Peter WINNEN (1957, Nederland)

Ik kende hem niet toen ik in het voorjaar van 1998 bij hem aanbelde. Een rijtjeshuis in een saaie straat in een Noord-Limburgs dorp. “Pa!!!”, riep de jongen die opendeed naar boven en even later kwam hij de trap af, bestoven door wit stof. Hij was de badkamer aan het slopen om een nieuwe te kunnen aanleggen, verontschuldigde hij zich. Nadat hij zich een beetje had opgefrist namen we tegenover elkaar plaats met mijn taperecorder in de dictaatstand. Het ging niet over zijn Tourprestaties en zijn fantastische overwinningen op l'Alpe d'Huez, maar om zijn ervaringen met ploegleider Peter Post, over wie ik een boek aan het schrijven was. Het werd een moeizaam gesprek. Steeds zorgvuldig geformuleerde, aarzelend uitgesproken diplomatieke antwoorden, waar ik geen moer aan had. Hij had de naam de intellectueel van het peloton te zijn, maar uit niets bleek dat hij ernstig over de persoon Post had nagedacht. Ik zuchtte en zette mijn bandrecorder uit en maakte hem duidelijk dat hij niet bang hoefde te zijn dat ik hem uitgebreid met naam en toenaam in het boek zou citeren. Hij keek me lang en doordringend aan en er vond een metamorfose plaats. Peter begon te praten over zijn jaren bij Post. De ene na de andere messcherpe analyse van de grote ploegbaas kwam over zijn lippen. Prachtige beeldende beschrijvingen hoe Post aan tafel te werk ging als de ploeg of een bepaalde renner in zijn ogen had gefaald. Ik zag Post rond de tafel stieren, tot hij achter de gewraakte renner stond en in steeds scherpere bewoordingen zijn ongenoegen uitte. Terwijl hij dat deed masseerde hij met die grote handen de schouders en de nek van de renner, die het liefst door de grond was gezakt. Ik hoorde het gefascineerd aan en kon het haast niet geloven, maar andere renners bevestigden later dat ze dat Post vaak hebben zien doen. Toen ik twee uur later wegging had ik fantastisch materiaal op de band staan. Peter Winnen was toen nog niet de gevierde auteur, maar een oud-renner die een schat aan ervaringen mooi op papier probeerde te zetten. Hij was al jaren bezig aan HET BOEK! Hij vertelde me over zijn twijfels.

Op eerste kerstdag 2000 pakte ik bij de kerstboom een cadeautje uit. Een boek, en wat voor boek. ‘Van Santander naar Santander’, door Peter Winnen. Ik schreef er een persoonlijke ondertitel in: ‘De twijfels voorbij’. Ik heb het in één adem uitgelezen. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 5 september 2006 0:00

Frederik VEUCHELEN (1978, België)

Ik had nog nooit van hem gehoord toen ik op 22 maart jl. op Sporza de laatste kilometers zag van de semi-klassieker Dwars door Vlaanderen. Een eenzame renner in het shirt van Chocolade Jacques vocht een strijd om seconden uit met een achtervolgende groep onder aanvoering van Tom Boonen. In diens spoor reden Nico Eeckhout, Nick Nuyens en Robbie MacEwen, veel bekendere namen dan die van die verbeten strijdende renner voorop: Frederik Veuchelen. In het resumé hoorde ik dat die al na tien kilometer was ontsnapt samen met drie anderen. Het viertal bereikte een maximale voorsprong van ruim 18 minuten, maar daarna ging de vermoeidheid een rol spelen. Het langst had de Fransman David Boucher het volgehouden, maar met nog maar acht kilometer te koersen moest ook hij Veuchelen laten gaan. De Belg hield stand, maar het was nipt want bij het ingaan van de laatste kilometer had hij nog maar 20 seconden over en dat was net genoeg om niet door de ontketende groep Boonen te worden ingehaald. De volgende dag las ik ergens: ‘who the fuck is Frederik Veuchelen?’ Bij navraag bleek het om een afgestudeerde sportleraar te gaan die pas op zijn 22e jaar met de wielersport begon. Drie jaar later werd hij prof en in zijn eerste seizoen won hij twee ritten in de de lastige koers Triptique Ardennais. Verder won hij in zijn eerste profjaar de Ronde van Vlaams-Brabant en de Memorial Van Coningsloo. In de interviews die Veuchelen in de dagen na zijn opzienbarende solozege in Dwars door Vlaanderen gaf, beloofde hij een spoedige bevestiging. Het is er nog niet van gekomen, maar het seizoen is nog niet voorbij.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 4 september 2006 0:00

