Gerrit SCHULTE (1916, overleden 26.02.1992, Nederland)

Gerrit Schulte was een van de wielerhelden van mijn jeugd. Als er een programma was in het Olympisch stadion was ik lang van tevoren aanwezig. Dan zag je hem aankomen in zo’n grote Amerikaanse slee met een grote koffer er op bevestigd voor zijn fietsen en ander materiaal. Dan moest hij even wachten tot het hek openging en dan deelde hij met nors gezicht handtekeningen uit aan de jongetjes die daar met mij stonden te wachten. Later in de jaren zeventig moest ik regelmatig in Den Bosch zijn. Voor de lunch ging ik dan naar zijn restaurant in het sportpark De Vliert. Er was nooit een mens. Als de grote Gerrit Schulte dan een uitsmijter voor me had gebakken kwam hij bij me aan tafel zitten. Lekker over wielrennen lullen. Een prachtige renner, een soms moeilijk mens die er tot zijn dood van overtuigd was dat hij de allergrootste is geweest. De enige die hij het voordeel van de twijfel gunde was Fausto Coppi en die had hij verslagen in het WK achtervolging 1948. Ik had in die tijd net een tweedehands RIH-frame overgenomen van een Amsterdamse renner die een goede amateur was geweest, maar als beroepsrenner de verwachtingen niet had kunnen waarmaken. Die had nog een nieuw frame laten maken bij de keizerlijke fietsenmakers van de Westerstraat en hij trok er iedere zondag op uit met een groepje oud-renners. Toen Schulte mij vroeg of er nog renners uit zijn tijd actief waren op de racefiets, noemde ik de naam van die oud-renner. Ik zag even een soort irritatie in zijn ogen en hij zei: “Ik bedoel renners, geen koekebakkers, mannen als Derksen en Post, fietsen die nog?” Dat was Schulte ten voeten uit. Hij was bereid andere renners enigszins te erkennen, maar die moesten dan wel minstens wereldkampioen zijn geweest of meer zesdaagsen hebben gewonnen dan hij. Volgende maand is hij al weer vijftien jaar dood. (Foto: archief Wim van Eyle)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 6 januari 2007 23:00

Patrick LEFEVERE (1955, België)

Hij was geen slechte renner, want hij won Kuurne-Brussel-Kuurne en dat is altijd een lastige wedstrijd. Hij was echter geen topper en daarom stopte hij al op z’n 25e. Hij zag zijn beperkingen, want hij had het vermogen om renners en dus ook zich zelf te doorzien. Hij werd assistent-ploegleider bij Marc-Zeepcentrale, de ploeg waar hij de laatste twee jaar van zijn beroepscarrière voor reed. Hij leerde het vak van Walter Godefroot, zijn sportdirecteur. Hij ging in diens schaduw mee naar Capri-Sonne en vervolgens naar Lotto. Toen Godefroot naar Telekom ging trok hij naar Italië, waar hij bij de Italiaans-Belgische formatie GB-MC doorbrak als een van de beste ploegleiders van het peloton. Na GB-MC werkte hij bij de fameuze Mapei-ploeg om vervolgens weer in België te geraken bij eerst Domo en later QuickStep, de succesformatie waarvan hij nu de grote baas is. Onder zijn leiding kwamen renners als Johan Museeuw, Michele Bartoli, Paolo Bettini en Tom Boonen tot grote bloei. Ik heb hem een keer ontmoet in Luik. Aan de vooravond van La Doyenne had ik in een groot hotel een afspraak met David Duffield, Brits verslaggever van Eurosport. Vanuit de parkeergarage reisde ik met de lift naar de lounge van het hotel. Gelijk met mij stapte Lefevere in de lift en hij knikte mij vriendelijk toe. Luttele seconden stonden we zwijgend in een ruimte van misschien vijf kubieke meter en dat was genoeg voor mij om te zien wat het succes van deze man is. Hij heeft een geweldig charisma en hij zorgt er voor er altijd perfect uit te zien. In de hal van het hotel werd hij direct omringd door mensen die van alles van hem wilden. Hij ging daar prettig en geroutineerd mee om. Ik trof Duffield diep weggezonken in een lederen bankstel en met een pint onder handbereik hadden we het over Peter Post over wie ik een boek aan het schrijven was. Duffield is de man geweest die Post en Raleigh bij elkaar bracht en op mijn vraag waarom hij juist Post voorstelde als de ideale ploegleider voor de Britse ploeg, zei David: “He had that certain something”. Op dat moment liep Lefevere langs. “Like him”, vroeg ik. David knikte en zei: “he also has it.” (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 5 januari 2007 23:00

