ad ad ad ad
Deel 3 is uit

Hugh PORTER (1940, Groot Brittannië)

Hugh Porter is de Maarten Ducrot van Groot Brittannië, want hij verzorgt als oud-renner het verslag van wielerwedstrijden op de BBC. Als zodanig is hij net zo populair als hij destijds als renner was. De man die Hugh tot de wielrennerij bracht was de fameuze Britse sprinter Reginald Harris. Porter was tien jaar toen hij ‘The Lord’ zag fietsen op de Halesowen piste in zijn geboortestad Wolverhampton. De kleine Hugh zeurde zijn ouders de kop gek en zijn vader – die zelf wielrenner was – beloofde hem een fiets als hij zijn school naar behoren had afgemaakt. Toen Hugh zestien was, was het zover en hij vroeg zijn eerste licentie aan. Porter geldt als een van de beste Britse wielrenners aller tijden en dat heeft hij voornamelijk te danken aan de vier wereldtitels, die hij tussen 1968 en 1973 behaalde in het nummer 5 kilometer achtervolging op de baan. Zijn palmares in die jaren is indrukwekkend. In 1967 2e achter Tiemen Groen; in 1968 winnaar door winst op Ole Ritter; in 1969 2e achter Ferdi Bracke; in 1970 1e door winst op Lorenzo Bosisio; in 1971 3e achter Dirk Baert en Charly Grosskost, in 1972 1e door winst op Bracke en een jaar later nog eens 1e door een overwinning in de finale op René Pijnen. Een prachtige reeks die nog meer reliëf krijgt door zijn prestaties in andere disciplines van de wielersport. Op de weg was hij een hele baas, maar zijn successen als wegrenner behaalde hij hoofdzakelijk in zijn vaderland. Het is op het vasteland van Europa vrijwel niet bekend dat hij bij de Gemenebest Spelen van 1966 twee maal goud won, op de weg en in de achtervolging. Verder reed Porter vele zesdaagsen, maar daar was hij niet zo succesvol, hoewel hij meestal aan grote mannen werd gekoppeld als Altig, Bugdahl, Gowland en Doyle. Aan de carrière van de tempobeul kwam min of meer een eind toen hij op de terugweg naar Engeland, na het behalen van zijn laatste wereldtitel in San Sebastian, bij een verkeersongeval betrokken raakte en zijn dijbeen brak. Hij kwam nog wel terug maar de macht was uit die poot en hij sukkelde nog enkele jaren door ver onder zijn niveau. In 1977 stopte hij er mee. (Foto: archief T&T Tekst & Traffic)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 24 januari 2007 0:00

Jan DERKSEN (1919, Nederland)

Wat moet ik nog over deze man te berde brengen wat jullie nog niet weten? Al sla je me dood. Alles is al gezegd en geschreven over dit sieraad van de wielersport, dat vandaag 88 jaar wordt. Het is een soort Jan Derksen Week. Zondag was het Museum van Hans aan hem gewijd, gisteren stonden de ordners van Jan in het teken van de vroegere supersprinter en morgen presenteert Henk in zijn wasserette een echte kampioenstrui van de Lange Jan van Amsterdam, zoals hij in Kopenhagen werd genoemd. Jan Derksen is als wielrenner geboren en hij zal ongetwijfeld als wielrenner dit ondermaanse verlaten. Hij heeft alles bereikt wat hij wilde bereiken, ook al stak de tweede wereldoorlog ook een behoorlijke spaak in zijn wiel. Drie keer wereldkampioen, ontelbare nationale titels en ik weet niet hoeveel overwinningen waar geen titel maar wel vaak een grote prijs aan verbonden was. Tot zijn grote verdriet zag hij na zijn afscheid als renner de belangstelling voor de baansport dalen tot ver onder nul. Niemand maakte zich daar echt druk om, behalve Jan. Overal declameerde hij hartstochtelijk zijn passie voor de baan. Men hoorde hem belangstellend aan, maar er gebeurde niets. Tot het vanzelf weer ging leven. Hij mag gelukkig nog beleven dat zijn sport weer het aanzien heeft dat het zo lang heeft ontbeerd. Hij heeft ook vreselijk veel plezier in het fenomeen Theo Bos, zijn opvolger. Het betekent dat hijzelf niet de geschiedenis zal ingaan als de laatste der grote sprinters. De lijn Moeskops, Van Vliet, Derksen is naar deze tijd doorgetrokken en hopelijk zal Theo Bos nog zoveel losmaken dat er ook voor hem opvolgers opstaan. Want de sprint is het elitenummer van het wielrennen. Dat hield hij mij enkele jaren geleden nog eens voor en hij keek er zo fanatiek bij dat ik geen weerwoord aandurfde. De sprinters zijn de aristocraten van de wielersport. Ik weet niet of dat zo is, maar waar het hemzelf betreft heeft hij zeker gelijk. Koningin, sla die man tot ridder nu het nog kan. Jan Derksen, Ridder van het Snelle Wiel. Nog vele jaren beste Jan!!! (Foto: archief T&T Tekst & Traffic)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 23 januari 2007 0:00