René PIJNEN (1946, Nederland)

Een groot talent, dat bij de amateurs tot de wereldtop behoorde. In 1967 werd hij derde bij het wereldkampioenschap op de weg en een jaar later behoorde hij tot het gouden kwartet (samen met Den Hertog, Zoetemelk en Krekels) van de Spelen van Mexico. Hij tekende een profcontract bij Willem II Gazelle en hij stelde zeker niet teleur. Vooral in de Ronde van Spanje kon hij goed uit de voeten. In drie starts won hij vier ritten, maar hij kwam tekort in het hooggebergte. Maar zelf vond hij het niks bij de profs op de weg. Urenlang lummelen in een gezapig tempo en dan een finale met zestig in het uur. Dat laatste paste wel bij zijn explosieve karakter, maar het eerste niet. Hij werd zesdaagsecoureur, want daar rijden ze constant een finale. En hij werd een kei in dat werk. Hij maakte nog net de periode Post mee en samen met Leo Duyndam leek de Amstelvener zo maar ineens twee opvolgers te hebben. Maar de twee pasten niet bij elkaar en René ging alleen verder. Met wisselende koppelgenoten reed hij in dertien winterseizoenen naar 72 overwinningen in zesdaagsen. Daarmee stond hij lang op de tweede plaats achter Patrick Sercu, maar hij is later ingehaald door Danny Clark. Aan zijn carrière kwam een abrupt einde door een aderbreuk in de buikholte. Vele uren vochten de chirurgen voor zijn leven en het lukte hen hem bij de levenden te houden, ondanks het feit dat hij twee keer klinisch dood was. Sindsdien houdt René zich bezig met zijn hotel in Bergen op Zoom en de projectontwikkeling van sporthallen in het zuiden van het land. Maar het meest geniet hij van het leven en dat is een eigenschap die hij deelt met mensen die de dood in de ogen hebben gezien. Sport speelt nog steeds een grote rol in zijn bestaan. Fietsen, tennissen, jagen, hij vindt het allemaal even leuk en hij is een tevreden mens met wie je een prettig, maar kritisch gesprek over de wielersport kunt voeren. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 3 september 2006 0:00

Tom STEELS (1971, België)

Het is moeilijk om in de geschiedenis van de Belgische wielersport een record te vinden dat niet op naam van Eddy Merckx staat. Tom Steels was vier keer kampioen van België bij de beroepsrenners op de weg en daarmee is hij alle Belgische kampioenen uit het verleden de baas. Hij is een knap renner met een vlijmscherp eindschot, waarmee hij een aantal jaren lang tot de topsprinters van de wereld behoorde. Hij won twee keer Gent-Wevelgem, een keer de Omloop Het volk, de Schaal Sels, Dwars door België en nog veel meer. In de Tour won hij negen ritten en in de Vuelta twee. Toch is hij het bekendst geworden door het incident met de bidon. Dat gebeurde in de Tour van 1997. De vlakke etappes werden ook toen al steeds beslist met massaspurts en de tenoren van dat vak staan dan strak van de zenuwen als ze nog geen rit gepakt hebben. Dan zijn ze niet zichzelf meer, denk maar aan Tom Boonen in de Tour van dit jaar. In 1997 was dat ook het geval met Tom Steels. Sprinten is kwakken uitdelen en krijgen en dat moet je accepteren. Maar toen Steels in de finale van de zesde rit een kwak kreeg van Moncassin was de maat even vol. In volle sprint pakte hij zijn bidon en smeet die met kracht naar de Fransman. Een levensgevaarlijke actie, waarvoor de Vlaming zwaar gestraft werd. Hij mocht direct zijn biezen pakken en huiswaarts keren. Hij had er veel spijt van en hij wist dat hij alleen eerherstel zou krijgen met zijn benen. Het jaar daarop won hij dan ook vier ritten. Maar al had hij alle etappes gewonnen dat verhaal van die bidon is aan hem blijven kleven en er is zelfs een lied over gemaakt. ‘Tom Bidon’ heette het en het werd overal gezongen waar Tom aan de start kwam. Hij kon er wel om lachen.
De laatste jaren gaat het een stuk minder met de snelle man. Dat heeft enerzijds te maken met een hardnekkige virusinfectie en een reeks blessures. Anderzijds is er natuurlijk het feit dat er bij zijn ploeg Davitamon-Lotto nog een supersprinter rijdt met de naam Robbie McEwen. Daarom verkeert Steels in zijn ploeg in een vergelijkbare positie als Erik Zabel bij Milram. Zabel liet eergisteren zien dat hij nog steeds kan winnen. Hopelijk kan Tom dat ook.
(Foto © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 2 september 2006 0:00

