Mario DE CLERCQ (1966, België)

Mario De Clercq was een goede wegrenner die af en toe wel eens een crossje reed. Dat ging niet onverdienstelijk. Maar zijn hart lag op de weg en hij startte in de Lotto-ploeg in de Tour van  1995. In de Alpen ontdekte hij zijn beperkingen en in de voor hem afgrijselijke etappe naar La Plagne stapte hij met vier ploeggenoten in de bezemwagen, die enkele meters achter ze reed. Hij werd ontslagen en hij kreeg een contract bij Palmans. Qua aanzien een stuk minder, maar hij voelde zich er prima thuis. Roger De Vlaeminck was er ploegleider en die adviseerde hem meer te gaan crossen. Hij volgde die raad op en hij werd direct derde in het Belgisch kampioenschap. Tot genoegen van zijn vader René De Clercq die in de tijd van Eric De Vlaeminck en Albert Van Damme in België een degelijke subtopper was, volgde Mario de raad van zijn ploegleider op en hij besloot zich geheel op het veldrijden te gaan richten. Hij trainde met De Vlaeminck hard om zijn techniek te verbeteren en in die tak van sport kende hij nauwelijks beperkingen. Er volgde een mooie carrière met overwinningen in het Belgisch kampioenschap, wereldbeker- en superprestigewedstrijden en drie wereldtitels. Een prachtige carrière die helaas wordt overschaduwd door de Landuyt-affaire die ook Johan Museeuw de kop kostte. De Clercq is nooit positief getest, maar bij een huiszoeking werd een schriftje gevonden waarin de merknamen van een aantal voor een wielrenner verboden preparaten waren geschreven. Zijn verweer was dat hij na zijn carrière een boek wilde schrijven over het dopingvraagstuk en dat hij daarom de correcte namen had willen weten. In het burgerleven zal niemand veroordeeld worden als er in zijn huis foto’s worden gevonden van een vermoorde, maar in de wielersport is alles geoorloofd. In ieder geval werd het einde van zijn prachtige carrière door deze affaire verkankelemiend. (Foto: © Luc Claessen)

Wat vermeldt het geboorteregister nog meer?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 4 maart 2007 23:00

Bjarne RIIS (1964, Denemarken)

Het wordt te pas en te onpas geciteerd: ‘wat goed is komt snel’, de uitspraak van Joris van den Bergh. Als het waar is dan is Bjarne Riis geen goede renner geweest, want hij had bijna tien jaar nodig om de top te bereiken. Hij debuteerde in 1986 bij de profs in een klein Belgisch ploegje. Een jaar later zat hij in een nog kleiner ploegje. Een Nederlandse ploeg zelfs met de naam Lucas-Atlanta. Met mannen als Patrick Deneut, Werner Devos, Leon Nevels en Ronny Van Holen. Wie kent ze nog? En die zorgden dan nog voor de bescheiden successen en niet de forse Deen uit Herning. Toch kreeg hij daarna een contract bij betere ploegen. Hij verbleef vier jaar in Franse dienst en ging toen naar Italië. En daar werd hij een goede subtopper. De knecht bleek ineens een kopman te zijn en met een vijfde plaats in de Tour van 1993 en een derde twee jaar later, kon hij bij iedere grote ploeg terecht. Hij werd in die Italiaanse jaren wielrenner, mede omdat zijn sterke karakter met leiderscapaciteiten eindelijk naar buiten kwam. Hij leerde veel van vakman Giancarlo Feretti en hij was een van de eerste pupillen van wonderdokter Luigi Checchini. Hij kreeg een contract bij Deutsche Telekom en in 1996 vertrok hij als kopman in de Tour de France. De kalende Deen maakte dat jaar een eind aan de saaie hegemonie van Miguel Indurain en een ieder was hem dankbaar. Toch waren er vraagtekens. Riis was ineens een superieure wielrenner die het initiatief nam en zijn tegenstanders liet staan als hij daar de tijd rijp voor achtte. Dat was een heel andere coureur dan we kenden. In de jaren daarvoor was hij de met moeite aanklampende doorzetter die op zijn wenkbrauwen in het spoor van de leiders bleef en in 1996 was hij de dictator, die in de ingekorte rit naar Sestrière in de beklimming van de Col de Montgenèvre iedereen overtuigde. Hier reed een superkampioen. Die kalende karakterkop boven dat sterke Vikingenlijf straalde een superioriteit en onoverwinnelijkheid uit die grote indruk maakte. In het peloton werd er echter gefluisterd en de bijnaam Monsieur 60 pourcent deed zijn intrede. ‘Riis speelt met zijn leven’, zei een Nederlandse beroepsrenner uit die tijd eens tegen me. Er waren toen meer van dit soort merkwaardige gedaanteverwisselingen, want het peleton had epo ontdekt. En nu is Riis de leider van een van de sterkste ploegen in het ProTour-circuit. Michel Wuyts zei deze week in een interview dat het dopingprobleem van nu mede wordt veroorzaakt door het feit dat alle managers en ploegleiders uit het milieu afkomstig zijn. Dat is waar, maar hoe verklaart Wuyts dan het gedrag van de heer Manolo Saiz, wiens pre het was dat hij nu juist geen wielerverleden had? (Foto: © Philip van der Ploeg)

