Patrick SERCU (1944, België)

Ik heb me altijd afgevraagd hoe deze beschaafde en rustige man zo’n groot wielrenner kon zijn in een discipline van de wielersport, waar de tenoren elkaar het licht in de ogen niet gunnen en ze permanent bereid zijn elkaar een fikse loer te draaien. Dat is althans de beschrijving van het zesdaagsewereldje die ik ken uit de getuigenissen van mensen als Peter Post en René Pijnen. Er moet dus een beest in Sercu huizen, anders kan ik het niet verklaren. Hij is al vele jaren de recordhouder waar het om het winnen van de meeste zesdaagsen gaat. Er staan er 88 op zijn naam en hij startte er in 224. Een score van bijna 40 procent. Toch was het rijden van zesdaagsen niet meer dan zijn vak, waar hij als grootvorst jarenlang heel goed aan heeft verdiend. Zijn hart lag echter op de weg en hij heeft een aantal seizoenen lang beide disciplines naast elkaar bedreven. Hij heeft de klassiekers gereden, de Tour en de Giro, kortom het hele programma werkte hij af om dan in de winter nog eens een stuk of vijftien zesdaagsen te rijden. Hoe houdt een mens het vol? Hij had op de weg ook een grote kunnen worden, als er niet die beperking was die in zijn jeugd is ontstaan. Zijn vader was Albert Sercu, die in de jaren rond de tweede wereldoorlog een van de beste Belgische coureurs was. Wie naar de palmares van Berten kijkt, ziet daar heel veel tweede plaatsen op staan. Tweede in de Ronde van Vlaanderen, tweede in Parijs-Brussel, tweede in de Scheldeprijs, tweede in het WK van 1947 en ga zo nog maar even door. Er was er altijd eentje sneller en toen zoon Patrick al op zeer jeugdige leeftijd liet weten coureur te willen worden, stelde Sercu senior slechts één voorwaarde aan zijn medewerking en dat was: snelheid kweken. ‘Er moet van meet af aan op snelheid worden getraind anders word je net zo’n eeuwige tweede als je vader’. Berten knapte het vervallen wielerbaantje van Rumbeke eigenhandig op en Patrick ging daar elke dag aan de gang om zijn snelheid te ontwikkelen en te optimaliseren. Het resultaat was er naar, want de jonge …

Geplaatst door Fred van Slogteren, 26 juni 2007 22:00

Greg LEMOND (1961, Verenigde Staten)

In het nogal traditionele wielerwereldje van het begin van de jaren tachtig was hij van meet af aan een buitenbeentje. Een jongetje met een beugelbekkie en een baseballpet. MacDonalds was zijn favoriete restaurant en hij zat nergens mee. Net uit Amerika meldde hij zich in Amstelveen bij de grote Peter Post, de ploegbaas van de TI-Raleigh-ploeg waarvan de successen ook tot ver in de States waren doorgedrongen. Post liet de beslissing over aan zijn toprenners Raas en Knetemann en die schudden van nee bij het zien van dat jongenskoppie. Zo kwam het Amerikaantje bij de Franse Renault-ploeg terecht met Bernard Hinault, de ongekroonde koning van het toenmalige peloton, als kopman. Hij werd door ploegleider Cyrille Guimard voorbestemd voor een ondergeschikte rol naast andere talenten in de wachtkamer als Laurent Fignon en Charly Mottet, maar dat zinde de eigenzinnige yank helemaal niet. Hij rebelleerde. Niet met zijn mond, maar met zijn benen. Hij liet zien wat hij kon en dat kon Guimard niet blijven negeren. Toen Greg in 1983 wereldkampioen werd, eiste hij het kopmanschap op en dat bracht Guimard in de luxe, maar ook lastige situatie dat hij moest kiezen tussen de viervoudige Tourwinnaar en een talentvolle Amerikaan, die nog maar moest zien te bewijzen dat hij ook de Tour kon winnen. Het leidde het einde in van de jarenlange samenwerking met Guimard in en Hinault transfereerde naar de nieuwe ploeg La Vie Claire van Bernard Tapis, de steenrijke Franse ondernemer die geen idee had wat hij met al zijn geld moest doen. De wielerwereld keek er van op dat ook LeMond werd gecontracteerd. De Zwitser Paul Köchli, die als ploegleider een compromis moest zien te vinden, vond de oplossing. In de Tour van 1985 zou alles op de kaart van Hinault worden gezet en een jaar later zou LeMond de grote man worden. De Amerikaan hield zich keurig aan de afspraak, maar een jaar later kon de trotse Bretoen zich niet altijd …