Jean VAN BUGGENHOUT (1905, overleden 01.06.1974, België)

Jean Van Buggenhout behoorde tot het selecte groepje mensen die de macht had om te bepalen wie wel en wie niet carrière op de baan mocht maken. Nadat hij zelf voor de tweede wereldoorlog zesdaagsecoureur was geweest, werd hij manager, zeg maar zaakwaarnemer, van diverse renners en matchmaker van de Brusselse winterbaan. Je moest in die tijd van goeden huize komen om als onbekend rennertje een contract te bemachtigen, want zijn oordeel was hard. Bovendien beschermde hij als hun manager de belangen van een aantal baanvedetten en die waren er helemaal niet bij gebaat dat jong talent kwam meeëten uit de gevulde ruif van de overdekte banen in Brussel, Gent en Antwerpen, waar in de wintermaanden vrijwel iedere week een groot programma werd georganiseerd. De matchmaker van Antwerpen Theo Baelemans was het moeilijkst te overtuigen, maar Van Buggenhout streek nog wel eens de hand over zijn hart als een jonge ambitieuze renner om een contractje kwam bedelen. Na ettelijke malen zijn hoofd te hebben gestoten trof de jonge en volmaakt onbekende Peter Post Van Buggenhout eens in zo’n zeldzame menselijke bui. De Amsterdammer kreeg een kans en hij wist dat hij die moest grijpen, want het zou zijn enige zijn. Hij won op indrukwekkende wijze zowel de serie als de finale van een klassementswedstrijd voor abonnenten, de term voor jonge beloften. Het was voor Post het begin van een imposante carrière, waarin hij Van Buggenhout meer dan eens is tegengekomen. Het laatst in 1973 (foto) toen Peter Post voor het eerst de organisatie van de Zesdaagse van Rotterdam op zich nam. Hij wilde er een groot succes van maken en hij besefte dat hij maar één ding hoefde te doen en dat was Eddy Merckx contracteren. Dat lukte met de hulp van Van Buggenhout, de manager van Merckx. Het kostte Post een gigantisch bedrag, maar dat heeft hij er dubbel en dwars uitgehaald met de recettes want het zat avond aan avond bomvol in Ahoy’. (Foto: archief Sportpaleis Ahoy’)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 4 januari 2007 23:00

David MILLAR (1977, Groot Brittannië)

Een van de beste tijdrijders uit de geschiedenis van de wielersport, maar hij heeft zijn prestaties op de fiets niet kunnen verzilveren met een klinkende palmares. Hij boekte mooie overwinningen en vooral in de jaren 2001 en 2003 was hij heel succesvol met respectievelijk acht en zes overwinningen. Bij die zes van 2003 zat ook de wereldtitel tijdrijden. 2004 werd echter het jaar van schuld en boete. Tijdens de Tour werd bekend dat Millar stelselmatig al vanaf 2001 epo gebruikte. In plaats van de gebruikelijke operette van ontkennen en zwijgen, gaf de Schot ruiterlijk toe dat hij helemaal fout zat. Hij werd door de UCI voor twee jaar geschorst, terwijl hem bovendien zijn wereldtitel werd afgepakt. David Millar heeft zijn schorsing inmiddels uitgezeten en in het afgelopen jaar keerde hij terug in het peloton. Niet meer bij zijn sponsor Cofidis, die hem direct had ontslagen toen zijn dopinggebruik bekend werd, maar bij Saunier Duval. Hij reed dit jaar zowel de Tour de France als de Ronde van Spanje. Hij toonde in die twee rondritten aan dat twee jaar uit competitie zijn, niet zonder gevolgen blijft. Hij won weliswaar een rit in Spanje, maar verder was het meerijden geblazen. Misschien heeft hij nog wat tijd nodig om weer bij de toppers te geraken, maar it makes you wonder. Die overwinning in Spanje was overigens niet zijn enige in 2006. Hij werd ook nog heel symbolisch kampioen van zijn land in de achtervolging. Want hoezeer hij ook spijt heeft betuigd en er zwaar voor is gestraft, zal zijn dopingverleden hem altijd blijven achtervolgen. Alsof hij de enige is. Het pleit in ieder geval voor hem dat hij als vrijwel enige zijn zonden heeft toegegeven. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 3 januari 2007 23:00