Wat vermeldt het geboorteregister nog meer?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 3 maart 2007 23:00

Romans VAINSTEINS (1973, Letland)

In 1998 had ik een interessant gesprek met de bekende sportpsycholoog Peter Blitz. Volgens Blitz is de wens van een sportman om de beste en de snelste te zijn een gevolg van een in de genen verankerde behoefte aan strijd. Waar mensen zijn is rivaliteit en animositeit en daar is topsport op gebaseerd. Hij voerde als bewijs voor zijn stelling aan dat Israël nauwelijks sporters van intenationale allure heeft voortgebracht, omdat dat land al zo’n halve eeuw in een staat van oorlog verkeert met zijn Arabische buren. Ik stelde daar tegenover dat het gehele over de wereld verspreide jodendom wel een schat aan grote musici, geslaagde zakenmensen en nog veel meer succes heeft voortgebracht, maar weinig topsporters van betekenis. Dus lag het misschien meer aan de jood dan aan de Israëli. Op de terugweg zocht ik in mijn geheugen naar joodse wielrenners van naam, maar ik kon ze niet vinden. Pas twee jaar later werd Romans Vainsteins wereldkampioen en ik las dat hij een Let van joodse afkomst is. Een jaar later eindigde de Amerikaan Levi Leipheimer als derde in de Vuelta en ook hij heeft – aan zijn naam te oordelen – joodse wortels. Maar beiden komen niet uit een land met oorlogsdreiging. Vainsteins is een renner geweest die maar korte tijd in de belangstelling wist te staan. Hij heeft niet veel gewonnen, hoewel hij een geduchte spurt in huis had. Hij was ook slim en dat bewees hij in dat WK van 2000 in Plouay in Bretagne. Tscmil en Bartoli waren huizenhoog favoriet, maar de slimme Let wist al enkele ronden voor het einde dat ze niet weg zouden komen. Hij spaarde zijn krachten want de gehele Letse delegatie bestond maar uit drie renners, dus mochten wat hem betrof de Italianen en de Belgen het werk doen. Zonder een trap te veel te hebben gedaan, spurtte hij naar de overwinning. Daarna werd het angstig stil rond de wereldkampioen. De vloek van de regenboogtrui was volledig op hem van toepassing en in drie seizoenen behaalde hij slechts één overwinning. Eind 2004 maakte Lampre bekend dat ze zijn contract niet wilden verlengen en geen enkele andere ploeg bleek bereid hem à raison van een behoorlijk salaris in te lijven. En zo stopte de Let al op 31-jarige leeftijd. Hij heeft wortel in Italië geschoten, omdat hij trouwde met de dochter van de grote Italiaanse wijnondernemer Caldirola. Vaini, vini, fietsie zal ik maar zeggen. En daar is geen woord Hebreeuws bij, zelfs geen Jiddisch. (Foto: © Cor Vos)

Wat vermeldt het geboorteregister nog meer?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 2 maart 2007 23:00

Roger WALKOWIAK (1927, Frankrijk)

