Leontien ZIJLAARD-VAN MOORSEL (1970, Nederland)

In december vorig jaar heb ik voor het eerst echt met haar gesproken. Anderhalf uur lang, want zij is één van de 26 hoofdpersonen in mijn boekje ’26 rondjes in het groene hart’. De afspraak maken had enige voeten in aarde, maar toen ik met fotograaf Philip van der Ploeg bij haar op bezoek was, in het bedrijfspand van Leontien Total Sports, had ze ook alle tijd voor ons. Met de kaart op tafel gaf ze haar rondje Schoonhoven aan, een ommetje van zo’n 80 kilometer dat ze, in de tijd toen ze voor haar grote successen trainde, vaak twee keer achter elkaar reed. Eerst alleen op tempo om daarna terug in Nieuwerkerk aan den IJssel achter de rug van schoonvader Ome Joop of van haar ventje Michael te kruipen. Het getuigt van een geweldige discipline dat ze dat dag na dag deed, weer of geen weer. Het werd een goed gesprek waaruit ik voldoende bruikbaar materiaal haalde voor het boekje. Helaas was het die dag noodweer. Het stormde en de regen striemde alles wat buiten stond of reed. In dat weer ga je geen foto’s maken, dus Philip was voor niks gekomen. Gelukkig niet helemaal voor niets, want hij maakte een mooie reportage van een pratende Leontien met haar Mopshondenpuppy op schoot. Ze was een paar dagen daarvoor in het programma Max en Catherine te gast geweest. Daarin werden weer die vreselijke beelden vertoond uit haar anorexiatijd en ik vertelde haar dat ik het moeilijk vond om daar naar te kijken. Ze antwoordde dat ze dat ook had gehad, maar er nu wel aan gewend was omdat die beelden steeds weer worden vertoond. Ik vroeg haar vervolgens of die opmerking van de toenmalige bondscoach Piet Hoekstra – die dikke konten moeten eraf – nu echt de oorzaak was geweest van die gekte om af te vallen tot er vrijwel niks overblijft. Ze hield een warm pleidooi voor Piet en stelde dat het vooral haar eigen eerzucht is geweest die haar zo ver heeft gedreven. Ik keek nog eens op de kaart naar dat rondje en ik begreep wat ze bedoelde. Ze rijdt nu nog regelmatig de helft van die omloop, die nu als Rondje Tinus in het boekje staat. Langs dat wonderschone riviertje de Vlist. Ze geniet volop van de omgeving op een hybride met een mandje achterop. Voor haar twee mopshondjes. En af en toe een bakkie doen onderweg. De metamorfose van een geweldige sportvrouw.

Geplaatst door Fred van Slogteren, 21 maart 2007 23:00

Hugo KOBLET (1925, overleden 06.11.1964, Zwitserland)

Zúrich is de geboortestad van Hugo Koblet, een van de grootste legenden uit de wielersport. In diezelfde stad staat ook de Oerlikon wielerbaan en ten tijde van Koblets jeugd was er de fietsenwinkel van Leo Amberg, een van de beste Zwitserse wielrenners van voor de tweede wereldoorlog. Op 15-jarige leeftijd kreeg Hugo een baantje bij Amberg in de werkplaats. Hij werd rijwielhersteller en geïnspireerd door de heldendaden van zijn baas ging hij op de Oerlikonbaan eens proberen of hij er ook wat van kon. Hij werd gelijk geïnfecteerd met de wielerbacil en hij trainde elke ochtend voor het werk dat de stukken eraf vlogen. Drie jaar later was hij Zwitsers kampioen achtervolging en had hij de Omloop van de Vier Kantons op zijn naam staan. A star was born. Hij manifesteerde zich vooralsnog vooral als een achtervolger en na de oorlog en vanaf 1947 was hij in die discipline acht jaar op rij profkampioen van zijn land. Op de weg duurde zijn doorbraak tot 1950 het jaar waarin hij zowel de Ronde van Zwitserland als die van Italië won. Hij was in één klap een vedette, die in eigen land had af te rekenen met Ferdinand Kübler en in het buitenland met coryfeeën als Coppi, Bartali, Magni, Bobet, Geminiani, Robic, Van Steenbergen, Ockers en Schotte. In 1951 won hij de Tour de France op een manier die legendarisch is geworden. Hij won vijf ritten en zijn zege in de etappe van Brive naar Agen was een demonstratie van macht als zelden vertoond. In zijn eentje realiseerde hij een voorsprong van vier minuten en hield die 150 kilometer lang vast op een fel jagend peloton met alle groten van zijn tijd, die ook in de Alpen en de Pyreneeën door hem werden vernederd. Maar zijn rijk duurde maar kort. Koblet was gek op vrouwen en zij op hem. De pédaleur de charme lustte er wel pap van en maakte gretig gebruik van al het aanbod. Hij liep een geslachtsziekte op en dat velde hem. Niet als mens, maar als groot wielrenner. Na genezing was de atletische macht verdwenen. Hij reed nog jaren door, won nog heel veel, maar niet meer op die indrukwekkende manier van daarvoor. Na zijn carrière ging het snel bergafwaarts met de voormalige godenzoon. Zijn huwelijk liep stuk, zijn zakelijke avonturen mislukten en op 2 november 1964 reed hij zich in zijn Alfa Romeo sportauto te pletter tegen een boom. Ook dat mislukte, want hij leefde nog vier dagen. Het leven van Koblet is merkwaardigerwijs nooit verfilmd, want het heeft alle ingrediënten van een groots en meeslepend drama.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 20 maart 2007 23:00

