Claude CRIQUIELION (1957, België)

Er zijn renners die de wielerhistorie ingaan vanwege een bepaalde gebeurtenis, die iedereen zich herinnert. Dat is ook het geval bij deze Waalse wielrenner die in 1984 wereldkampioen op de weg was, de Ronde van Vlaanderen, de Clasica San Sebastian, de Henninger Turm en twee maal de Waalse Pijl won. Dan ben je een knappe renner geweest, want hij won ook nog de Catalaanse Week, de Midi Libre en de Ronde van Romandië. In de Tour de France kwam hij iets te kort, hoewel hij in tien starts vijf keer bij de eerste tien eindigde met een vijfde plaats als beste prestatie. In de Giro werd hij een keer zevende en in de Vuelta derde. Een knappe renner dus die Kriki, die in Vlaanderen redelijk populair was ondanks zijn afkomst. Hij sprak dan ook voortreffelijk Vlaams en dat scheelt een stuk in de acceptatie. Toch zal Criquielion niet in de herinnering blijven door zijn fraaie palmares, want in 1988 gebeurde er iets waar hij misschien liever niet meer aan herinnerd wordt. 
Het WK werd dat jaar in België verreden en wel in en om Ronse, het plaatsje in de Vlaamse Ardennen met veel lastige klimmetjes in het parcours. In datzelfde Ronse had in 1963 ook al eens een idiote ontknoping van het WK plaatsgehad, maar die van 1988 was zo mogelijk nog gekker. Drie renners hadden zich in de laatste kilometers afgescheiden van de rest en zij waren van één ding zeker: ze zouden gedrieën het podium gaan vormen. Alleen de volgorde was nog niet bekend. De drie waren de jonge Italiaan Maurizio Fondriest, de felle Canadees Steve Bauer en Criquielion. Als sprinter had de Italiaan de beste papieren, maar die zat zo kapot dat hij al bij de eerste versnelling in de aanloop naar de eindsprint moest lossen. Bauer wist dat hij tegen de Waal geen kans had en hij besloot tot een ongeoorloofde manoeuvre. Hij stuurde scherp naar rechts, waardoor Criquielion kwam klem te zitten tussen de Canadees en de dranghekken. Hij raakte het metaal en viel. Ook Bauer raakte uit balans en de al geklopte Fondriest had ruim baan. Bauer werd tweede en Criquielion kwam lopend met de fiets aan de hand over de streep, terwijl hij nog door tal van renners uit het peloton werd gepasseerd. Woedend was hij en zijn zwarte ogen schoten vuur, ook al werd Bauer direct uit de uitslag verwijderd. Claudy pikte het niet en hij stapte naar de rechter. Die wist er ook geen raad mee en enkele jaren later werd de zaak geseponeerd. Dus als ik de naam Criquielion hoor, zie ik weer die ogen. De kop van Bauer kan hij niet meer zien, maar vandaag ziet hij wel Abraham.
 (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 10 januari 2007 23:00

Bernard THEVENET (1948, Frankrijk)