Geplaatst door Fred van Slogteren, 25 juni 2007 22:00

Danny STAM (1972, Nederland)

De zoon van oud-wereldkampioen stayeren Cees Stam is in de loop der jaren een echte baanrenner geworden. En met zijn maatje Robert Slippens een vaste waarde in het zesdaagsecircuit. Na kanjers als Stol, Van Kempen, Pijnenburg, Schulte, Post en Pijnen heeft Nederland de laatste jaren weer twee sterren in dat aparte wereldje van de SIX, dat weer helemaal is opgebloeid dankzij de durf en het ondernemerschap van Frank Boelé en zijn mensen. Ze worden door de baandirecties in Europa ook niet uit elkaar gehaald, want er is respect voor de tweeëenheid uit Noord-Holland. Net als bij Risi-Betschart bleef het vriendenpaar steeds bij elkaar. En niet zonder gevolgen, want na een stage van enkele jaren behoren ze tot de blauwe trein, als we die oude term nog eens mogen gebruiken. De koppels die in die fameuze trein hebben plaatsgenomen, bepalen wie er wint en wie niet. En met vijf zesdaagseoverwinningen in de laatste vier jaar kunnen ze hun eisen kracht bij zetten. Wat de baandirecties niet lukte, lukte het noodlot vorig jaar wel. Door een zwaar ongeval in een wegwedstrijd ging het afgelopen seizoen geheel verloren voor Robert Slippens. En bij een koppel dat zo op elkaar is ingespeeld is de een net zo min zo maar te vervangen als de ander. De diesel Stam en de flyer Slippens voelen elkaar net zo aan als een echtpaar dat al een halve eeuw bij elkaar is. Ze kennen elkaar net zo goed als ze zich zelf kennen en vergissen zich zelden of nooit. En toen moest Danny Stam ineens met andere renners het zesdaagseseizoen afwerken. De meeste keren met Peter Schep, een renner die hij ook goed kent. Maar met alle respect voor Peter bleek het toch niet zo vertrouwd als met Robert. Zo nauw luistert dat. Inmiddels is Robert weer helemaal terug, maar aan het niveau van voor het ongeluk zal nog hard gewerkt moeten worden. Dat gaat zeker lukken en in oktober zullen ze er zeker weer in volle glorie staan. De aantallen overwinningen van hun voorgangers zullen ze niet meer halen, maar ze zullen zeker nog een reeks zeges behalen. Misschien wel een gouden plak. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 24 juni 2007 22:00

Robbie McEWEN (1972, Australië)

McEwen is een echte sprinter. Daar zijn er niet veel van. Petacchi is wat dat betreft zijn enige concurrent. Erik Zabel, Oscar Freire en Thor Hushovd zijn ook snel, maar die kunnen als renner meer. Die zien niet op tegen een solo van een kilometer of wat. Het is een kwestie van keuzes maken. Als McEwen gewild had was hij een heel andere renner geworden, want op een geaccidenteerd par- cours rijden ze hem er echt niet af en in een echte bergetappe zit hij niet als eerste in de bus. Van de week won hij nota bene een bergrit in de Ronde van Zwitserland. Maar daar maakt hij dan direct grappen over, want hij is sprinter en eigenlijk is hij daar best tevreden mee. Want een goede sprinter heeft het druk genoeg. Het is de hele dag positie kiezen en geconcentreerd blijven voor dat ene moment dat pas na uren fietsen aanbreekt. Die uren zijn de voorbereiding. Niet te ver naar achteren, de koers volgen, tegenstanders bekijken. Zeker als je, zoals de Australiër, geen uitgesproken treintje hebt, zoals Petacchi dat wel heeft is het constant werken geblazen. En dan die laatste kilometers. Dat vergt meer concentratie van een sprinter dan vijf cols voor een klimmer. Er gebeurt van alles en dat moet hij niet alleen allemaal waarnemen, maar er ook direct op reageren, zijn maatregelen nemen om niet ingesloten te worden en het goede wiel kiezen. En als dan alles goed is voorbereid dan volgt dat ene moment, die krachtsexplosie die slechts een fractie van een seconde duurt en waarin het moet gebeuren. In die laatste kilometers ligt de kracht van McEwen en de Belgische commentatoren van Sporza besteden daar vaak aandacht aan als ze McEwen verbaal volgen bij de helicopterbeelden van de laatste kilometer. Het klopt allemaal, de kleine man heeft zich doorgaans in de ideale positie gemanoeuvreerd en hij zit aan het goede wiel. Een leek zal vaak oordelen dat hij op dat moment kansloos is, maar dan verandert de kop van de groep drastisch. Je ziet de ...