Alessandro PETACCHI (1974, Italië)

Er zijn ploegen die naar een grote ronde gaan met geen ander oogmerk dan het winnen van zo veel mogelijk etappes. Ze hebben meestal geen klassementsrenner van formaat en daarom wordt de ploeg gebouwd rond een sprinter van wereldklasse. Die wordt elke dag volledig uit de wind gehouden, vertroeteld en verzorgd om in de laatste kilometers optimaal in stelling te worden gebracht. Voor zo’n ploeg is Petacchi de ideale afmaker, want hij is een koel en berekenend sprinter. En als hij goed uit het wiel komt dan is er geen houden meer aan. Dan kan hij lengtes pakken, ook op McEwen, Boonen en al die andere snelle mannen. Het is een mooi gezicht, maar verder heb ik er niet zo veel mee. De etappe is langer dan die paar kilometers van de finale en dat is dan meestal een saaie vertoning. In 2003 won Petacchi op die manier vijf ritten in de Vuelta, zes in de Giro en vier in de Tour. Ik zag hem dat jaar ook de eerste etappe van de Ronde van Nederland winnen. Op de Boompjes in Rotterdam. Nog een beetje gewend aan het fenomeen Cipollini verwachtte ik ook zo’n Italiaanse blitskikker. Maar op het podium stond een schuchter mannetje die bijna verlegen de kussen van de missen incasseerde en bij het zwaaien naar het publiek keek, alsof hij wilde zeggen: kijk mij nu eens gek doen. Alessandro Petacchi is een wereldsprinter, zonder de geweldige uitstraling van Cipo en nog een paar honderd Italiaanse wielrenners uit het verleden. Vorig jaar ging al in het voorjaar zijn seizoen naar de knoppen door een val waarbij hij zijn knieschijf brak. Hij zal er dit jaar wel weer bij zijn en ongetwijfeld weer veel winnen. Dat is een mooi gezicht, maar ze mogen dat huldigen van mij overslaan. Van hem ook trouwens. (Foto: © Cor Vos)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 2 januari 2007 23:00

Pjotr UGRUMOV (1961, Letland)

“Ik was zestien jaar. Op school kwam een wielertrainer vragen of er iemand interesse had om wedstrijden te fietsen”, lees ik in een interview uit 1994 dat Raymond Kerckhoffs met Ugrumov had. In de jaren die volgden kwam de Let in het Sowjet-systeem tot wasdom en hij behoorde jarenlang met Aboesjaparov, Tschmil, Ekimow en nog vele anderen tot de fine fleur van het Sowjet-fietsen. In 1989 predikte Gorbatsjov de Perestrojka en de gebeurtenissen volgden elkaar snel op. Het solide, vanuit het Kremlin geleide communistische systeem stortte ineen als een kaartenhuis en na het optrekken van de stofwolken bleek het een failliete boedel te zijn. De poorten naar het rijke westen werden ook voor de wielrenners opengezet, maar het systeem werkte nog enigszins en de staatsamateurs werd aanvankelijk verboden om voor de grote commerciële ploegen te tekenen. Ze werden ingelijfd bij de in San Marino zetelende Alfa-Lum-formatie dat met Italiaans kapitaal 15 neo-profs uit de voormalige Sowjet Unie als ploeg op de weg zette. Ze keken hun ogen uit als Alice in wonderland en ze hadden in de eerste jaren veel last van aanpassingsproblemen. Maar toen ze die eenmaal hadden overwonnen kropen ze uit hun schulp en kwamen de successen. Ugrumov had het nadeel dat hij al tegen de dertig liep toen hij prof kon worden en met de jaren van aanpassing mee was hij al een bijna-veteraan toen hij op het hoogste niveau zijn kunsten mocht vertonen. En zijn voornaamste kunstje was het klimmen. Het kalende mannetje reed de cols op met de grote klimmers van die tijd en met Don Miguel Indurain, in de eerste helft van de jaren negentig de heerser van de Tour de France. In 1994 zal de rijzige Bask het best benauwd hebben gehad van de Let, die op indrukwekkende wijze twee Alpenritten op zijn naam schreef en de Spanjaard tot op 58 seconden naderde. Verder kwam hij niet want Indurain was met afstand de beste tijdrijder van die periode en dat ligt een echte klimmer heel wat minder. Die tweede plaats was het hoogtepunt voor Ugrumov, want daarna was het min of meer met hem afgelopen. Hij werd nog een keer zevende in de Tour, maar verdere successen bleven uit. Hij koerste tot 1999 en keerde daarna met een dikke portemonnee terug naar zijn vaderland. Wat hij daar is gaan doen, weet ik niet, maar zijn welstand is hem van harte gegund. Het Sowjetsysteem heeft jarenlang grote sportmensen gebruikt voor eigen glorie en de enkelen die nog van het grote geld hebben mogen profiteren, verdienen dat ook. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 31 december 2006 23:00