Fransen hebben de gewoonte hun favoriete coureurs koosnaampjes te geven. André Leducq en André Darrigade werden Dedé, Poulidor werd Poupou, Lucien Michard werd Lulu en Laurent Jalabert werd alleen nog maar aangesproken met Jaja. Ook Bernard Thevenet heeft een koosnaam. Nanard werd hij genoemd, maar het had beter Jojo kunnen zijn, want de carrière van deze renner jojoode jarenlang van hoogtepunt naar diepe dalen. Hij won twee maal de Tour de France in 1975 en ‘77. In het jaar na beide overwinningen viel hij ver terug en fietste hij als een koekenbakker in de rondte als zijn eigen schaduw. Hij won de Tour van ’75 door als een van de eersten Eddy Merckx een gevoelige nederlaag toe te brengen op Pra Loup. Hij kon toen niet meer stuk in eigen land, waar ze meer dan genoeg hadden van de verstikkende superioriteit van de Belg. Maar in 1976 was Nanard nergens, om zich in 1977 weer als een vedette te manifesteren. Hij kreeg te maken met Hennie Kuiper die dat jaar in een geweldige vorm stak. Hennie was in de etappe naar l’Alpe d’Huez in de gelegenheid om samen met Zoetemelk de Fransman af te slachten, maar hij prefereerde het om eerst het bordje van Thevenet leeg te eten. Toen hij aan zijn eigen bordje toe was, sloeg hij het winnende gat, maar hij was te zeer gefocust op de etappeoverwinning om direct ook maar de gele trui te pakken. Hij verspeelde tientallen seconden door van de laatste kilometer een triomftocht te maken. Daardoor kon Thevenet de schade beperken en net zijn leiderstrui behouden. Toen had Kuipertje nog maar één heel klein kansje en dat was in de tijdrit. Nanard was echter een veel betere tijdrijder om na de winst in Parijs direct weer Jojo te worden. Jaren later bekende hij in de Tour van 1977 corticosteroïden te hebben gebruikt. Niemand maakte er zich nog druk om, ook Kuiper niet. Landis kan dit geval misschien gebruiken als jurisprudentie als hij in maart voor zijn rechters staat. Waarom hem wel te schande maken en Thevenet destijds niet? En voor iedereen die hierop wil reageren: ik weet dat ik met appels en peren bezig ben. Nanard loopt sinds vandaag tegen de zestig en het gaat hem goed. Zijn naam is een merk geworden van wielerkleding, hij ziet er gezond uit en hij leeft als een god in Frankrijk. Letterlijk en figuurlijk, want een Tourwinnaar krijgt in Frankrijk gratis een voorschot op de hemel. Met du pain et du vin, et pas de chagrin! (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 9 januari 2007 23:00

Mathieu HERMANS (1963, Nederland)

Na Jean-Paul van Poppel en Jeroen Blijlevens is Mathieu verreweg de snelste wegsprinter geweest die we in ons land hebben gehad. Hij is vooral in de Ronde van Spanje succesvol geweest waar hij in twee jaar tien ritten op zijn naam schreef. Ook in de Tour won hij een rit. Zijn carrière speelde zich voornamelijk in Spanje af, omdat hij als nieuweling in contact kwam met de bekende trainer Albert Stofberg, die jarenlang in dat land heeft gewerkt. Stofberg was een man van de harde aanpak. Zijn pupillen werden afgebeuld en hij maakte ze veelzijdig. Wegrenners moeten blindelings kunnen schakelen, als de beste kunnen sturen en in één oogopslag onvolmaaktheden in het wegdek zien om die te kunnen ontwijken. Daarom liet hij de jonge Hermans intensief in het veld rijden, omdat hij in zijn categorie als wegrenner niets meer te leren had. Hij won daar namelijk alles, tenzij pech dat in de weg stond. Mathieu was geen gehoorzaam ventje, maar Stofberg zette door en als amateur kreeg de jonge Brabantse renner een plaatsje in de Amstel Bier-ploeg van Herman Krott. Daar bleef hij hangen, de ontwikkeling zette niet door en Stofberg bracht hem naar Spanje waar hij als beroepsrenner een contractje kreeg bij de Orbea-ploeg. Hij ging er aanvankelijk heen om te crossen en daarin was hij zo succesvol dat zijn naam steeds groter in de kranten kwam. Hij was klaar voor het grote werk. Een probleem daarbij was dat hij zich niet in massasprints durfde te begeven en daar was-ie voor geknipt. De relatie met Stofberg hing door de ruzies daarover nog maar aan een dun draadje. Alles kwam goed toen Hermans zijn angst had overwonnen en zich tot een geslepen en vakbekwaam spurter had ontwikkeld die aan het kleinste gaatje genoeg had om er winnend door heen te gaan. Zo bouwde hij een prachtige palmares op. Na zijn carrière trad hij in dienst van het kledingmerk Bioracer, terwijl hij in zijn vrije tijd hand- en spandiensten verleende aan de NOS-équipe o.l.v. Mart Smeets. In die functie voorzag hij de commentatoren tijdens de reportages van inside-information. Smeets, Dijkstra en Ducrot zullen het volgend jaar zonder Mathieu moeten doen, want hij is nu ploegleider van de Belgische ProTour-formatie Unibet.com. Hopelijk heeft hij nog een aantal goede tips van Stofberg paraat om zijn renners aan succes te helpen. We zullen zien. (Foto: © Cor Vos)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 8 januari 2007 23:00