Jan HIJZELENDOORN (1929, Nederland)

Rond 1950 spaarde ik als jongetje plaatjes van Bob Uschi. Dat waren sportkarikaturen die je bij een of ander product kreeg. De hele familie spaarde mee en zo had ik ze op een dag compleet. Toen was het zeuren bij mijn moeder om het album waarin de plaatjes konden worden geplakt. Dat moest worden aangeschaft en daar was de nodige strijd voor nodig. Ik heb het uiteindelijk bemachtigd en toen kon met het potje Gluton en zo’n houten kwastje het plakken beginnen. Toen ze er allemaal in zaten overzag ik het geheel met genoegen, maar ik had het gevoel dat het niet af was. Onder elk plaatje stond de naam van de sporter en een stippellijntje. Daarop moest de handtekening worden gezet en hoe pak je dat aan? Ik besloot met de Amsterdammers te beginnen en die stonden er gelukkig overvloedig in. De rest zou in mijn latere leven wel worden geregeld. Zo ging ik op de vrije woensdagmiddag met mijn album bedremmeld naar de sigarenwinkel van Cootje Bergman in de Zoutsteeg, vol ontzag naar de benedenwoning van Jan Derksen in de Okeghemstraat en trillend van de zenuwen naar de stoffenkraam van Rinus van Raalte op de Lindengracht om van mijn idolen de benodigde krabbel te krijgen. Er moeten talloze Amsterdamse jongetjes met hetzelfde verzoek op ze zijn afgekomen, want ze zetten hun handtekening en verder niets. Ook bij de sigarenzaak van Piet Koekebakker in de Jan Pieter Heijestraat stapte ik binnen. Toen ik jubelend met de handtekening van het Blauw-Wit-kanon met mijn album naar buiten kwam, zag ik een wielrenner langs fietsen. Hij reed op een racefiets met een ...

Geplaatst door Fred van Slogteren, 19 maart 2007 23:00

Mirko CELESTINO (1974, Italië)

Mirko is een Italiaanse beroepsrenner die al sinds 1996 meedraait. Hij begon goed, want in de eerste jaren van zijn profbestaan won hij de HEW-Cyclassic Hamburg en de Ronde van Lombardije. Zijn naam was gevestigd maar bij die successen is het eigenlijk gebleven. Als ik lees wat er de laatste jaren allemaal over deze coureur is geschreven, dan rijst voor mij het beeld op van het type profcoureur, die met de UCI-kalender op tafel onder de kerstboom minutieus zijn programma uitkiest. ‘Daar rijd ik wel, maar niet voluit, daar wil ik wel winnen, maar met de rem erop, want de week daarna is er een koers die ik perse wil winnen. Daar blijf ik de hele dag achterin het peloton zitten, want dan heb ik geen stress en daar moet ik me even laten zien, want dat wil de sponsor.’ Hij zegt er nog net niet bij, ‘hoe zou het thuis gaan met de vrouw en de kinderen?’ Ik vind het prima dat renners bij hun ploegen goed betaald worden en dat ze het programma mogen rijden dat hen het beste past, maar dan moeten ze er wel staan in de wedstrijden die ze zo zorgvuldig uitkiezen. En dat kun je van Celestino al jaren niet meer zeggen. Een groot talent voor het eendagswerk, maar meer bezig met het gedreutel van het thuisfront dan met de instelling van een toprenner. Zo van: ‘en vandaag vreet ik ze allemaal op, wat er ook gebeurt.’ Dat is niet de mentaliteit van Mirko Celestino. Straks krijgen we nog coureurs die als huisman een deeltijdafspraak maken met hun vrouw. Geen probleem mee als die echtgenote Leontien van Moorsel, Gunn-Rita Dahle of de vandaag ook jarige Hanka Kupfernagel heet, maar die zouden waarschijnlijk nooit voor een leven met Mirko Celestino gekozen hebben, hoe groot zijn talent ook is. Waarmee ik niet wil zeggen dat alle coureurs van tegenwoordig zo zijn. Gelukkig niet. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 18 maart 2007 23:00

