Gustav KILIAN (1907, overleden 19.10.2000, Duitsland)

Ik heb vorig jaar onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van een boek over de geschiedenis van de `zesdaagse, met daarin levensbeschrijvingen van de grootste zesdaagserenners uit de geschiedenis per land. Waar het Duitsland betrof dacht ik direct aan mannen als Bugdahl, Altig en Thurau, maar toen ik me in de geschiedenis van de Sechstagenrennen ging verdiepen, stuitte ik op een koppel dat qua populariteit met kop en schouders boven de andere Duitsers uitstak. Heinz Vopel en Gustav Kilian. Vooral de laatste was een grote naam, want de Dortmunder is na zijn carrière nog vele jaren een zeer succesvol bondscoach geweest van de Duitse baanrenners. Die hebben onder zijn leiding in de jaren zestig en zeventig heel wat overwinningen behaald op wereld- kampioenschappen en Olympische toernooien. Zijn populariteit als zesdaagserenner dankte Kilian vreemd genoeg aan Adolf Hitler. In de jaren dertig was het fenomeen zesdaagse een waar volksfestijn in Duitsland waar altijd heel veel publiek op af kwam. Waar maar een wielerbaan lag, daar was een zesdaagse. De man die in de tweede wereldoorlog miljoenen mensen liet vermoorden, vond die zesdaagse maar een onmenselijk gebeuren en daar moest een eind aan komen. De grote matadoren weken daarom uit naar de Verenigde Staten en het koppel Kilian-Vopel groeide daar uit tot een bijna onoverwinnelijk duo. Van de 34 zesdaagsen die Kilian op zijn naam schreef, won hij het merendeel in Amerika. Pas in 1942 keerde hij in zijn vaderland terug en werd toen direct door de propagandamachine van Goebbels ingelijfd en met onderscheidingen behangen, omdat hij het aanzien van de Duitse sport in het buitenland zo triomfantelijk had hoog gehouden. In tegenstelling tot Vopel is Kilian heel oud geworden. Bijna 93 was hij toen hij de laatste adem uitblies. In de jaren daarvoor stond hij nog regelmatig in de krant omdat hij tot aan zijn dood nog bijna elke dag een ritje op de racefiets maakte. En dat vinden mensen altijd leuk, zo’n krasse knar.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 3 november 2006 0:00

Bennie CEULEN (1951, Nederland)

Ook al heeft iedereen nog een nare smaak in de mond van de laatste Tour de France, het is en blijft de belangrijkste wedstrijd van het jaar. De Tour is een instituut met een mondiale uitstraling. Als was het een land heeft de Tour ook ambassadeurs, die de belangen van de heren in Issy-les-Moulineaux in den vreemde behartigen. In Nederland is Bennie Ceulen die gezant en daarmee is deze sympathieke Limburger een van de machtigste mannen in het Nederlandse wielerlandschap, zeker als er sprake is dat de Tourkaravaan ons land weer eens gaat aandoen. Dan hengelen gemeentebesturen naar zijn gunsten, als was hij prinses Maxima. Niet dat dit iets bij hem teweegbrengt, want Bennie is de bescheidenheid zelve. Met zijn sonore Limburgse klanken produceert hij slechts weldoordachte zinnen en ik geloof niet dat hij vijanden heeft. Zelfs als de keus op Utrecht gaat vallen, dan zullen ze hem in Rotterdam of in Zeeland niet vervloeken. Ik heb in 2001 een interview gehad met Jean-Marie Leblanc. Die afspraak heb ik zelf geregeld, maar het was niet makkelijk. Talloze telefoontjes en faxen heb ik hem gestuurd, voordat Jean-Marie mij in audiëntie wilde ontvangen. Met de hulp van Bennie was dat veel eenvoudiger geweest, daar ben ik van overtuigd. Toen ik een paar jaar later Bernard Hinault wenste te interviewen, was één telefoontje van Bennie voldoende om de vijfvoudige Tourwinnaar tegenover mij aan tafel te krijgen. Bennie Ceulen was ooit een bescheiden wielrenner die na zijn carrière sportjournalist werd. Op het gebied van de wielersport uitermate deskundig en er nooit op uit om renners de grond in te boren, als ze niet hadden gepresteerd wat de pers had verwacht. Bennie weet hoe het in de koers kan toegaan en die kennis gebruikt hij om zijn oordeel te vormen. Voor hem zijn wielrenners hardwerkende sportmensen en geen robotten. Bennie Ceulen wordt vandaag 55 jaar en ik wens hem nog vele jaren toe. (Foto: © Henk Theuns)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 1 november 2006 0:00

William WALKER (1985, Australië)