Mario AERTS (1974, België)

Deze uit Herentals afkomstige renner is een van de weinige klassementsrenners die België op dit moment rijk is. Hij is afkomstig uit de opleidingsploeg Vlaanderen van Roger Swerts. In dienst van deze bescheiden ploeg won hij de Grote Prijs Isbergues en het Circuit Franco-Belge. Zware koersen die de jonge Aerts goed aankon. Hij kan redelijk bergop en men was dan ook niet verbaasd toen hij verrassend debuteerde in de Tour van 1999 waar hij tweede werd in het jongerenklassement. Maar de progressie zette helaas niet door en hij was al min of meer voor het grote werk afgeschreven toen hij in 2002 de Waalse Pijl won. Het was zijn mooiste overwinning en tevens zijn laatste. Van Lotto-Adecco transfereerde hij in 2003 naar Team Telekom, dat een jaar later T-Mobile zou gaan heten. In die cultuur voelde de rustige en bescheiden Vlaming zich niet thuis en het waren twee bedroevende seizoenen. Dit jaar was hij weer terug in Belgische dienst en wel bij zijn oude ploeg die nu Davitamon-Lotto heet. Hij reed dit jaar een anonieme Tour de France ver in de achterhoede en met zijn eindklassering als 106e zal hij zijn supporters bepaald niet blij hebben gemaakt. Hij heeft natuurlijk in dienst gereden van zijn kopman Cadel Evans, maar iets van zijn grote mogelijkheden had ik wel willen zien. Al was het maar één dag. Misschien dat het volgend jaar beter gaat. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 30 december 2006 23:00

Stan TOURNÉ (1955, België)

Zijn ouders vernoemden hem naar het grote gezinsidool Constant (Stan) Ockers, de Antwerpse sinjoor die in zijn tijd minstens zo populair was als Tom Boonen nu. Een volksheld als zijn naamgever is Stan Tourné bij lange na niet geworden, maar hij werd wel een prominente baanrenner, met de zesdaagse als voornaamste werkterrein. Hij was in de nadagen van Patrick Sercu een degelijke en leergierige koppelgenoot en hij bracht zijn eigen ervaring met passie over op Etienne De Wilde, toen die na een succesvolle wegcarrière op de piste overstapte. De prestaties van Tourné als zesdaagsecoureur halen het niet bij zijn partners, want Sercu won er 88, De Wilde 31, terwijl Tourné bleef steken op 7 uit bijna 200 starts. Hij overtrof wel de zo door zijn vader bewierookte Stan Ockers, die vier maal een zesdaagse won. Maar Ockers was een toprenner op de weg die o.a. wereldkampioen was en twee keer tweede werd in de Tour de France. Stan Tourné was in tegenstelling tot Ockers, Sercu en De Wilde dan ook geen winnaarstype, maar wel een gewaardeerde kracht op de winterbaan. Om daarin echt te excelleren ontbeerde hij zuivere snelheid. Hij was meer een tempomaker die het spel op de wagen hielp en hield. Hij was misschien ook van te veel markten thuis om ergens specifiek in uit te blinken. Hij was een redelijk kermiskoerser, hij was twee keer wereldkampioen in de puntenkoers, een keer bij de amateurs en een keer bij de profs. Hij was Europees kampioen achter de derny en hij was ook nog een goede stayer, die voor zijn land twee keer tweede en een keer derde was bij het WK en twee keer derde in het Europees kampioenschap. Als we stoppen met vergelijken, dan mogen we vaststellen dat Stan Tourné een goede renner is geweest die het optimale uit zijn carrière heeft gehaald. Een aantal weken geleden was hij nog even in het nieuws omdat hij er met zijn neus bovenop zat toen Isaac Galvez te pletter sloeg op de balustrade van het Gentse Kuipke. Hij maakte zich toen erg kwaad op de hulpverlening die zich aanvankelijk drukker maakte om Dimitri Defauw, dan om de ongelukkige Spanjaard. (archief Wim van Eyle)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 29 december 2006 23:00