Pello RUIZ CABESTANY (1962, Spanje)

Spanje is geen land dat je direct met baanrenners associeert, zeker niet in het verleden. Pello Ruiz was echter een echte pistier toen hij in 1984 prof werd. In de amateurrangen behaalde hij acht Spaanse kampioenschappen op de baan, maar hij zag wel in dat daar als broodrenner weinig muziek in zat. Hij bleek op de weg ook tot veel in staat en behoorde in de tweede helft van de jaren tachtig tot de betere coureurs in het internationale wielerpeloton. In zijn debuutjaar won hij een rit in de Ronde van Valencia en een jaar later een rit in de Ronde van Spanje. De Ronde van Valencia zou hij ook een keer winnen, maar in de Vuelta was een vierde plaats zijn beste klassering. Die plaats behaalde hij overigens twee keer. In de Tour reikte hij niet zo ver, want een twaalfde plaats in 1990 was zijn beste resultaat. Pello Ruiz was een goede renner met een redelijke palmares, met heel veel ereplaatsen. Een moedige aanvallende renner maar een matig klimmer en ook een echte chauvinistische Spanjaard. Dat bleek in de Vuelta van 1985. Nadat Pedro Delgado de leiderstrui was kwijtgeraakt aan de Schot Robert Millar door een gigantische inzinking stond Perico in het klassement op dik zes minuten. In de laatste etappe leek het klassement gemaakt en toen een ongevaarlijke Spanjaard aan een solo begon en Delgado er achteraan sprong reageerde niemand. De afstand naar de finish was te gering om nog ver te komen, oordeelde Millar en hij accepteerde alvast de felicitaties van Pello Ruiz die gezellig naast hem reed en derde in het klassement stond. Ze lachten wat en ze hadden het over de ceremonie protocollaire die straks zou gaan plaatsvinden. Intussen zweeg de Tourradio in alle talen, maar alle Spanjaarden in het peloton en in de volgauto’s wisten dat Delgado al zeven minuten voorsprong had en bezig was de Ronde van Spanje te winnen. En zo werd Millar het slachtoffer van een omvangrijke Spaanse combine, zoals ook Denis Menchov in 2005 overkwam. En die Pello Ruiz maar feliciteren. Hij kreeg direct zijn verdiende straf, want hij kukelde mooi van het erepodium. Maar dat zal Delgado financieel wel goed hebben gemaakt.

Geplaatst door Fred van Slogteren, 16 maart 2007 23:00

Susanne LJINGSKOG (1976, Zweden)

Ze ziet er uit zoals je je een Zweedse voorstelt. Groot en blond. Een zeer ervaren renster in het internationale vrouwenpeloton. Met een erelijst van hier tot Stockholm. Ze won de Ronde van Toscane, de Holland Ladies Tour, ze was meerdere malen kampioene van Zweden, zowel in de individuele wegwedstrijd als in de tijdrit en ze was natuurlijk twee keer wereldkampioene. In 2002 in het Belgische Zolder en een jaar later in het Canadese Hamilton. Beide keren zat ze in het vaarwater van onze Mirjam Melchers. Mevrouw Van Poppel ging beide keren voor goud, maar ook twee maal was Susanne haar kwelgeest. In Zolder raakten ze elkaar in de finale en Ljungskog bleef overeind, terwijl Melchers op het asfalt stuiterde en in Hamilton gooide die verrekte ouwe taainagel Jeannie Longo roet in het eten, toen de dames in de laatste kilometers positie kozen. De onverwoestbare Française plaatste een demarrage en verscheurde daarmee alle strijdplannen. Atletisch was de schonkige Longo geen partij meer voor kanonnen als Ljungskog en Melchers, maar dan moesten ze haar wel gaan halen. En wie dat als eerste doet is geklopt. Een ijzeren wielerwet en om dat spelletje perfect te spelen heb je stalen zenuwen nodig. En de zenuwen van Melchers waren wel van staal, maar een van de grootste exportproducten van Zweden is edelstaal. Melchers pakte Longo en werd vervolgens op de streep geklopt door Susanne. Balen natuurlijk, maar de dames kennen elkaar te goed om er een vete van te maken. Ze zijn zelfs ploeggenoten bij Team Flexpoint. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 15 maart 2007 23:00