Gerrit SCHULTE (1916, overleden 26.02.1992, Nederland)

Gerrit Schulte was een van de wielerhelden van mijn jeugd. Als er een programma was in het Olympisch stadion was ik lang van tevoren aanwezig. Dan zag je hem aankomen in zo’n grote Amerikaanse slee met een grote koffer er op bevestigd voor zijn fietsen en ander materiaal. Dan moest hij even wachten tot het hek openging en dan deelde hij met nors gezicht handtekeningen uit aan de jongetjes die daar met mij stonden te wachten. Later in de jaren zeventig moest ik regelmatig in Den Bosch zijn. Voor de lunch ging ik dan naar zijn restaurant in het sportpark De Vliert. Er was nooit een mens. Als de grote Gerrit Schulte dan een uitsmijter voor me had gebakken kwam hij bij me aan tafel zitten. Lekker over wielrennen lullen. Een prachtige renner, een soms moeilijk mens die er tot zijn dood van overtuigd was dat hij de allergrootste is geweest. De enige die hij het voordeel van de twijfel gunde was Fausto Coppi en die had hij verslagen in het WK achtervolging 1948. Ik had in die tijd net een tweedehands RIH-frame overgenomen van een Amsterdamse renner die een goede amateur was geweest, maar als beroepsrenner de verwachtingen niet had kunnen waarmaken. Die had nog een nieuw frame laten maken bij de keizerlijke fietsenmakers van de Westerstraat en hij trok er iedere zondag op uit met een groepje oud-renners. Toen Schulte mij vroeg of er nog renners uit zijn tijd actief waren op de racefiets, noemde ik de naam van die oud-renner. Ik zag even een soort irritatie in zijn ogen en hij zei: “Ik bedoel renners, geen koekebakkers, mannen als Derksen en Post, fietsen die nog?” Dat was Schulte ten voeten uit. Hij was bereid andere renners enigszins te erkennen, maar die moesten dan wel minstens wereldkampioen zijn geweest of meer zesdaagsen hebben gewonnen dan hij. Volgende maand is hij al weer vijftien jaar dood. (Foto: archief Wim van Eyle)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 6 januari 2007 23:00

Patrick LEFEVERE (1955, België)

Hij was geen slechte renner, want hij won Kuurne-Brussel-Kuurne en dat is altijd een lastige wedstrijd. Hij was echter geen topper en daarom stopte hij al op z’n 25e. Hij zag zijn beperkingen, want hij had het vermogen om renners en dus ook zich zelf te doorzien. Hij werd assistent-ploegleider bij Marc-Zeepcentrale, de ploeg waar hij de laatste twee jaar van zijn beroepscarrière voor reed. Hij leerde het vak van Walter Godefroot, zijn sportdirecteur. Hij ging in diens schaduw mee naar Capri-Sonne en vervolgens naar Lotto. Toen Godefroot naar Telekom ging trok hij naar Italië, waar hij bij de Italiaans-Belgische formatie GB-MC doorbrak als een van de beste ploegleiders van het peloton. Na GB-MC werkte hij bij de fameuze Mapei-ploeg om vervolgens weer in België te geraken bij eerst Domo en later QuickStep, de succesformatie waarvan hij nu de grote baas is. Onder zijn leiding kwamen renners als Johan Museeuw, Michele Bartoli, Paolo Bettini en Tom Boonen tot grote bloei. Ik heb hem een keer ontmoet in Luik. Aan de vooravond van La Doyenne had ik in een groot hotel een afspraak met David Duffield, Brits verslaggever van Eurosport. Vanuit de parkeergarage reisde ik met de lift naar de lounge van het hotel. Gelijk met mij stapte Lefevere in de lift en hij knikte mij vriendelijk toe. Luttele seconden stonden we zwijgend in een ruimte van misschien vijf kubieke meter en dat was genoeg voor mij om te zien wat het succes van deze man is. Hij heeft een geweldig charisma en hij zorgt er voor er altijd perfect uit te zien. In de hal van het hotel werd hij direct omringd door mensen die van alles van hem wilden. Hij ging daar prettig en geroutineerd mee om. Ik trof Duffield diep weggezonken in een lederen bankstel en met een pint onder handbereik hadden we het over Peter Post over wie ik een boek aan het schrijven was. Duffield is de man geweest die Post en Raleigh bij elkaar bracht en op mijn vraag waarom hij juist Post voorstelde als de ideale ploegleider voor de Britse ploeg, zei David: “He had that certain something”. Op dat moment liep Lefevere langs. “Like him”, vroeg ik. David knikte en zei: “he also has it.” (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 5 januari 2007 23:00