Franco BITOSSI (1940, Italië)

Hij was een tijdgenoot van Jan Janssen en een tegenstander van formaat. Een sterk coureur met een mooie erelijst. Hij won de Ronde van Zwitserland, de Tirreno Adriatico en de Ronde van Catalonië en verder het Kampioenschap van Zürich en de Ronde van Lombardije. En dan nog een hele reeks van die Italiaanse eendagskoersen met vrijwel uitsluitend Italianen als winnaars. In de grote ronden was hij eveneens succesvol, hoewel hij net iets te kort kwam om daar als grote kanshebber mee te doen voor het podium. Hij won 21 etappes in de Ronde van Italië en vier in de Tour de France. Dat kwam hoofdzakelijk door zijn snelheid, maar Bitossi kon ook klimmen. Hij won bijvoorbeeld drie keer de bergprijs in de Giro. In de Tour de France van 1968 was hij heel dicht bij de eindoverwinning, want hij behoorde tot de acht kanshebbers die op enkele dagen voor het einde, met heel kleine tijdsverschhillen de top van het klassement vormden. Maar Bitossi fixeerde zich liever op het puntenklassement en dat heeft hij ook gewonnen. Hij is de enige renner in de geschiedenis van de Tour die als winnaar van dat klassement een rode in plaats van een groene trui mee naar huis heeft genomen. Na één jaar werd het experiment met een andere kleur weer beëindigd en werd het groen in ere hersteld.
Bitossi had een uitzonderlijke bijnaam. 'Het dwaze hart' werd hij genoemd, omdat zijn hart bij grote inspanningen wel eens oversloeg. Een kwaal waar meer renners aan lijden, maar in het geval van Bitossi was het geen beletsel om door te gaan.
Aan het WK van 1972 zal de Florentijn niet graag terugdenken. In de finale was het peloton weer bij elkaar gekomen en vier kilometer voor het einde demarreerde Bitossi. Hij sloeg een behoorlijk gat, maar het peloton hield hem in het vizier. Er werd fel op hem gejaagd met enkele blauwe truien van zijn landgenoten op kop. Het was Marino Basso die enkele tientallen meters voor de streep langs Bitossi spoot en de wereldtitel greep. Zelfs Eddy Merckx liet zich over de zaak uit. Die had er die dag alles aan gedaan om zelf te winnen, maar toen hij hoorde dat Basso het was geworden, zei hij: “dat is spijtig, Bitossi zou een veel waardiger kampioen zijn geweest”.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 1 september 2006 0:00

Michiel ELIJZEN (1982, Nederland)

Eind vorig seizoen kreeg Michiel een aanbieding van de Franse ProTour-ploeg Cofidis en in goed overleg met Nico Verhoeven van het continental team van Rabobank heeft hij samen met Mathieu Heijboer voor de ploeg van de telefonische kredietverlener gekozen. Heijboer verhuisde direct naar Zuid-Frankrijk, maar Michiel besloot de kat uit de boom te kijken en niet zoveel in zijn leven te veranderen. Een verstandige beslissing, want het seizoen is tot nu toe uiterst ongelukkig voor hem verlopen. De jonge renner uit Culemborg is echter iemand die goed met tegenslag kan omgaan en voldoende veerkracht heeft om met de blik op oneindig succes te blijven nastreven. Hij zal in ieder geval geleerd hebben dat het in tegenstelling tot veel andere ploegen bij Rabobank heel erg goed geregeld is. Maar niet ieder talent dat door Nico Verhoeven is opgeleid kan in de eigen ProTour-ploeg terecht en het past in de missie van Rabobank om jong talent op te leiden voor een plaats in het ProTour peloton en dat hoeft dus niet per se Rabobank te zijn. Wat Cofidis met de twee Nederlanders van plan is, moet worden afgewacht. De wijze waarop ze de zwaar geblesseerde Jans Koerts vorig jaar behandelden doet het ergste vermoeden, maar dat kan meevallen. In ieder geval heeft Michiel de voeling met Rabobank niet verbroken. Integendeel er is nog regelmatig contact met Nico Verhoeven, een man die zijn pupillen op de voet blijft volgen, ook al zijn ze al jaren bij hem weg. Of dat er toe zal leiden dat Michiel weer op het vertrouwde nest terugkeert, is op dit moment niet aan de orde. Maar als dat wel zo is, dan zal er zeker niet moeilijk worden gedaan over zijn persoon, want Michiel is een buitengewoon aardige jongen, zo hoorde ik van Jacob Bergsma. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 31 augustus 2006 0:00