Toen Oscar Freire op het laatste moment moest afzeggen voor de Ronde van Spanje hoorde ik eigenlijk pas voor het eerst bewust zijn naam. William Walker, een Australiër. Natuurlijk wist ik wel dat hij bij Rabobank zat, maar wie hij was en wat hij gepresteerd had om voor het rijden van een grote ronde in aanmerking te komen was nog niet echt tot me doorgedrongen. Adri van Houwelingen, zijn ploegleider in de Vuelta, vertelde me dat die jonge renner van 20 jaar werd meegenomen om de ploeg te completeren en zijn ogen uit te kijken, want het is een toppertje in spe. Een klimmertje met een gouden toekomst. Ik ging op onderzoek uit en ik ontdekte dat de kleine Aussie in 2005 in eigen land een wedstrijd had gewonnen over 299 kilometer. Die koers ging van Melbourne naar Warnambool en als je die wint dan ben je daar iemand, begreep ik uit de commentaren. In Europa werd hij vijfde in de Thüringen Rundfahrt, zesde in de Tour de Gironde, zevende in de Ronde van de Toekomst en achtste in een Spaanse rittenkoers. Gezien zijn leeftijd veelbelovende uitslagen. Zijn belangrijkste triomf behaalde William Walker in het WK in Madrid, waar hij bij de espoirs tweede werd achter de Oekraïnse belofte Dmytro Grabovskyy. In de loop van dit jaar werd hij door de Raboleiding overgeheveld van het continental team naar het ProTour team en er was waarschijnlijk nauwelijks iets van hem vernomen als hij die onvedrwachte invalbeurt in Spanje niet had gekregen. Niet dat hij daar al potten heeft gebroken, maar hij keek er inderdaad zijn ogen uit, zoals Van Houwelingen voorspelde. Ik hoop dat hij genoeg gezien heeft om over enkele jaren in de voorste linies mee te dansen. De cols op, want daar ligt zijn toekomst. In de gaten houden.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 31 oktober 2006 0:00

Manuel QUINZIATO (1979, Italië)

Eigenlijk is er niet zo veel bijzonders te melden over deze Italiaan. Hij komt uit Bolzano, min of meer de hoofdstad van het Italiaanse gedeelte van Tirol. Dan zal het wel een klimmer zijn, is de eerste gedachte, maar dat valt tegen. Manuel staat in eigen land vooral bekend als een tijdrijder, een man die solo een enorm tempo kan ontwikkelen. Niet dat hij daarin een kampioen is, want zijn belangrijkste wapenfeit als jachtrijder is een tweede plaats in het Italiaans kampioenschap. De reden waarom hij vandaag in de Burgerlijke Stand op het hoogste treetje staat is het feit dat hij in de vijf jaar dat hij beroepsrenner is slechts één overwinning heeft behaald. En niet eens in een tijdrit, maar een rit in lijn op Nederlandse bodem nog wel. Dat was de tweede etappe van Den Bosch naar Sittard in Eneco’s Tour van dit jaar. Een lange rit van bijna tweehonderd kilometer met onderweg de nodige schermutselingen. Maar alles kwam steeds weer bij elkaar en op drie kilometer van de streep, toen de snelle mannen positie kozen, knalde een frêle renner in het lichtgroene shirt van Liquigas uit de groep en sloeg een gat van honderd meter. Toen begon het malen op de 12. Rammen met de blik op oneindig. Het verkrampte gezicht ontspande pas volledig toen Manuel Quinziato de finish passeerde. Een brede lach, want zijn eerste profoverwinning was een feit. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 30 oktober 2006 0:00

Maurice BLOMME (1926, overleden 11.04.1980, België)

Een renner uit een belangrijke époque van het Belgische wielrennen. Je had toen de grote drie in Van Steenbergen, Ockers en Schotte en daaronder een heel leger Belgen die grote koersen en klassiekers konden winnen en ook wonnen. Namen als Jan Adriaensens, André Rosseel, Marcel Rijckaert, Marcel Hendrickx, Raymond Impanis, Nest Sterckx, André Vlayen, Pol Schaecken en zo kan ik er nog wel twintig bedenken. En natuurlijk ook Maurice Blomme in zijn proftijd (1949-1959) een van de beste tijdrijders ter wereld. Dat duurvermorgen had hij opgedaan in de vele veldlopen waaraan hij als atleet had deelgenomen voor hij wielrenner werd. In 1950 won hij de Grand Prix des Nations, toen de meest prestigieuze tijdrit van het hele seizoen. Blomme zou ook een uitstekend wegrenner zijn geweest, maar als typische tijdrijder miste hij tactisch inzicht en liet hij zich door mindere renners nog wel eens in de luren leggen. Daarom is zijn erelijst niet groot. Hij startte slechts twee keer in de Tour de France. Dat was in 1950 en 1952 en hij reed de ronde beide keren niet uit. Wel won hij in 1950 een etappe. De meeste Vlaamse wielrenners werden na hun carrière of kroegbaas of fietsenmaker. Maurice Blomme werd beide. Overdag in de rijwielwerkplaats en ‚s avonds achter de toog pinten tappen. Dat was in Roeselare, de Oostvlaamse stad waar hij ook overleed.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 29 oktober 2006 0:00