Jean VAN BUGGENHOUT (1905, overleden 01.06.1974, België)

Jean Van Buggenhout behoorde tot het selecte groepje mensen die de macht had om te bepalen wie wel en wie niet carrière op de baan mocht maken. Nadat hij zelf voor de tweede wereldoorlog zesdaagsecoureur was geweest, werd hij manager, zeg maar zaakwaarnemer, van diverse renners en matchmaker van de Brusselse winterbaan. Je moest in die tijd van goeden huize komen om als onbekend rennertje een contract te bemachtigen, want zijn oordeel was hard. Bovendien beschermde hij als hun manager de belangen van een aantal baanvedetten en die waren er helemaal niet bij gebaat dat jong talent kwam meeëten uit de gevulde ruif van de overdekte banen in Brussel, Gent en Antwerpen, waar in de wintermaanden vrijwel iedere week een groot programma werd georganiseerd. De matchmaker van Antwerpen Theo Baelemans was het moeilijkst te overtuigen, maar Van Buggenhout streek nog wel eens de hand over zijn hart als een jonge ambitieuze renner om een contractje kwam bedelen. Na ettelijke malen zijn hoofd te hebben gestoten trof de jonge en volmaakt onbekende Peter Post Van Buggenhout eens in zo’n zeldzame menselijke bui. De Amsterdammer kreeg een kans en hij wist dat hij die moest grijpen, want het zou zijn enige zijn. Hij won op indrukwekkende wijze zowel de serie als de finale van een klassementswedstrijd voor abonnenten, de term voor jonge beloften. Het was voor Post het begin van een imposante carrière, waarin hij Van Buggenhout meer dan eens is tegengekomen. Het laatst in 1973 (foto) toen Peter Post voor het eerst de organisatie van de Zesdaagse van Rotterdam op zich nam. Hij wilde er een groot succes van maken en hij besefte dat hij maar één ding hoefde te doen en dat was Eddy Merckx contracteren. Dat lukte met de hulp van Van Buggenhout, de manager van Merckx. Het kostte Post een gigantisch bedrag, maar dat heeft hij er dubbel en dwars uitgehaald met de recettes want het zat avond aan avond bomvol in Ahoy’. (Foto: archief Sportpaleis Ahoy’)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 4 januari 2007 23:00

David MILLAR (1977, Groot Brittannië)