Andrei TCHMIL (1963, België)

Zo midden in de jaren tachtig onderging het internationale wielerpeloton vrij geruisloos een grote metamorfose. De Briek Schottes en de Tuur Decabooters waren op en voor dat soort types kwamen ideale schoonzonen in de plaats. Gesoigneerde jongens met goede opleidingen die anders koersten dan de Vlaamse houwdegens van weleer. Ze hoefden zich niet meer van februari tot november uit de naad te fietsen om hun geld te verdienen, want ze kregen – dankzij Greg LeMond - riante salarissen van de firma. En toen werd in 1989 het ijzeren gordijn opgerold en kwamen de Sowjet-krijgers meeëten aan de welgevulde ruif van het West-Europese profwielrennen. En daar waren ze weer de coureurs in armoe grootgebracht, die dankzij de fiets een andere wereld konden binnentreden. Aan Tchmil kon je zijn povere afkomst nog het meest afzien. Geboren in Rusland, stond hij jaren te boek als Moldaviër om ineens tot ieders verrassing Belg te worden. Hij woonde eerst in Italië om vervolgens ingezetene van Roubaix te worden. Roubaix of all places, wie wil er nu in Roubaix wonen? Je wil er als wielrenner winnen en dan als de wiedeweerga maken dat je wegkomt uit die sombere industriestad vol met werklozen. Maar Tchmil hoorde daar, hij won op weergaloze wijze een van de mooiste afleveringen van de Hel van het Noorden. Ik zie hem nog als een veldrijder solerend een rotonde nemen. Rechtdoor ging-ie met zijn fiets over de obstakels springend. Hij was voor die koers gemaakt en toen hij alleen over de finish kwam, moesten er heel wat washanden aan te pas komen om na het verwijderen van alle modder en slik te kunnen controleren of het inderdaad wel Tchmil was. Hij was het en hij keek somber met zijn kei naar de camera’s. Echt blij was-ie nooit. Misschien thuis, in het geniep als hij zijn zuurverdiende centen zat te tellen en aan zijn armoedige jeugd dacht in Chabarovsk. Die rotonde ergens in Noord-Frankrijk ligt er nog, maar er is geen Tchmil meer. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 22 januari 2007 0:00

Martin VAN GENEUGDEN (1932, België)

Een klasbak deze coureur uit Belgisch Limburg. Hij had veel inhoud en hij was snel. Hij won in zijn loopbaan maar liefst 204 bloementuilen in zeer uiteenlopende wedstrijden. Hij was goed in eendagskoersen, maar ook in rondritten. Hij won zes etappes in de Tour de France en hij excelleerde ook enkele malen in Bordeaux-Parijs, de monsterrit die hij helaas niet op zijn palmares heeft staan. Zijn belangrijkste overwinning in eigen land was zijn zege in Dwars door België in 1962. Een loodzware koers met bijna uitsluitend karakterrenners op de erelijst. Van Geneugden is een vrolijke man, die nog altijd positief in het leven staat. Hij maakte echter de fout om na zijn carrière te gaan kotsen. Hij bracht een aantal verhalen naar buiten over dopinggebruik en dat moet je niet doen. Dan wordt je door de wielerkerk geëxcommuniceerd. Als je dan zonodig moet praten doe het dan als actief renner en vergeet daarbij dan niet je eigen rol, wordt dan altijd gezegd. Maar dat heeft Van Geneugden niet gedaan, waardoor zijn persoon voor sommige van zijn tijdgenoten persona non grata is. Hij zit er niet mee, want hoewel zijn gezondheid de laatste jaren te wensen overlaat is de Genkenaar nog altijd een goedlachse man en in eigen streek een graag geziene gast in forums bij sportbijeenkomsten. Vorig jaar kwam hij nog in het nieuws als lijstduwer van de politieke partij PVDA in zijn woonplaats Genk. Snel is hij niet meer, want hij beweegt zich voort met een stokje, maar de gulle lach heeft weinig aanmoediging nodig om vol door te breken. De driekwart eeuw maakt hij vandaag vol en de spirit is nog volop aanwezig om er nog een paar jaar aan vast te plakken.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 21 januari 2007 0:00