Geplaatst door Fred van Slogteren, 23 juni 2007 22:00

AERNOUTS, Bart (1982, België)
GHELLA, Mario (1929, Italië)
OTSUKA, Wataru (1986, Japan)
PUSCHEL, Dieter (1939, overleden 31.03.1998, Duitsland)
VEN, Lambert van der (1937, Nederland)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 22 juni 2007 22:00

Andreas KLÖDEN (1975, Duitsland)

Waar zou Klöden vandaag qua reputatie hebben gestaan in de wielerrangschikking aller tijden als Jan Ullrich er niet was geweest? Een onzinnige vraag, want Ullrich heeft natuurlijk wel met zijn grillen jarenlang het Duitse wielerdenken beheerst. Het is echter een feit dat het talent van de voormalige Ossie jarenlang ondergeschikt is gemaakt aan de jojo-carrière van Der Jan. Klöden kan goed omhoog en zijn tijdrit is meer dan behoorlijk en daarom werd hij door de ploegleiding van T-Mobile aangewezen om Ullrich zoveel mogelijk bij te staan in diens wanhopige strijd tegen Sir Lancelot from Austin. Niet dat het heel anders was gelopen als Ullrich er niet was geweest, want Klöden is een heel goede renner, maar geen fenomeen. Dat bewees hij vorig jaar toen hij ook geen antwoord had op het exploit van Landis. Ook moest hij passen in de Rabo-etappe en op l’Alpe d’Huez waar Schleck triomfeerde. Maar die jarenlang gehanteerde tweede viool heeft toch behoorlijk aan het karakter van Andreas gesleuteld. Nu Ullrich definitief uit de wielrennerij is gestapt had het voor de hand gelegen dat hij als eerste luitenant de kroon en de scepter had gegrepen om nu alles op zijn eigen kansen te zetten. De tweede plaats in de Tour van 2004 was toch bewijs genoeg van zijn mogelijkheden en dan was er ook nog die derde plaats in 2006 als nevenargument. Door dik en dun gesteund door een sterke ploeg moet het hoogste treetje mogelijk zijn. Maar wat doet Andreas? Hij treedt enthousiast in dienst bij de oliemagnaten uit Kazachstan om daar wederom de tweede viool te hanteren in de schaduw van solist Alexandre Vinokourov. Tja, dan wordt het natuurlijk nooit wat met de mogelijkheden van Andreas Klöden uit de deelstaat Brandenburg. Het zal wel om geld gaan en wie zijn talent verkwanseld voor pecunia verdient het ook niet de Tour te winnen. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 21 juni 2007 22:00

Jacques GODDET (1905, overleden 15.12.2000, Frankrijk)

Eigenlijk had Jacques Goddet een Engelsman moeten zijn. Zo eentje met een ‘stiff upper lip’. Zijn Britse uitstraling heeft hij ongetwijfeld opgedaan in de jaren dat hij als jongeling in Oxford studeerde. Daar wemelde het van dit soort types en ik vermoed dat je alleen op de toenmalige ‘universiteit voor ons soort mensen’ werd geaccepteerd als je zo leek weggelopen uit een boek van P.G. Wodehouse. Maar Goddet was een Fransman en zoon van een krantendirecteur. Victor Goddet was ooit de financiële man aan het hoofd van het dagblad l’Auto, de krant die in het begin van de twintigste eeuw begon met het organiseren van de Tour de France. Zijn mededirecteur en hoofdredacteur Henri Desgrange was natuurlijk dé man, maar Goddet zorgde ervoor dat de centjes verantwoord werden uitgegeven. Toen zijn zoon Jacques na zijn studie in Oxford in 1924 als journalist in dienst bij de krant van zijn vader trad, werd hij belast met het verslaan van de grote sportevenementen in de wereld en zo was hij als verslaggever aanwezig bij de Olympische Spelen van Parijs, Amsterdam, Los Angeles en Berlijn. Toen brak de oorlog uit en dat zette ook in Frankrijk van alles op zijn kop. In de krantenwereld lagen de verhoudingen na de oorlog heel anders dan ervoor. Omdat er na al die ellende grote belangstelling was voor sport, besloot Jacques Goddet een dagblad op te richten dat geheel aan de belangrijkste bijzaak van de wereld gewijd was. Hij noemde het blad l’Équipe en die krant is tot op de dag van vandaag een van de meest toonaangevende sportkranten van de wereld. Als beheerder van het erfgoed van de in de oorlog overleden Desgrange trok hij de organisatie van de Tour de France naar zich toe en hij deelde die verantwoordelijkheid, na een aantal jaren solo te hebben …