Een van de beste tijdrijders uit de geschiedenis van de wielersport, maar hij heeft zijn prestaties op de fiets niet kunnen verzilveren met een klinkende palmares. Hij boekte mooie overwinningen en vooral in de jaren 2001 en 2003 was hij heel succesvol met respectievelijk acht en zes overwinningen. Bij die zes van 2003 zat ook de wereldtitel tijdrijden. 2004 werd echter het jaar van schuld en boete. Tijdens de Tour werd bekend dat Millar stelselmatig al vanaf 2001 epo gebruikte. In plaats van de gebruikelijke operette van ontkennen en zwijgen, gaf de Schot ruiterlijk toe dat hij helemaal fout zat. Hij werd door de UCI voor twee jaar geschorst, terwijl hem bovendien zijn wereldtitel werd afgepakt. David Millar heeft zijn schorsing inmiddels uitgezeten en in het afgelopen jaar keerde hij terug in het peloton. Niet meer bij zijn sponsor Cofidis, die hem direct had ontslagen toen zijn dopinggebruik bekend werd, maar bij Saunier Duval. Hij reed dit jaar zowel de Tour de France als de Ronde van Spanje. Hij toonde in die twee rondritten aan dat twee jaar uit competitie zijn, niet zonder gevolgen blijft. Hij won weliswaar een rit in Spanje, maar verder was het meerijden geblazen. Misschien heeft hij nog wat tijd nodig om weer bij de toppers te geraken, maar it makes you wonder. Die overwinning in Spanje was overigens niet zijn enige in 2006. Hij werd ook nog heel symbolisch kampioen van zijn land in de achtervolging. Want hoezeer hij ook spijt heeft betuigd en er zwaar voor is gestraft, zal zijn dopingverleden hem altijd blijven achtervolgen. Alsof hij de enige is. Het pleit in ieder geval voor hem dat hij als vrijwel enige zijn zonden heeft toegegeven. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 3 januari 2007 23:00

Alessandro PETACCHI (1974, Italië)

Er zijn ploegen die naar een grote ronde gaan met geen ander oogmerk dan het winnen van zo veel mogelijk etappes. Ze hebben meestal geen klassementsrenner van formaat en daarom wordt de ploeg gebouwd rond een sprinter van wereldklasse. Die wordt elke dag volledig uit de wind gehouden, vertroeteld en verzorgd om in de laatste kilometers optimaal in stelling te worden gebracht. Voor zo’n ploeg is Petacchi de ideale afmaker, want hij is een koel en berekenend sprinter. En als hij goed uit het wiel komt dan is er geen houden meer aan. Dan kan hij lengtes pakken, ook op McEwen, Boonen en al die andere snelle mannen. Het is een mooi gezicht, maar verder heb ik er niet zo veel mee. De etappe is langer dan die paar kilometers van de finale en dat is dan meestal een saaie vertoning. In 2003 won Petacchi op die manier vijf ritten in de Vuelta, zes in de Giro en vier in de Tour. Ik zag hem dat jaar ook de eerste etappe van de Ronde van Nederland winnen. Op de Boompjes in Rotterdam. Nog een beetje gewend aan het fenomeen Cipollini verwachtte ik ook zo’n Italiaanse blitskikker. Maar op het podium stond een schuchter mannetje die bijna verlegen de kussen van de missen incasseerde en bij het zwaaien naar het publiek keek, alsof hij wilde zeggen: kijk mij nu eens gek doen. Alessandro Petacchi is een wereldsprinter, zonder de geweldige uitstraling van Cipo en nog een paar honderd Italiaanse wielrenners uit het verleden. Vorig jaar ging al in het voorjaar zijn seizoen naar de knoppen door een val waarbij hij zijn knieschijf brak. Hij zal er dit jaar wel weer bij zijn en ongetwijfeld weer veel winnen. Dat is een mooi gezicht, maar ze mogen dat huldigen van mij overslaan. Van hem ook trouwens. (Foto: © Cor Vos)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 2 januari 2007 23:00

Pjotr UGRUMOV (1961, Letland)