Cora WESTLAND (1962, Nederland)

Soms krijgt de mens de pest aan zichzelf omdat hij of zij iets niet kan. Dat overkwam Cora Westland die voor de lol de racefiets van haar partner een had gepakt om op dat ding van Amstelveen naar Bussum te fietsen. Hooguit dertig kilometer was de afstand, maar ze redde het niet. Hoe ze uiteindelijk in Bussum is gekomen heeft ze me niet verteld, maar wel dat ze een grote minachting voor zich zelf voelde. De dag daarna werd ze lid van een wielervereniging en ze ging fanatiek trainen en open wedstrijden rijden. Daar was het bij gebleven als ze Monique Knol niet was tegengekomen. Die zag wel wat in dat lange blonde meisje, die inmiddels een pittig tempo kon draaien. Cora kwam bij Monique in de ploeg en het was haar taak om het peloton bij elkaar te houden, zodat de snelle Knol het in de sprint kon afmaken. Zo kwam ze in de nationale selectie en werd ze uitverkoren om in in Seoul in de Olympische wegwedstrijd te starten. Monique Knol was een van de favorieten. Westland offerde zich helemaal op en Knol won inderdaad goud. Vanwege haar talenten als temporijdster werd ze het jaar daarna opgesteld in de tijdritploeg bij het WK. Die ploeg kwam een seconde te kort voor een podiumplaats en bondscoach Hoekstra had gezien waar het aan schortte. Hij handhaafde Knol en Westland en verving de andere twee vrouwen door de volslagen onbekende Astrid Schop en de piepjonge Leontien van Moorsel. In het verre Japan werd dit viertal in 1990 wereldkampioen ploegentijdrit. Onder Hoekstra ging de nationale selectie steeds zwaardere wedstrijden rijden en dat was voor Cora een probleem. Ze had enerzijds haar studie en anderzijds had ze niet het lijf om als de veel lichtere Van Moorsel de cols te bedwingen. Ze won in 1991 bij het WK ploegentijdrit nog zilver, maar daarna wierp ze zich geheel op de studie. Haar drukke leven als ergotherapeute en moeder combineert ze nu nog met het trainen en begeleiden van jong vrouwelijk wielertalent. Ze heeft onlangs het westen verruild voor het noorden van het land en heeft daar die activiteiten voortgezet. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 28 oktober 2006 0:00

© Otto Beaujon

“Flandria is één van de meest roemruchte namen uit het Belgische wielrennen. De naam is het Latijnse woord voor Vlaanderen en in het Waals heet dat Flandres. Flandriens zijn Vlaamse stoempers. De geschiedenis van het merk gaat terug tot 1825, het jaar waarin grondlegger Alex Claeys de dochter van een smid trouwde, en met schoonvaders geld een ijzergieterij begon. De ‘Werkhuizen Claeys’ in Zedelgem bij Brugge brachten robuuste tractoren, zware diesel- en kleine tweetaktmotoren, kachels, potten en pannen, maaidorsers, gereedschap en fietsen voort. De eerste Claeys fietsen dateren van 1896 met de merknaam Westvlaamsche Leeuw. Vanaf 1959 sponsorde Flandria, inmiddels geleid door de vierde generatie, mijnheer ...

Geplaatst door Fred van Slogteren, 27 oktober 2006 10:00

Cees PRIEM (1950, Nederland)