Hij was in 1956 een zeer verrassende winnaar van de Tour de France. Ik weet niet of er in die tijd al weddenschappen op de eindwinnaar konden worden afgesloten, maar zijn naam zal niet zijn genoteerd. Sterker nog: het was al een wonder dat hij meedeed. Pas enkele dagen voor de start kreeg hij te horen dat hij naar Reims moest komen waar op 5 juli 1956 de start van de Tour zou plaatsvinden. Hij was reserve en een geselecteerde renner moest het vanwege een blessure laten afweten. Nog geen week later reed de bescheiden renner uit Montluçon in het geel, omdat hij in de etappe van Lorient naar Angers deel uitmaakte van een grote kopgroep die 19 minuten voorsprong pakte. Walko stond ergens in de 30, maar daarmee was hij de bestgeplaatste van de 31 koplopers. Hij bleef drie dagen in het geel, maar moest de leiderstrui toen afstaan aan Gerrit Voorting. Er was dat jaar geen uitgesproken favoriet, want grootheden als Coppi, Koblet, Kübler, Bobet, Geminiani en Robic moesten om uiteenlopende redenen verstek laten gaan. In vrijwel iedere Tour hebben kleinere renners de mogelijkheid het geel te veroveren. Maar als de bergen komen, zakken ze doorgaans ver weg in het klassement. Zo niet Walkowiak. Hij kon aardig klimmen, prima dalen en redelijk tijdrijden en hij bleef hoog in het klassement staan tot hij in de etappe van Turijn naar Grenoble zijn kans greep en op indrukwekkende wijze het geel terugpakte. Hij beklom de Croix de Fer alsof ’t het circuit van Zandvoort was en in de afdaling kon niemand hem volgen. De gele trui zat om de schouders van Wout Wagtmans, maar de Brabander had de slechtste dag uit zijn bestaan als wielrenner en hij kwam uitgeput en ondersteund door Jan Nolten over de finish. Walkowiak had geschitterd, maar werd over de finish weer direct het bescheiden rennertje dat moeite had met zijn nieuwe status. En dat heeft hij de rest van zijn carrière behouden en hij heeft zijn Tourzege nooit meer kunnen bevestigen. Tot op de huidige dag schijnt hij te lijden onder het gewicht van die overwinning. Als renner zat hij in het verkeerde lijf. Hij ontbeerde het vedettendom en daarom was het winnen van de Tour voor hem meer een straf dan een zegen. Maar ik bestrijd dat hij een onterechte winnaar was. Die bestaan niet in de Tour. In een eendagswedstrijd kan het toeval en het geluk soms een rol spelen, maar in de Tour lukt dat niet drie weken lang. Bij gebrek aan betere renners was de Poolse Fransman dat jaar de beste. Helaas heeft nog niemand hem daarvan kunnen overtuigen.

Geplaatst door Fred van Slogteren, 1 maart 2007 23:00

Gastone NENCINI (1930, overleden 01.02.1980, Italië)

Het zal een bittere pil zijn geweest voor de grote Franse president Charles De Gaulle toen de Tourkaravaan in 1960 lang zijn buitenoptrekje in Colombey-des-deux-Eglises kwam en er een Italiaan in plaats van een Fransman in het geel reed. De Tour stopt voor niemand en dus ook niet voor een Franse president. Maar voor onzelieveheer zelf en voor Charles De Gaulle wordt in Frankrijk  een uitzondering gemaakt. De hele karavaan stopte voor zijn oprijlaan en de geletrui mocht op het bordes komen. Hij kreeg daar de felicitaties van de president en een ieder deed een kort gebed voor de in die Tour zo tragisch ten val gekomen Roger Rivière. Het heeft voor Rivière geen baat gehad, maar Nencini bracht de maillot jaune met de vingerafdrukken van de president in Parijs. Hij stond er op het erepodium met nog een Italiaan Graziano Battistini en de Belg Jan Adriaenssens. Drie jaar na zijn zege in de Giro d’Italia haalde de Leeuw van Mugello nog een grote ronde binnen. Het zijn twee diamanten op zijn kroon, waar verder weinig edelstenen in zitten. Er had nog een derde grote triomf kunnen zijn, want in 1955 had hij de zege in de Giro al vrijwel binnen toen een lekke band op twee dagen voor het einde hem parten speelde. Het peloton onder aanvoering van Fausto Coppi en Fiorenzo Magni sloeg op hol en Gastone kreeg het gat niet meer dicht. Hevig teleurgesteld stond hij als derde op het podium. Twee jaar later nam hij wraak en deed hij in feite hetzelfde toen Charly Gaul in de leiderstrui de tijd nam voor een sanitaire stop. Onder aanvoering van Nencini vloog de snelheid omhoog en Gaul verloor de ronde. Sindsdien had de Engel van het Hooggebergte er een bijnaam bij: Monsieur Pipi. Nencini was een echte ronderenner, die het zeldzame vermogen had om op niveau te blijven als anderen na twee weken koers minder werden. Hij was een uitstekend klimmer en een kamikaze-piloot als daler. In die laatste hoedanigheid hoort hij in het rijtje van Magni, Savoldelli en Rini Wagtmans, mannen die zich zonder angst als bakstenen naar beneden konden storten.