“Ik was zestien jaar. Op school kwam een wielertrainer vragen of er iemand interesse had om wedstrijden te fietsen”, lees ik in een interview uit 1994 dat Raymond Kerckhoffs met Ugrumov had. In de jaren die volgden kwam de Let in het Sowjet-systeem tot wasdom en hij behoorde jarenlang met Aboesjaparov, Tschmil, Ekimow en nog vele anderen tot de fine fleur van het Sowjet-fietsen. In 1989 predikte Gorbatsjov de Perestrojka en de gebeurtenissen volgden elkaar snel op. Het solide, vanuit het Kremlin geleide communistische systeem stortte ineen als een kaartenhuis en na het optrekken van de stofwolken bleek het een failliete boedel te zijn. De poorten naar het rijke westen werden ook voor de wielrenners opengezet, maar het systeem werkte nog enigszins en de staatsamateurs werd aanvankelijk verboden om voor de grote commerciële ploegen te tekenen. Ze werden ingelijfd bij de in San Marino zetelende Alfa-Lum-formatie dat met Italiaans kapitaal 15 neo-profs uit de voormalige Sowjet Unie als ploeg op de weg zette. Ze keken hun ogen uit als Alice in wonderland en ze hadden in de eerste jaren veel last van aanpassingsproblemen. Maar toen ze die eenmaal hadden overwonnen kropen ze uit hun schulp en kwamen de successen. Ugrumov had het nadeel dat hij al tegen de dertig liep toen hij prof kon worden en met de jaren van aanpassing mee was hij al een bijna-veteraan toen hij op het hoogste niveau zijn kunsten mocht vertonen. En zijn voornaamste kunstje was het klimmen. Het kalende mannetje reed de cols op met de grote klimmers van die tijd en met Don Miguel Indurain, in de eerste helft van de jaren negentig de heerser van de Tour de France. In 1994 zal de rijzige Bask het best benauwd hebben gehad van de Let, die op indrukwekkende wijze twee Alpenritten op zijn naam schreef en de Spanjaard tot op 58 seconden naderde. Verder kwam hij niet want Indurain was met afstand de beste tijdrijder van die periode en dat ligt een echte klimmer heel wat minder. Die tweede plaats was het hoogtepunt voor Ugrumov, want daarna was het min of meer met hem afgelopen. Hij werd nog een keer zevende in de Tour, maar verdere successen bleven uit. Hij koerste tot 1999 en keerde daarna met een dikke portemonnee terug naar zijn vaderland. Wat hij daar is gaan doen, weet ik niet, maar zijn welstand is hem van harte gegund. Het Sowjetsysteem heeft jarenlang grote sportmensen gebruikt voor eigen glorie en de enkelen die nog van het grote geld hebben mogen profiteren, verdienen dat ook. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 31 december 2006 23:00

Mario AERTS (1974, België)

Deze uit Herentals afkomstige renner is een van de weinige klassementsrenners die België op dit moment rijk is. Hij is afkomstig uit de opleidingsploeg Vlaanderen van Roger Swerts. In dienst van deze bescheiden ploeg won hij de Grote Prijs Isbergues en het Circuit Franco-Belge. Zware koersen die de jonge Aerts goed aankon. Hij kan redelijk bergop en men was dan ook niet verbaasd toen hij verrassend debuteerde in de Tour van 1999 waar hij tweede werd in het jongerenklassement. Maar de progressie zette helaas niet door en hij was al min of meer voor het grote werk afgeschreven toen hij in 2002 de Waalse Pijl won. Het was zijn mooiste overwinning en tevens zijn laatste. Van Lotto-Adecco transfereerde hij in 2003 naar Team Telekom, dat een jaar later T-Mobile zou gaan heten. In die cultuur voelde de rustige en bescheiden Vlaming zich niet thuis en het waren twee bedroevende seizoenen. Dit jaar was hij weer terug in Belgische dienst en wel bij zijn oude ploeg die nu Davitamon-Lotto heet. Hij reed dit jaar een anonieme Tour de France ver in de achterhoede en met zijn eindklassering als 106e zal hij zijn supporters bepaald niet blij hebben gemaakt. Hij heeft natuurlijk in dienst gereden van zijn kopman Cadel Evans, maar iets van zijn grote mogelijkheden had ik wel willen zien. Al was het maar één dag. Misschien dat het volgend jaar beter gaat. (Foto: © Cor Vos)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Geplaatst door Fred van Slogteren, 30 december 2006 23:00

« Vorige 1 2 3  ... 660 661 662 663 664 665 666 667 668 669 670  ... 690 691 692 Volgende »