Danny CLARK (1951, Australië)

Eigenlijk zijn het gastarbeiders, die Aussies. Al sinds mensenheugenis komen ze naar Europa. Met een koffertje met hun persoonlijke bezittingen en een fiets. Dat ze in hun vaderland vaak al een indrukwekkende erelijst bijeen hebben gereden, weet geen mens in Europa. Zo’n renner moet weer van voren af aan beginnen en met inzet en eerzucht schoppen ze het meestal vrij ver. En allemaal dromen ze van de dag dat hun carrière voorbij is en ze met een zak geld terug kunnen keren naar way down under. Zelfs Robbie McEwen, die toch helemaal verbelst is, weet wat hem te doen staat als het rennerseinde daar is. Onder die Australiërs was Danny Clark daar geen uitzondering op. Hij werd een geldwolf genoemd, want iedere verdiende frank of mark die hij niet voor zijn primaire levensonderhoud nodig had werd gespaard of belegd om maar als man in bonus naar zijn vaderland te kunnen terugkeren. Dat is hem meer dan gelukt, want hij was een grote en zijn carrière duurde lang. Weliswaar in het zesdaagsencircuit, maar als er een renner is die vindt dat dat niets voorstelt, dan moet Patrick Sercu die direct maar eens een contract aanbieden. Kijk maar eens naar de koppen van die uitgepierde gelegenheidsbaners na een ploegkoers van drie kwartier. Kapot zijn ze, terwijl de echte specialisten dan pas lekker gerodeerd zijn voor nog twee van die inspanningen op een avond. In dat wereldje is Danny Clark een heel grote geweest. Qua aantal overwinningen de op een na beste uit de wielergeschiedenis. Geliefd bij het publiek, maar veel minder bij zijn collega’s omdat hij hongerig altijd alles wilde hebben. Maar Peter Post zei het al eens tegen me, als je in dat wereldje de top wil bereiken, dan moet je een sekreet zijn. “Kijk maar naar Altig dat kreng, kijk maar naar Bugdahl, ook zo’n etter.” En kijk ook maar naar Post en Clark, zou ik er aan toe willen voegen, want die konden er ook wat van. Spijt hebben ze er niet van, waarom zouden ze ook en ik denk dat Danny hier 20.000 kilometer vandaan nog vaak met een glimlach terugdenkt aan de vele loeren die hij zijn collega’s (!) heeft gedraaid. En wat heeft het publiek daar van genoten. (Foto: archief Wim van Eyle)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 30 augustus 2006 0:00

Ole RITTER (1941, Denemarken)

Denemarken is geen groot wielerland, maar al sinds het bestaan van de wielersport komen er uitzonderlijke renners uit het kleinste Scandinavische land. De eerste Deense superkampioen was Thorvald Ellegaard (1877-1954) en na hem kwam een lange reeks Deense toprenners die ongeveer eindigt bij Bjarne Riis en Rolf Sörensen. Ergens middenin die lijst staat de naam Ole Ritter en dat was een begenadigd hardrijder. Hij reed zowel op de weg als op de baan, maar zijn vele records hebben vooral zijn naam gevestigd. Op 10 oktober 1968 verbeterde hij op de splinternieuwe Olympische piste van Mexico City het werelduurrecord met een afgelegde afstand van 48,653 kiometer. Vier jaar later werd hij - met 778 meter meer - onttroond door Eddy Merckx en die was toen echt op het toppunt van zijn atletische vermogens. Ondanks die wetenschap ondernam Ritter in 1974 twee pogingen om het record terug te krijgen, maar hij faalde. Hoewel falen? Hij verbeterde beide malen zijn eigen beste tijd, maar bleef net onder de 49 kilometer steken. Ook achter de motor vestigde hij records, maar die werden niet als zodanig erkend. Dat was meer iets voor het Guiness Book of Records. Op de weg won hij een hele reeks tijdritten in diverse rondritten. Een zevende, een negende en een twaalfde plaats in het eindklassement van de Ronde van Italië bewijst dat hij ook als ronderenner over uitstekende kwaliteiten beschikte. Hij wordt vandaag 65 jaar, maar de naam Ritter is nog op elk fietspad van zijn vaderland te bewonderen. Althans fietsen met zijn naam erop, want na zijn loopbaan begon Ole Ritter een groothandel in fietsen, kleding en rijwielonderdelen. Er bestaan echter geen Ritter racefietsen, want die importeert hij uit Italië van het merk Fondriest.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 29 augustus 2006 0:00

Roger PINGEON (1940, Frankrijk)