Wat vermeldt het geboorteregister nog meer?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 28 februari 2007 23:00

Claudio CHIAPPUCCI (1963, Italië)

Voor een renner die van moeder natuur niet al te veel talent heeft meegekregen heeft Claudio Chiapucci het behoorlijk ver geschopt. Hij heeft het vooral met werken bereikt, want hij was een trainingsbeest. Wat dat betreft is hij enigszins te vergelijken met Adrie van der Poel, hoewel ze als type renner ver van elkaar verschilden. Hij werd bij de amateurs kampioen van zijn land en dat leverde een profcontract op bij de Carrera-ploeg. Hij dreigde er als knecht verloren te gaan, maar kopman Stephen Roche ontfermde zich over hem en de Ier bracht hem de tips en tricks bij die hem alsnog op een hoger niveau bracht. Omdat hij heel aardig kon klimmen, vertrok hij als kopman in de Tour de France van 1990. Hij besloot dat vertrouwen al direct in de eerste etappe te belonen. Het werd een van de merkwaardigste Touropeningen uit de geschiedenis. Vier man liepen meer dan tien minuten uit en, op Frans Maassen na, speelden ze een belangrijke rol in het verloop van de Tour. Steve Bauer reed dagenlang in het geel om daarna afgelost te worden door Ronan Pensec. Toen het echt omhoog ging meldde Chiapucci zich in het geel en Greg LeMond heeft nog heel wat trucen moeten uithalen om zijn derde Tourzege veilig te stellen. De naam Chiapucci was gemaakt en na zijn tweede plaats in het eindklassement werd hij nog een keer tweede, een keer derde en een keer zesde. Ook won hij twee keer het bergklassement in de Tour en drie keer in de Giro. Il Diablo werd hij genoemd en het kleine vrolijke mannetje was uitermate populair bij het publiek. Bij zijn collega’s was hij heel wat minder gezien, omdat hij nogal solistisch en eigenzinnig te werk ging en menigmaal dwars door de slag reed als hem dat zo uitkwam. Ook zijn wijze van voorbereiden oogstte veel kritiek. Hij had in 1991 zijn zinnen gezet op Milaan-San Remo en dan rij je niet de Catalaanse Week als voorbereiding. Dat is een ijzeren wielerwet, want die korte Spaanse rondrit eindigt pas een dag voor de Primavera. Dat kan niet samengaan, dacht iedere kenner, maar Claudio bewees dat het wel kon. Hij reed een fraaie palmares bij elkaar en met zijn afscheid in 1999 verloor het profpeloton een van haar kleurrijkste renners. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 27 februari 2007 23:00

André LEDUCQ (1904, overleden 18.06.1980, Frankrijk)