Gert FRANK (1956, Denemarken)

Over Gert Frank (op de foto rechts naast Patrick Sercu) zei Gerrie Knetemann eens tegen me: een echte baner. Dat is ook zo, want ik heb nauwelijks resultaten van hem gevonden in wegwedstrijden. Een derde plaats in een etappe van de Tour de l’Avenir van 1976 is de enige uitslag die ik heb kunnen vinden. In datzelfde jaar won hij met drie landgenoten brons in de 100 kilometer ploegentijdrit op de Olympische Spelen van 1976 in Montreal. Hij werd daarna direct prof om zesdaagsecoureur te worden. Hij debuteerde met een derde plaats in de Six van Herning aan de zijde van zijn landgenoot Ole Ritter. Een jaar later stond hij er weer aan de start met René Pijnen als maat en de twee wonnen. René had er toen al een fiks aantal op zijn palmares, maar voor Frank was het de eerste uit een reeks van twintig. Hij had nooit een echt vaste maat, maar hij was wel een aantrekkelijke partner voor groten als Sercu, Pijnen en Oerstedt, een landgenoot van hem die meerdere malen wereldkampioen achtervolging was. In ieder geval leek Gert Frank de opvolger te gaan worden van Sercu en Pijnen toen die er mee stopten. Maar Frank stopte er in 1987 ook mee. Hij was toen nog maar 31 en had nog jaren mee gekund. Maar om de een of andere reden lukte het niet meer om in zijn specialiteit te domineren. Hij eindigde opeens regelmatig in de achterhoede met vele ronden achterstand. Van een ster was hij een krabber geworden. Ik heb geen idee hoe dat nou kan. Er zal wel een andere reden zijn geweest dan een atletische. In ieder geval behoorde hij in zijn tijd bij de groten van de Six.

Geplaatst door Fred van Slogteren, 14 maart 2007 23:00

Firmin LAMBOT (1886, overleden 19.01.1964, België)

Hij won de eerste Tour de France waarin de gele trui werd gedragen, maar hij was niet de eerste drager ervan. Als dat zo was, dan was deze Waal misschien veel bekender geweest. De eerste geletruidrager was Eugène Christophe, de oude Galliër, een man met een martiale snor en veel pech. Daardoor was hij enorm populair bij de Fransen en je zou hem een soort Poulidor kunnen noemen. Firmin Lambot was in het geheel niet populair, want hij was een onopvallende figuur. Een echte ronderenner, die weinig zei en als hij niet at of fietste op bed lag om te rusten. Iemand met de regelmaat van een pendule. Ook in eigen land was hij nauwelijks bekend. De liefde voor het wielrennen zit voornamelijk de Vlamingen ingebakken en Lambot was een Waal en bij de Franstalige Belgen zit de wielerliefde veel minder diep. De Tour van 1919 was de eerste van na de eerste wereldoorlog en heel Frankrijk lag nog in puin. Er stonden maar 68 renners aan het vertrek op zeer slecht materiaal, want de oorlogsjaren hadden zwaar ingehakt op de economie en de fietsen- en bandenfabrieken hadden zwaar te lijden gehad onder de oorlog. Bovendien was het die hele Tour lang slecht weer en dat zorgde er voor dat slechts elf renners de finish bereikten. Lambot zou die Tour nooit gewonnen hebben als Christophe, die met een half uur voorsprong aan de voorlaatste etappe begon, geen materiaalpech had gekregen. Er was in die tijd nog de belachelijke regel dat een renner bij pech zelf moest repararen zonder hulp van derden. Voor een gebroken voorvork werd geen uitzondering gemaakt en de oude Galliër moest op zoek naar een smidse. Hij verloor ruim twee uur en de Tour. Drie jaar later in 1922 vond er een reprise plaats, want wederom verloor Eugène Christophe de gele trui aan Lambot door een vorkbreuk. Maar die houwdegen uit lang vervlogen tijden, die nooit de Tour won, heeft op Lambot en alle andere Tourwinnaars voor dat hij de eerste is geweest die de gele trui droeg. En dat is een record dat niemand hem kan afnemen.