Cees Priem was in de jaren zeventig een van de beste amateurrenners van ons land die in vierenhalf seizoen 46 overwinningen behaalde. Daaronder Olympia’s Tour en een aantal klassiekers, een bronzen medaille op de Olympische Spelen van 1972 en nog veel meer. Met dat visitekaartje stapte hij over naar de profs en hij werd als kopman binnengehaald bij de Nederlandse profploeg Frisol, onder leiding van Piet Libregts. Priem was allround, want hij kon goed tijdrijden, aardig bergop en ook nog een sprintje winnen en als het moest van razendsnelle mannen als Freddy Maertens en Rik Van Linden. Maar al in zijn eerste jaar als beroepsrenner kreeg hij rugklachten en dat ontwikkelde zich tot een hernia. Na de operatie had hij als renner ingeboet, want hij kon niet meer zo hard aan het stuur trekken en ook het bergoprijden was een stuk minder. Hij verloor zijn positie van kopman en hij verbond de rest van zijn rennersleven aan dat van Jan Raas, vriend en aangetrouwd familielid. Het was een hechte combinatie die na de breuk met Peter Post een eigen ploeg opzette voor sponsor Kwantum Hallen. Raas was de baas en Priem de personeelschef, want hij trok in het peloton de renners aan die in het systeem pasten. Na zijn carrière stortte hij zich enkele jaren in zijn eigen bouwbedrijf tot hij een aanbieding kreeg om een profteam op te zetten. Dat werd TVM en hij maakte er wat moois van. Met heel wat minder budget dan Raas bij Buckler en later bij Rabobank zette hij een sterke ploeg neer met jonge renners van overwegend Nederlandse bodem. Coureurs als Blijlevens, Knaven en Voskamp hebben zich bij hem ontwikkeld tot winnaars en hij werd een gerespecteerd ploegleider. Weleens wat horkerig en ontevreden ogend, maar iemand met het wielerhart op de juiste plaats. Tot de Tour de dôpage in 1998 het TVM-sprookje opblies. De Zeeuwse ploegbaas belandde in het gevang en dat is een periode geweest die emotioneel zwaar op hem heeft ingegrepen. Als goed zakenman heeft hij zich weer een bestaan verworven in de luwte van de echte wedstrijd en hij zal daar tevreden mee zijn. Hij weet immers welke risico’s een eerstverantwoordelijke loopt. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 27 oktober 2006 0:00

Marcus LJUNGQVIST (1974, Zweden)

Bij het dagelijks invullen van deze rubriek heb je een enkele keer een dag waar je geen raad mee weet. Het liefst heb ik onder de jarigen een bekende, iemand die ik ooit persoonlijk heb ontmoet. En als dat niet zo is iemand waaraan ik een herinnering heb en waar een mooie anekkedote aan kleeft. Ik ben nu eenmaal geen statisticus, maar een romanticus. Er moet een verhaal aan zitten, anders vind ik het niks. Vandaag is zo’n dag. Ik ken de namen van de heren Drogan, Ljungqvist, Martens, Saldow en Schmutz natuurlijk wel, maar daar houdt het mee op. Ik heb dagenlang zitten dubben wie ik zou kiezen en het is uiteindelijk die Zweed geworden met die moeilijk uitspreekbare naam. LIJOENGKWIST of zo iets. Een goede maar redelijk onopvallende renner. In Falun geboren en zoon van het echtpaar Leif en Kerstin. Het lijken namen uit ‚Eeuwig zingen de bossen’, de oervertelling uit Noord-Europa waar je spontaan depri van werd, omdat er een diepe treurigheid uit sprak. Hij woont als zoveel Scandinavische beroepsrenners in ...

Geplaatst door Fred van Slogteren, 26 oktober 2006 0:00

Viktor KAPITANOV (1933, overleden 02.03.2005, Rusland)

‚Een blok beton’, zo omschrijft oud-renner Jan Hugens deze Rus. Hij kent Viktor Kapitanov nog van de Olympische wegwedstrijd van 1960 in Rome. Een snikhete dag was het, volgens de Limburger en in die wedstrijd speelde het beroemde verhaal van het fluitje. De Nederlandse chef d’équipe was de Hoensbroekse burgemeester Martin, een goedwillende man die uitsluitend op basis van zijn regentschap die functie had gekregen. Verder werd hij niet gehinderd door veel kennis van de wielersport, maar dat was bij hem zelf onbekend. Hij verordonneerde de renners te demarreren als hij op zijn fluitje blies en Jan Hugens gaf daar al in de eerste ronde gevolg aan. Rondenlang zwoegde de Limburgse tempobeul aan de kop tot hij werd ingelopen en al zijn energie had verspeeld. De Russen deden het beter, want die hadden geen wielernitwit als coach, maar een deskundige legerofficier die precies wist wanneer en waar er moest worden aangevallen. Kapitanov voerde de orders perfect uit en hij kreeg alleen de Italiaan Livio Trape mee. Samen reden ze naar de meet en de Rus klopte Trape makkelijk. Hugens werd met een twaalfde plaats nog de beste Nederlander. Martin had met dat fluitje zijn eigen ondergang bewerkstelligd, want een jaar later stelde de KNWU voor het eerst een echte bondscoach aan. Dat was Joop Middelink en die is Kapitanov vast ook nog wel tegengekomen. De Rus stopte in 1961 en als kapitein in het Sowjet-leger werd hij belast met de leiding over de selecties, die er voor moesten zorgen dat de hamer en de sikkel over de hele wereld in de hoogste mast kwam.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 25 oktober 2006 0:00

« Vorige 1 2 3  ... 640 641 642 643 644 645 646 647 648 649 650  ... 664 665 666 Volgende »