De Fransen hebben de Tour de France altijd gezien als hun ronde. Buitenlandse deelname vonden ze prima, als er maar meestal een Fransman won. Van het begin in 1903 tot de eerste wereldoorlog werden ze op hun wenken bediend. Twaalf Tours met tien maal een Fransman als winnaar. Na de oorlog volgden er elf jaar, met maar één Franse overwinning. Dat was in 1923 en de winnaar heette Henri Pélissier, en heel Frankrijk haalde opgelucht adem na zeven jaar Belgische overheersing. Maar na het succes van Pélissier volgden twee Italiaanse, twee Belgische en twee Luxemburgse overwinningen. Het was om gek van te worden. De oplagecijfers van de organiserende krant daalden dramatisch en in het najaar van 1929 kreeg Henri Desgrange, zowel eigenaar van de krant als directeur van de Tour,  een lumineus idee. Niet langer zou zijn Tour - de Tour aller Fransen - door merkenploegen betwist worden, maar door landenteams. Frankrijk had sterke renners en in één ploeg verbonden moesten die gehate buitenlanders verslagen kunnen worden. Op 2 juli 1930 stond er een fantastische Franse nationale ploeg aan de start met Charles Pélissier, Marcel Bidot, Antonin Magne en André Leducq als voornaamste peilers. De ploeg was heer en meester. Pélissier won acht etappes en de ploeg in totaal twaalf. En in het eindklassement werd Leducq eerste, Antonin Magne derde, Marcel Bidot vijfde, Pierre Magne zesde en Charles Pélissier negende. André Leducq had twee uitgesproken talenten. Hij had een vlijmscherpe sprint en hij kon dalen als de beste. Als matige klimmer wist hij de schade steeds in de afdalingen weer goed te maken en met zijn eindsprint was hij een geweldige rittenkaper. Hij startte negen maal in de Tour en hij won in totaal 25 etappes, een aantal dat alleen door Merckx en Hinault is overtroffen. Het was ook een aardige kerel die immens populair was. In 1932 won hij nog een keer en met Tonin Magne en Georges Speicher zorgde hij er voor dat de Franse nationale ploeg vijf jaar lang onverslaanbaar was. De populariteit van Dédé was zo enorm dat hij de eerste sportman was die voor het maken van reclame werd ingezet. De affiches waarop hij stond afgebeeld met een Lucky Strike sigaret zorgden er voor dat het merk jarenlang marktleider in Frankrijk was.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 26 februari 2007 23:00

Connie CARPENTER (1957, Verenigde Staten)

Connie Carpenter-Phinney is zo’n beetje de Jaap Eden onder de sportvrouwen. Niet qua generatie want toen de Amerikaanse ter wereld kwam in Madison (Wisconsin) was Jaap Eden al 32 jaar dood. Nee, de overeenkomst met die oude knar is dat Connie zowel in de schaats- als de wielersport tot de top behoorde. Als schaatsenrijdster behaalde zij een zevende plaats op de 1500 meter bij de Olympische Spelen van 1972. Nauwelijks de moeite waard, zult u denken met de weelde van alle Nederlandse medailles die in de loop der jaren zijn behaald. Maar Connie Carpenter moest in 1972 nog 15 jaar worden en een grote toekomst lag voor haar. Het kwam er niet uit, want ze was nogal blessuregevoelig en was soms langdurig uit competitie. In 1976 zag het er aanvankelijk naar uit dat het goed ging en ze werd allround-kampioene van de Verenigde Staten, maar door een enkelblessure miste ze de spelen. Om te revalideren ging ze fanatiek fietsen en nog datzelfde jaar werd ze zowel nationaal kampioene op de weg als in de achtervolging. Deze dubbel herhaalde ze in 1977 en ‘79. Als student aan de Berkeley Universiteit in Californië bekeerde ze zich vervolgens tot het roeien en ook daarin was de blonde Connie succesvol. Ze werd met haar team eerste in de dubbelvier bij de Amerikaanse studentenkampioenschappen. In 1981 keerde ze terug naar de fiets. Ze zette eerst het wereldrecord over 3 kilometer scherper, werd vervolgens in 1983 wereldkampioene achtervolging en een jaar later werd ze in Los Angeles Olympisch kampioene op de weg. Deze grote sportvrouw, die in drie verschillende sporten haar sporen heeft verdiend, heeft vandaag een ontmoeting met Sara. (Foto: © John Kelly)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 25 februari 2007 23:00

Julien STEVENS (1943, België)