Jeroen BLIJLEVENS (1971, Nederland)

Hij is na Jean-Paul van Poppel de meest succesvolle wegsprinter uit de Nederlandse wielergeschiedenis, maar ik heb toch het gevoel dat er veel meer had in gezeten. Natuurlijk is tien etappes winnen in de drie grote ronden (vier in de Tour, vier in de Vuelta en twee in de Giro) niet niks, maar als hij meer killer was geweest dan had hij veel meer gewonnen. Alle grote sprinters gaan voor de overwinning en als dat er om de een of andere reden niet in zit, gaan ze voor de tweede plaats, of de derde of de tiende. Jeroen was een van de weinige echte spurters die als hij op honderd of vijftig meter voor de finish zag dat de eerste plaats er niet in zat direct de benen stilhield. Hij werd dan tachtigste of zo. Ik denk dat dat een fout was. Je moet het altijd proberen, want in zo’n hectische massasprint kan van alles gebeuren. Er kan een valpartij plaatsvinden, waar je van kan profiteren. En als je het net niet haalt kan een tweede plaats ook moraal geven. Niet alleen aan de sprinter zelf, maar ook aan zijn ploegmaats die de hele dag voor hem hebben gewerkt. Een tweede of derde plaats kan dan het gevoel geven dat al dat werken toch niet helemaal voor niks was. Kritiek op die houding kon hij slecht verdragen en daarom had de kleine man uit Rijen een moeizame verhouding met veel vertegenwoordigers van de pers. En soms ook met collega renners. Zo herinner ik me een incident met Bobby Julich. Blijlevens ging toen een ordinaire vechtpartij aan met de Amerikaan en daarmee diskwalificeerde hij zich zelf. Zijn beste jaren had hij bij TVM, die gemoedelijke formatie van Cees Priem waar de renners vrienden waren en voor elkaar wilden werken. Door de Tour van 1998 is die ploeg opgeblazen en Jerommeke verdween naar de Italiaanse Polti-ploeg. Ze wilden daar een andere renner van hem maken, eentje die de grote ronden ook kon uitrijden. Het lukte, want hij kwam redelijk de bergen over, maar hij was gelijk geen grote sprinter meer. (Foto: © Cor Vos)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 28 december 2006 23:00

Roger SWERTS (1942, België)

Roger Swerts was ook zo’n renner die meer in zijn mars had dan er is uitgekomen. Dat kwam omdat er altijd een kopman was die boven hem uit stak. Hij koerste eerst in dienst van Poulidor en daarna van Merckx. Dan weet je dat je van je eigen ambities moet afzien, omdat de mogelijkheden om zelf kopman te worden beperkt zijn. Toch reed Swerts een mooie palmares bij elkaar met zeges in het kampioenschap van België en klassiekers als Gent-Wevelgem en het Kampioenschap van Zürich. Hij won voorts ook de Ronde van België en een hele reeks kleinere koersen. De uit Heusden (Belgisch Limburg) afkomstige renner was een sterke tijdrijder die de Grote Landenprijs won en samen met Merckx de Trofeo Baracchi. Hij startte meerdere malen in alle drie de grote ronden. Een veertiende plaats in de Tour, een zestiende in de Giro en een negende in de Vuelta waren zijn beste prestaties. Hij was veertien jaar beroepsrenner en nadat hij afscheid had genomen werd hij ploegleider bij sterke profploegen. In 1990 was er geen plaats meer voor hem, maar in 1994 werd hij gevraagd om met zijn grote ervaring leiding te geven aan de ploeg Vlaanderen-t Interim, een opleidingsformatie gefinancierd door de Vlaamse overheid om jonge coureurs aan een springplank te helpen om bij een grote ploeg te kunnen komen. De opzet slaagde wonderwel en later succesvolle renners als Stijn Devolder, Wim Van Huffel en Frederik Willems leerden het vak bij Swerts. Met dat alles zit Roger Swerts al meer dan veertig jaar in het vak en ik heb geen idee hoe lang hij nog door wil gaan. Hij heeft er zo te zien nog best plezier in.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 27 december 2006 23:00

« Vorige 1 2 3  ... 677 678 679 680 681 682 683 684 685 686 687  ... 707 708 709 Volgende »