Tussen de regeerperiodes van Anquetil, Merckx, Hinault, Indurain en Armstrong mochten in de Tour de France andere renners even aan de top plaatsnemen. Ze worden tussenpausen genoemd en daardoor lijkt het alsof het om veel mindere renners gaat. Dat is maar gedeeltelijk waar, maar in tegenstelling tot de bovengenoemde goden hebben deze halfgoden een achilleshiel. Bij Roger Pingeon, die de Tour een keer won tussen de periodes Anquetil en Merckx in, was dat zijn grilligheid. De ene dag kon hij alles om de andere dag een diepe inzinking door te maken. In de Tour van 1967 was hij er een keer van gevrijwaard en hij won, terwijl er toch grote renners meededen die in het lijstje van favorieten boven hem stonden. Door een tactische meesterzet van ploegleider Bidot pakte Pingeon al in het begin van die Tour een grote voorsprong en stond die niet meer af. Een jaar later had hij wel weer catastrofale inzinkingen, nadat hij tot twee maal toe de hele meute op grote achterstand had gefietst. Daardoor werd hij slechts vijfde op drieënhalve minuut van winnaar Jan Janssen. Het was de story van zijn leven, maar die ene overwinning staat als een huis in de annalen. 1969 was misschien wel zijn beste jaar, maar toen kreeg hij te maken met een superieure Eddy Merckx die dat jaar alles won en slechts de kruimel van de tweede plaats aan Pingeon liet. Erg populair is hij nooit geweest, want hij miste de uitstraling die het publiek vertaalt in aantrekkingskracht. Een altijd wat nors kijkende man, met lange, dunne benen waardoor hij de bijnaam ‘de steltloper’ kreeg. Na zijn carrière werd hij bloemist en tijdens de Tour werd hij ingehuurd door de Franstalige Zwitserse televisie. Zijn teksten waren weinig inspirerend en na een aantal jaren werd hij bedankt voor de moeite. Met een nurkse reputatie verdween hij in de anonimiteit. Hij ontbrak in 2003 als enige bij het eeuwfeest van de honderdjarige Tour in het gezelschap van alle nog in leven zijnde Tourwinnaars. Wat de reden van zijn absentie was, weet ik niet, maar het verbaasde niemand.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 28 augustus 2006 0:00

Sylvère MAES (1909, overleden 05.12.1966, België)

Toen hij in 1936 zijn eerste Tour won was hij nog maar 25 jaar en drie jaar later 28 toen hij zijn tweede Touroverwinning behaalde. Die tweede had al in 1937 behaald kunnen zijn, maar door allerlei chauvinistische manipulaties van de Franse inrichters, die liever hun landgenoot Lapébie zagen winnen, ging Maes met de hele Belgische ploeg voortijdig naar huis. In 1939 had hij eigenlijk maar één grote concurrent en dat was de Italiaan Gino Bartali. Daarom is het best verantwoord om te stellen dat hij de Tour nog enkele malen had kunnen winnen als er geen oorlog was geweest. Hij was een echte ronderenner die zijn krachten goed kon verdelen en zich zelden liet verrrassen. Na de tweede wereldoorlog koerste hij nog enkele jaren, maar grote successen waren er niet meer bij.
In 1950 werd hij door de Belgische wielerbond aangesteld als ploegleider van de nationale ploeg, die onder meer in de Tour de France werd ingezet. Die ploegleiders van toen – Marcel Bidot voor Frankijk, Alfredo Binda voor Italië, Kees Pellenaars voor Nederland en Maes dus voor België – hadden in feite alle macht en Maes maakte nog wel eens keuzes die niet in het belang van de Belgische kansen waren. Daarin speelde de verborgen strijd tussen Vlamingen en Walen een grote rol. Er is zelfs wel eens gesuggereerd dat Maes graag voor eeuwig de laatste Belgische Tourwinnaar wilde blijven. Waar het zijn eigen waarneming betreft is hem dat gelukt, want hij overleed in 1966 en pas drie jaar later werd hij als Belgische Tourwinnaar opgevolgd door Eddy Merckx. Zijn café Au Tourmalet in Gistel – langs de route van de Ronde van Vlaanderen – is een soort bedevaartsoord voor de echte Vlaamse wielerliefhebber en dat is het bij mijn weten nog steeds, veertig jaar na het verscheiden van Lepe Peer.

(op de foto Maes in gesprek met collega Kees Pellenaars)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 27 augustus 2006 0:00

« Vorige 1 2 3  ... 584 585 586 587 588 589 590 591 592 593 594  ... 602 603 604 Volgende »