De herinneringen van Julien Stevens liggen vooral op Zolder. Hij hoeft er geen trap voor op want ze branden in zijn hart. 1969 was het jaar en het WK werd verreden op het autocircuit van Zolder. Een vlak parcours waar in 2002 Mario Cipollini de regenboogtrui greep, een renner die je niet in de uitslag had gevonden als het ook maar iets lastiger was geweest. In 1969 had het Julien Stevens kunnen zijn, maar de Adelaar van Hoogerheide stak daar een stokje voor. Onze landgenoot Harm Ottenbros had zich zelf met die bijnaam getooid als teken dat hij al de grootste moeite had met de Moerdijkbrug, de scheiding tussen zijn oude (Alkmaar) en nieuwe (Hoogerheide) leefgemeenschap. Julien Stevens was net als Ottenbros een bescheiden renner en de avond tevoren bij de teambespreking hadden ze allebei gezwegen toen gevraagd werd wie zichzelf kansen toedichtte op de wereldtitel. Zeker Stevens had daar geen reden toe, want in de Belgische ploeg zaten mannen als Rik Van Looy, Roger De Vlaeminck, Walter Godefroot en Eddy Merckx. In dat gezelschap durf je niet eens van eigen kansen te dromen. Maar ja, het parcours was totaal niet selectief en renners als Stevens en Ottenbros pedaleerden moeiteloos mee met de vingers in de neus. Er ontstond een kopgroep van twintig man met alle Belgische favorieten, alsook vijf Nederlanders. Er werd constant gedemarreerd en op een gegeven moment slaagde een poging van Julien Stevens. De man uit Mechelen was een echte knecht en ook iemand die daar tevreden mee was. Wel een domestique met uitschieters, zoals in het kampioenschap van zijn land in 1968 en in de GP Pino Cerami. Hij reed daar in Zolder voorop om als springplank te dienen voor een van zijn kopmannen. Maar die kwamen niet, want ze gunden elkaar geen succes en zo zat hij alleen vooruit met die verdomde keeskop, Harm Ottenbros. Als renner zijn gelijke, maar een betere sprinter. Stevens probeerde van alles om weg te komen, maar Harm had die dag superbenen. In het zicht van de finish wist Ottenbros hem met een handigheidje de kop op te dringen en toen was het gebeurd met de brave Julien. Het werd zijn meest besproken prestatie. Sjemielig!

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 24 februari 2007 23:00

Roger RIVIÈRE (1936, overleden 01.04.1976, Frankrijk)

Frankrijk beschikte in de jaren vijftig over grote renners. Louison Bobet, Jean Robic, Raphael Geminiani en nog een handvol coureurs die bijna hun gelijke waren. Maar ze werden ouder en jong talent stak de kop op. Eerst was daar in 1953 het fenomeen Jacques Anquetil, formidabel tijdrijder die de eerste renner werd die vijf maal de Tour de France won. Drie jaar later stapte er nog zo’n uitzonderlijk talent in de schijnwerpers. Roger Rivière deed als tijdrijder nauwelijks voor Anquetil onder en hij was direct de lieveling van het Franse wielerpubliek. Hij debuteerde bij de profs met een regenboogtrui in de achtervolging, een wereldkampioenschap dat destijds nog in hoog aanzien stond bij de beste profs van de wereld. Een jaar later verbeterde hij met speels gemak het werelduurrecord met ruim 600 meter. Dat record stond op naam van de Italiaan Ercole Baldini. Het is niet vaak voorgevallen dat een recordhouder zijn eigen toptijd te lijf gaat, maar Rivière deed dat wel en hij stelde het in 1958 nog eens 400 meter scherper. Beide keren op de Milanese Vigorellibaan. Zijn eerste grote succes op de weg was het winnen van de Ronde van Europa, destijds een nieuw initiatief om de macht van de Tour wat in te perken en de voordelen van de nog prille Europese Gemeenschap (nog maar met 6 landen) te onderstrepen. Die ronde stierf een snelle dood, maar wel met Roger Rivière op de korte erelijst. In 1959 debuteerde het wonderkind uit Saint Etienne in de Tour de France en het werd direct een vierde plaats in het eindklassement. Een jaar later stond hij aan de start als een van de grootste favorieten en hij leek aan de verwachtingen te gaan voldoen, toen hij op 10 juli 1960 een duel om de gele trui aanging met de Italiaan Gastone Nencini, een van de beste dalers uit de wielergeschiedenis. In zijn ambitie om de als een steen naar beneden vallende Italiaan in de afdaling van de Col de Perjuret te volgen, nam Rivière iets te veel risico en hij viel 10 meter diep in het ravijn. Met een dubbele wervelbreuk belandde de ongelukkige coureur in het ziekenhuis en daar konden ze niet zoveel meer voor hem doen. Hij was grotendeels verlamd en hij kon zich nog slechts voortbewegen in een rolstoel. Door de verschrikkelijke pijnen die hij leed raakte hij verslaafd aan morfine. De rest van zijn korte leven was triest. Hij raakte aan lager wal en de zestien jaar dat hij nog heeft geleefd moeten een hel zijn geweest. Een enkele keer kan de verschrikkelijke ziekte kanker echter een verlosser zijn.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 22 februari 2007 23:00

« Vorige 1 2 3  ... 665 666 667 668 669 670 671 672 673 674 675  ... 700 701 702 Volgende »