Geplaatst door Fred van Slogteren, 13 maart 2007 23:00

Gianni MOTTA (1943, Italië)

Een blonde Italiaan, ze zijn zeldzaam. Gianni Motta was door zijn afwijkende haarkleur erg populair in de laars. Met Felice Gimondi samen vormde hij in de jaren zestig de voorhoede van het Italiaanse wielerpeloton. Motta barstte van het talent en hij reed een mooie erelijst bij elkaar, maar hoofdzakelijk in Italië. Het was toen heel gebruikelijk dat Italiaanse renners hun brood vooral in Italië verdienden. Daar waren heel wat koersen te betwisten in een lekker klimaatje en over fraaie wegen. Waarom zou je je dan afbeulen op de kasseien van het Noorden? Zwitserland was ver genoeg. En zo won Gianni Motta de Ronde van Lombardije, de Giro, de Ronde van Zwitserland en die van Romandië. En verder een hele reeks van die Italiaanse semi-klassiekers. Hij kwam slechts twee keer naar de Tour. De eerste keer in 1965 en hij werd derde achter Gimondi en Poulidor. Dat schept verwachtingen maar hij kwam pas zes jaar later terug en toen was zijn hoogtepunt voorbij. Hij stopte al toen hij pas 31 jaar was. Hij was een renner die al op heel jonge leeftijd grote overwinningen behaalde, want toen hij Lombardije won was hij nog maar 21. Meer renners die op heel jonge leeftijd grote koersen winnen, haken jong af. Atletisch hebben ze nog grote mogelijkheden, maar geestelijk kunnen ze het vaak niet meer opbrengen. In Nederland hadden we ook zo’n renner. Evert Dolman. Maar dat is een ander verhaal.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 12 maart 2007 23:00

Louison BOBET (1925, overleden 13.03.1983, Frankrijk)

Het toeval wilde dat ik op 13 maart 1983 in Frankrijk was. Bij Franse vrienden en die dag kwamen ter ere van het buitenlands bezoek vele vrienden van hen even langs. En dat betekent in Frankrijk meeëten. De essentie van het Franse sociale leven is met minimaal een man of twintig uren aan tafel. Bij ieder gerecht weer een ander wijntje en als La Grande Bouffe iets te veel wordt, dan is een piepklein glaasje Trou Normand voldoende om in de maaginhoud het gaatje te branden waar het volgende gerecht in past. En maar lullen en lachen en vrolijk zijn. Maar op die dertiende maart 1983 wilde de stemming er maar niet in komen. Er was iets vreselijks gebeurd. Een van Frankrijks grootste zonen was niet meer. Louison (Lowietje) Bobette het grote wieleridool uit de jaren vijftig was op 58-jarige leeftijd gestorven en heel Frankrijk rouwde die dag. Alle kranten hadden het bericht met grote koppen als het belangrijkste nieuws op de voorpagina en op de TV waren er tal van inderhaast ingelaste praatprogramma’s om het belang van Lowietje in alle details te bespreken. Als was de president overleden. Het geeft iets aan wat het betekent om in Frankrijk bekend te staan als iemand die de Tour de France heeft gewonnen. Dan heb je een welhaast goddelijke status, dan ben je het gewone volk ver ontstegen. Jan Janssen kan er over mee praten. Jan kan rustig in Antwerpen of Bergen op Zoom gaan winkelen zonder lastig gevallen te worden, maar in n’importe welke Franse stad dan ook wordt hij om de haverklap aangesproken en moet hij handjes schudden. Ik ben zelf eens met Joop Zoetemelk bij een wielerwedstrijd in Parijs geweest. Ze hadden hem niet snel in de gaten, want Joop heeft het talent er gewoner dan gewoon uit te zien. Maar toen hij eenmaal was gespot moest ook hij er aan geloven, tot een televisieoptreden aan toe. En Louison Bobet ervaarde dat honderdvoudig. Zijn optredens in het openbaar hadden iets van een filmster uit de jaren vijftig. Koninklijk, gesoigneerd, breed lachend en minzaam zwaaiend. Een grote renner, een imposante persoonlijkheid, een zijn oorsprong ver ontstegen bakkerszoon uit Bretagne. (Foto: archief T&T Tekst & Traffic)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 11 maart 2007 23:00

« Vorige 1 2 3  ... 653 654 655 656 657 658 659 660 661 662 663  ... 690 691 692 Volgende »