste Belgische Tourwinnaar wilde blijven. Waar het zijn eigen waarneming betreft is hem dat gelukt, want hij overleed in 1966 en pas drie jaar later werd hij als Belgische Tourwinnaar opgevolgd door Eddy Merckx. Zijn café Au Tourmalet in Gistel – langs de route van de Ronde van Vlaanderen – is een soort bedevaartsoord voor de echte Vlaamse wielerliefhebber en dat is het bij mijn weten nog steeds, veertig jaar na het verscheiden van Lepe Peer.

(op de foto Maes in gesprek met collega Kees Pellenaars)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 27 augustus 2006 0:00

Chris BOARDMAN (1968, Groot Brittannië)

Engeland is geen groot wielerland en behoudens een enkeling – zoals de betreurde Tommy Simpson – zijn er weinig bekende Britse wielrenners geweest. Er heerst daar ook niet de continentale wielercultuur en de wielersport wordt er dan ook beoefend met de voorkeuren van de Brit. Ze zijn daar dol op tijdritten en die worden met grote regelmaat georganiseerd. Met het gevolg dat Engeland veel hardrijders heeft voortgebracht, die echter voornamelijk in eigen land bleven. Alleen bij het wereldkampioenschap achtervolging was er altijd wel een sterke Brit in het toernooi en we maakten kennis met tempobeulen als Cyril Cartwright, Peter Brotherton, John Geddes, Ian Hallam en vooral Hugh Porter. Bij de Spelen van 1992 in Barcelona was er weer zo’n flonkerende diamant in het pure hardrijden die de concurrentie verpletterde en lachend naar het goud reed. Chris Boardman heette hij en hij ging op zoek naar mogelijkheden om zijn uitzonderlijk talent als jachtrijder zoveel mogelijk uit te buiten. Zijn ambitie was het winnen van de Tour de France, maar dat vereist meer en daar kon Chris niet aan voldoen. Wel won hij een hele reeks prologen en tijdritten in tal van rittenkoersen, inclusief de Tour. De meeste naam heeft hij gemaakt met het twee maal verbeteren van het werelduurrecord op een moment dat het record aller records een soort opera comique was geworden. Nadat Francesco Moser op een heel speciale fiets en in zijn nadagen het record van Merckx uit de boeken had gereden, volgden nog meer pogingen op steeds vreemdere fietsen met als hoogtepunt – of dieptepunt zo u wilt – het vehikel van de Schot Graeme Obree. Ook Boardman verbeterde het record op een merkwaardig rijwiel en bracht het op 56 km. en 375 meter. Nadat die afstand in de annalen was bijgeschreven bepaalde de UCI dat het record alleen nog maar verbeterd mocht worden met een fiets die aan bepaalde voorschriften voldeed en zo werd Eddy Merckx ineens weer werelduurrecordhouder met zijn tijd uit 1972. Met een superlicht baanfietsje verbeterde Chris ook dit record, maar met slechts 10 meter verschil en bracht het op 49 km en 441 meter. Vorig jaar is het pas verbeterd door de volslagen onbekende Tsjech Ondrej Sosenka, die in een uur tijd op een baan in Moskou 259 meter meer reed. Wie zal het eerst over de 50 kilometer gaan? Niet Chris Boardman, want die stopte in 2000 met de wielersport.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 26 augustus 2006 0:00

Gilberto SIMONI (1971, Italië)

Als familielid en plaatsgenoot van Francesco Moser raakte Gilberto al heel jong besmet met de wielerbacil en daarom wilde hij wielrenner worden en niets anders. Hij had talent, veel talent. Vooral als het omhoog ging en het liefst zo steil mogelijk. Dan was hij in zijn element. Zo werd hij een van de beste klimmers van zijn generatie en won hij twee keer de Ronde van Italië. In 2003 was hij zo sterk dat Stefano Garzelli en Sergei Honchar veel meer aandacht kregen bij hun strijd om de tweede plaats dan hij. In de drie jaar die volgden ging het in de Giro minder met de man uit Trentino, maar hij bereikte wel steeds het erepodium. In 2004 derde achter Cunego, in 2005 tweede achter Savoldelli en dit jaar derde achter Basso. Simoni heeft in Italië een grote schare supporters, maar onder zijn collega's is hij niet zo geliefd. In de Lampre-ploeg kreeg hij het vorig jaar aan de stok met Cunego en de ploegleiding liet hem vallen als een baksteen. Daarna had de gearriveerde vedette de grootste moeite om een nieuwe werkgever te vinden en dat heeft ongetwijfeld te maken met zijn reputatie. Dit jaar haalde hij in de Giro alle media met zijn bewering dat Ivan Basso hem tegen betaling de overwinning in de 20e etappe had aangeboden, toen ze samen aan de leiding reden. Simoni wees het aanbod van de hand, waarna Basso hem droogweg losreed en met een foto van zijn pasgeboren kind dolgelukkig over de finish kwam. Een merkwaardige actie als je net hebt geprobeerd de overwinning te verkopen. Simoni werd dan ook niet geloofd en hij kreeg drieduizend euro boete. Ik heb de stem van Simoni nooit gehoord, maar daar is iets bijzonders mee. Het vierjarige dochtertje van een echtpaar, dat tot de fanatieke supporters van Simoni behoort, werd door een auto aangereden en ze werd in coma in het ziekenhuis opgenomen. Vier maanden later ontwaakte het meisje, omdat haar ouders aan haar bed een bandje afdraaiden met de stem van het familieidool. Ze sloeg de ogen op en het eerste woord dat ze sprak was ‘Bebo’, het koosnaampje waarmee Gilberto in het gezin werd aangeduid. Zijn beeltenis staat sindsdien ongetwijfeld in menig kapelletje. (© Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 25 augustus 2006 0:00

« Vorige 1 2 3  ... 642 643 644 645 646 647 648 649 650 651 652  ... 660 661 662 Volgende »