Geplaatst door Fred van Slogteren, 20 juni 2007 22:00

BALLESTER MARTIN, Vincente (1980, Spanje)
HAAN, Sierk-Jan de (1981, Nederland)
KORVER, André de (1915, overleden 25.02.1990, Nederland)
WEGMANN, Fabian (1980, Duitsland)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 19 juni 2007 22:00

Francesco MOSER (1951, Italië)

Francesco Moser is één van mijn favoriete renners geweest. Een van de grootsten uit de wielergeschiedenis, hoewel hij nooit de Tour de France won en hij alleen de Giro heeft gewonnen omdat het parcours in 1984 helemaal op zijn mogelijkheden werd uitgezet. Hij kon zich op alle terreinen van de wielersport met de besten van de wereld meten, maar in het hooggebergte kwam hij tekort. Verder was hij een compleet renner. Een superieure jachtrijder, die ook nog eens een sterke sprint in huis had. Hij won elf klassiekers in zijn profcarrière, die zestien jaar duurde. Vooral zijn drie overwinningen in Parijs-Roubaix maakten indruk, omdat het in die tijd niet vanzelfsprekend was dat een Italiaan die strontkoers won. Die verwende gesoigneerde mannetjes bleven liever in eigen land om daar onder een lekker zonnetje van die Italiaanse semi-klassiekers te rijden. Nee dan Checco, die zocht te concurrentie op. De internationale competitie, waar hij mannen tegenkwam als Merckx, Hinault, Kuiper, Thurau, Raas, Zoetemelk, Maertens, Pollentier en nog een hele reeks van dat soort keienvreters. In 1977 werd hij wereldkampioen in San Cristobal in het verre Venezuela. Het was een van zijn twee wereldtitels, want een jaar eerder was hij ook wereldkampioen achtervolging door in de finale onze landgenoot Roy Schuiten te verslaan. Hij had er ook op gerekend dat hij 1978 wederom wereldkampioen op de weg zou worden. Maar daar stak ene …

Geplaatst door Fred van Slogteren, 18 juni 2007 22:00

Teun MULDER (1981, Nederland)

Teun uit Zuuk’, dat klinkt een beetje als ‘Klazien uit Zalk’, maar Teun Mulder uit het nabij Epe gelegen dorpje Zuuk is geen kruidenvrouwtje, maar een topsprinter. Honderd procent baanrenner, want voor het wegwerk is hij veel te ongedurig. Hij wil wel zes uur aan één stuk op de fiets zitten, maar dan moet er ook wat te beleven zijn. En op de baan is er afwisseling zat, want dat je na elke zoveel seconden weer hetzelfde punt passeert dat ziet een gepassioneerde baner helemaal niet. Die is met zijn vak bezig en met een coach als Peter Pieters zorg je er wel voor dat de aandacht niet verslapt. Teun zou al vele titels op zijn naam hebben staan als hij niet een maatje had gehad die in bijna alles nog net effe beter is. Zijn vroegere trainingsmaat uit het nabijgelegen Hierden is verhuisd naar Alkmaar om daar nog harder op de baan te kunnen trainen en zo ver wil Teun niet gaan, want Zuuk is Zuuk en dat is hem zeer dierbaar. Niet dat hij nou helemaal in de schaduw van Theo Bos is verdwenen, want hij heeft ook een regenboogtrui in de kast hangen. In 2005 was hij wereldkampioen keirin en dat was een mijlpaal in zijn carrière. Teun heeft een mooi leven, hij ziet veel van de wereld door de wereldbekerwedstrijden en met Theo Bos en Tim Veldt (zoon van de vandaag eveneens verjarende Lau Veldt) vormt hij met enkele buitenlandse sprinters een mooi en attractief pauzenummer in de zesdaagsen. Zo haalt hij regelmatig de kranten, maar daar kijken ze in Zuuk niet van op. Als Teun weer iets bijzonders heeft gepresteerd wordt de calèche met een span paarden echt niet van stal gehaald om de gelauwerde dorpsgenoot te huldigen, want in Zuuk doe je al gek genoeg als je gewoon doet. Alleen voor zijn regenboogtrui werd een uitzondering gemaakt. ‘Dat heb je mooi gedaan, jong’, zeiden de Zukenaren, waarna ze overgingen tot de orde van de dag. (Foto: © Cor Vos)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 17 juni 2007 22:00

« Vorige 1 2 3  ... 654 655 656 657 658 659 660 661 662 663 664  ... 700 701 702 Volgende »