Jan NOLTEN (1930, Nederland)

1952 was voor mij een ellendig jaar. Als jongetje had ik me jarenlang in niets onderscheiden van mijn vriendjes en toen greep de natuur wreed in. Ik ging groeien. Niet een stukkie, maar wel een halve meter in nog geen jaar. Mijn lichaamsgewicht werd ineens over veel meer centimeters verdeeld en als een elastiek werd ik uitgerekt. Van een gemiddeld jongetje werd ik een lange, breekbare slungel. Mijn ouders prezen me de hemel in, want aan lengte kleefde alleen maar voordelen, zeiden ze. Maar de kinderen in mijn klas dachten daar heel anders over en iedere passant op straat informeerde of het boven koud was. Ik voelde me diep ongelukkig en als iemand mij op dat moment een cursus zelfdoding had voorgesteld, zou ik het ernstig hebben overwogen. Maar in juli 1952 was daar ineens Tourdebutant Jan Nolten. Op het cinemadoek van Cineac Reguliersbree. Een lange sliert met net zulke dunne staken als ik had en hetzelfde magere koppie met dat blonde achterover gekamde haar met brylcream. Een schok van herkenning en hoop. Want die slungel uit Limburg was in het hooggebergte van de Tour de France wel even zelf gaan voelen of het boven koud was en hij had op de Col de la Turbie Jean Dotto verslagen en op de Puy de Dôme Bartali, Geminiani en Robic achter zich gelaten en bijna Fausto Coppi geklopt. Er was dus hoop. Wat hij met dat onooglijke lijf kon, moest ook voor mij zijn weggelegd, dacht ik en de eerste voorbijganger die naar de temperatuur op mijn hoogte informeerde, kreeg de wedervraag of het daar beneden stonk. Ik liep op wolken en ik durf te stellen dat Jan Nolten mij destijds, zonder het te weten, een stuk zelfvertrouwen heeft geschonken. In augustus jongstleden stond ik tijdens de Eneco Tour in Landgraaf oog in oog met mijn evenbeeld van toen. In zijn lengte had ik mij niet vergist. Met Jefke Janssen aan zijn zijde geleek hij op Watt met Halfwatt. Ik overwoog even om hem over 1952 te vertellen. Ik heb het niet gedaan, omdat ik niet het gevoel had dat hij me daarna nog voor vol zou aanzien. Een beetje gêne mag een mens toch houden, lijkt me. Toch bedankt Jan, al weet je niet waarom.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 20 januari 2007 0:00

Hans DAAMS (1962, Nederland)

Hans behoort tot de renners van wie de carrière voortijdig is afgebroken door het fenomeen hartritmestoornissen. Tot die categorie behoren ook klasbakken als Rini Wagtmans en Danny Nelissen. Er zijn er ook die die waarschuwing niet gekregen hebben en nu niet meer onder ons zijn. Ik ben geen medicus, maar er zijn volgens mij teveel (oud)wielrenners en wielrensters veel te jong om het leven gekomen door een hartstilstand. Bij ieder bericht daarover verbaas ik me weer dat iedereen zich ontzettend druk maakt over doping, terwijl hartstilstanden als een voldongen feit worden geaccepteerd. Waren die gevallen niet te voorkomen geweest door een diepgaand hartonderzoek bij het begin van een carrière? Toen vorig jaar een voetballer om het leven kwam door een hartstilstand zag ik op TV een item, waarin een volleyballster vertelde dat ze vrijwillig een hartonderzoek had laten doen. Toen werd een kleine hartafwijking vastgesteld die door een operatie verholpen is. Van een potentiële hartstilstanddode is ze nu weer een gezonde sportvrouw. Nooit meer iets van gehoord of over gelezen, doodse stilte. Terwijl er vrijwel wekelijks kolommen worden volgeschreven over doping, waardoor nog geen enkele dode is gevallen. Ik begrijp dit totaal niet. Gelukkig zijn Rini Wagtmans, Danny Nelissen en ook Hans Daams tijdig gewaarschuwd. Hans kan terugkijken op een korte maar mooie carrière als beroepsrenner en hij is nu eigenaar van een bloeiende racefietsspeciaalzaak in Valkenswaard. Kan niet eens een cardioloog - met een passie voor de (wieler)sport - met een deskundig en begrijpelijk antwoord reageren? (Foto: archief Wim van Eyle)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 19 januari 2007 0:00

Gerrit VOORTING (1923, Nederland)

Het mooiste vond ik altijd zijn stijl, Doodstil op de fiets, alleen de slanke beentjes maalden en dan die licht wiegelende gang. Een prachtige afgetrainde atleet. En dat is hij als 84-jarige nog steeds. Het is niet te geloven hoe fantastisch die man nog fietst op zijn Jan Janssen, die hij van zijn vrienden cadeau kreeg ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag. Het ravenzwarte haar is allang wit geworden en de gelooide bruine huid verraadt het leven van een buitenman. Hij was een echte beroepsrenner, zo eentje die een gulden doormidden beet, met een voor die tijd rijke palmares. Een heel succesvolle renner. In de jaren vijftig behoorde hij met Wim van Est en Wout Wagtmans tot de top van Nederland. Hij droeg het roze van de Giro en het geel van de Tour en op de Olympische Spelen van 1948 behaalde hij een zilveren medaille in de wegwedstrijd. Toen ik eens bij hem thuis was om over die wedstrijd te praten, vroeg ik of ik die medaille mocht zien. Hij had hem niet meer. Een neefje had hem eens geleend en nooit meer teruggebracht. Maar Gerrit zat er niet mee, hij kan alles perfect relativeren. Wat ik ook altijd in hem heb gewaardeerd is het feit dat hij altijd zegt waar het op staat. Hij is geen ruziezoeker, maar als hij vindt dat hij door iemand tekort is gedaan dan windt hij er geen doekjes om. Vierentachtig jaar en nog altijd een sieraad voor de wielersport. (Foto: © Henk Theuns)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 18 januari 2007 0:00

Sébastian LANGEVELD (1985, Nederland)

Ik heb hem vorige week tijdens de presentatie van de Rabobankploeg 2007 langdurig bestudeerd, toen hij daar met zijn ploeggenoten zijn opwachting maakte voor de pers. Een jongen die nog jonger oogt dan de 22 jaren die hij vandaag volmaakt. Een prettig open gezicht met een triomfantelijke oogopslag alsof hij wil zeggen dat hij zijn eerste doel heeft bereikt: lid van een gerenommeerde ProTour-ploeg. Ik heb natuurlijk ook nog de beelden voor me van het NK van vorig jaar toen hij vooruit was met Michael Boogerd. Het dialoogje met een interventie vanuit de ploegleidersauto leerde mij en alle kijkers dat Sébastian zijn eisen had gesteld. Het was het moment om zijn troeven op tafel te leggen. Zij waren in hem geïnteresseerd en hij wilde zekerheid. Niet morgen of volgende week, maar nu. Now is the hour, now is the time! Het duidt op een jongen die weet wat hij wil en onconventionele methodes niet schuwt om zijn zin te krijgen. Ik denk dat hij na Thomas Dekker het tweede talent zal zijn dat niet afwacht, maar eist. Op basis van prestaties uiteraard en daar zal hij voor zorgen. In de Rabo Wielergids 2007 lees ik dat hij een liefhebber is die intens van de fiets houdt. Hij werd wat dat betreft vergeleken met zijn ploeggenoot Flecha. De Spanjaard is een renner die er altijd invliegt, zo eentje met schuim op de ziel. Als die vergelijking klopt, staan ons met Sébas mooie tijden te wachten. En dan hoop ik dat zijn ploegleiders wijs genoeg zijn om hem de kans te geven op zijn bek te gaan. Want een groot renner word je met schade en schande. Sébastian Langeveld, onthou die naam. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 17 januari 2007 0:00

Roger LAPÉBIE (1911, overleden, Frankrijk)

Deze Franse Bask had twee bijnamen en die zijn zwaar met elkaar in tegenspraak. 'La placide' betekent de rustige of de zwijgzame, terwijl 'le pétandier' zoiets betekent als de tijdbom. Hoe het ook zij, beide zijn overdreven. Lapébie kon zich heel rustig gedragen als alles naar wens verliep, maar als hij zich benadeeld voelde dan was het huis te klein. En benadeeld werd hij nog wel eens, maar ook flink bevoordeeld volgens de Belgen. Daarmee doelen ze op de door hem gewonnen Tour de France van 1937. Hij was bepaald niet als favoriet vertrokken, want na een veelbelovend profdebuut in 1932 waarin hij direct een zware bergetappe in de Tour won, waren de jaren daarna veel minder florissant. In 1934 ging het nog goed, maar hem werd de zege in Parijs-Roubaix ontnomen omdat hij van fiets had gewisseld. In de Tour streed hij voor het eerst mee in het klassement en hij eindigde als derde achter zijn streekgenoot Antonin Magne en de Italiaan Mantano. Hij leek op weg een topper te worden, maar in de twee jaar daarna reed hij als een krant. Pas in 1937 meldde hij zich weer bij de besten. In het voorjaar won hij op indrukwekkende wijze Parijs-Nice om direct daarna aan zijn voorbereiding op de Tour te beginnen. De favorieten waren de Belg Sylvère Maes, de winnaar van het jaar ervoor en het Italiaanse wonderkind Gino Bartali. In de eerste bergetappe greep de pas 23-jarige Italiaan magistraal de gele trui en voor de tifosi leek de Tour beslist. Maar Gino kwam een paar dagen later zwaar ten val en moest opgeven. De trui ging naar Maes. De organisatie deed toen een paar merkwaardige dingen die met elkaar in tegenspraak waren. De ploegentijdrit werd uit de ronde geschrapt, waardoor de Belgische ploeg van Maes ernstig werd gedupeerd en Lapébie kreeg anderhalve strafminuut aan zijn broek wegens ongeoorloofd geduwd worden op de Aubisque. Dit terwijl Maes ook voor iedereen zichtbaar werd geduwd. Zo kreeg Lapébie na zijn gewonnen bergetappe niet de gele trui, maar raakte hij verder achter op de Belg. De Franse supporters namen het niet en verzamelden zich voor het hotel van Maes en de agressieve spreekkoren hielden lepe Peer de hele nacht uit zijn slaap. Om bang van te worden was het en de man uit Gistel besloot niet meer te starten. Zo won Roger Lapébie zijn Tour. Misschien wel terecht, maar hij is nooit meer op het niveau van 1937 gekomen.

Geplaatst door Fred van Slogteren, 16 januari 2007 0:00

Maurizio FONDRIEST (1965, Italië)

Ik heb eens ergens gelezen dat de wereldkampioen van 1988 van Nederlandse afkomst is. Met de familienaam Van Driest vestigde een van zijn voorouders zich in Zuid-Tirol, ook wel bekend als Trente, en in de loop der tijd is Van Driest in Fondriest veranderd. Ik heb het nooit ergens bevestigd gezien, maar Maurizio Fondriest is wel een van de weinige Italiaanse renners – misschien wel de enige - geweest die in Nederlandse dienst (Panasonic) tot uitstekende prestaties kwam en door ploegleider Peter Post als een voorbeeld voor de hele ploeg werd gezien. Post trok hem in 1990 aan, omdat de UCI punten ging toekennen aan uitslagen. Met de verzamelde punten van hun renners waren ploegen gerechtigd aan bepaalde wedstrijden deel te nemen. Post had punten nodig en zowel de wereldkampioen 1988 als die van 1990 (Rudy Dhaenens) tekenden voor de miljoenenformatie van De Lange. Onder het strenge regime van Post kwam de snelle Italiaan tot volle wasdom en met een hele reeks knappe uitslagen won hij in 1991 de wereldbeker. Zijn wereldtitel was een grote verrassing, want de Trentijn was toen nog maar net een jaar beroepsrenner. Hij heeft die titel later meer dan bevestigd. In 1993 won hij drie klassiekers (Milaan-San Remo, De Waalse Pijl en het Kampioenschap van Zürich), almede de Tirreno Adriatico. Die reeks was meer dan voldoende voor zijn tweede wereldbeker. Voor de grote rondes had Maurizio van Driest wellicht te weinig in huis, maar een 15e plaats in de Tour en een 8e in de Giro bewijzen dat hij niet louter een meerijder was. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 15 januari 2007 0:00

« Vorige 1 2 3  ... 470 471 472 473 474 475 476 477 478 479 480  ... 502 503 504 Volgende »