ad ad ad ad
Deel 3 is uit

Slogblog


 

“Voor de ploeg Dr.Mann reden in de zestiger jaren niet de minste coureurs en van de Nederlanders die voor die ploeg hebben gereden noem ik alleen maar Wim en Piet van Est en Peter Post. Dr.Mann was of is een pijnstiller en het is me niet bekend of het merk nog bestaat. Als sponsor was het gekoppeld aan de bekende Belgische fietsenfabrikant Libertas.
In 1967 en ‘68 werd de Tour weer eens met landenploegen verreden, nadat die formule in 1962 was ingeruild voor merkenploegen. Omdat België in die tijd een heel sterk wielerland was, werden de twee belangrijkste Belgische merkenploegen Dr.Mann-Libertas en Flandria als de Belgische A en B ploeg tot de ronde toegelaten. Met die landenploeg-formule gingen de Belgische supporters er zonder meer van uit dat de twee teams eendrachtig zouden samenwerken om na dertig jaar weer eens een Belg aan de zege te helpen. Niets was echter minder waar.
De coureurs bestreden elkaar het gehele jaar door op leven en dood en ze keken elkaar dan ook met ...

Door Fred van Slogteren, 27 februari 2007 10:00

André LEDUCQ (1904, overleden 18.06.1980, Frankrijk)

De Fransen hebben de Tour de France altijd gezien als hun ronde. Buitenlandse deelname vonden ze prima, als er maar meestal een Fransman won. Van het begin in 1903 tot de eerste wereldoorlog werden ze op hun wenken bediend. Twaalf Tours met tien maal een Fransman als winnaar. Na de oorlog volgden er elf jaar, met maar één Franse overwinning. Dat was in 1923 en de winnaar heette Henri Pélissier, en heel Frankrijk haalde opgelucht adem na zeven jaar Belgische overheersing. Maar na het succes van Pélissier volgden twee Italiaanse, twee Belgische en twee Luxemburgse overwinningen. Het was om gek van te worden. De oplagecijfers van de organiserende krant daalden dramatisch en in het najaar van 1929 kreeg Henri Desgrange, zowel eigenaar van de krant als directeur van de Tour,  een lumineus idee. Niet langer zou zijn Tour - de Tour aller Fransen - door merkenploegen betwist worden, maar door landenteams. Frankrijk had sterke renners en in één ploeg verbonden moesten die gehate buitenlanders verslagen kunnen worden. Op 2 juli 1930 stond er een fantastische Franse nationale ploeg aan de start met Charles Pélissier, Marcel Bidot, Antonin Magne en André Leducq als voornaamste peilers. De ploeg was heer en meester. Pélissier won acht etappes en de ploeg in totaal twaalf. En in het eindklassement werd Leducq eerste, Antonin Magne derde, Marcel Bidot vijfde, Pierre Magne zesde en Charles Pélissier negende. André Leducq had twee uitgesproken talenten. Hij had een vlijmscherpe sprint en hij kon dalen als de beste. Als matige klimmer wist hij de schade steeds in de afdalingen weer goed te maken en met zijn eindsprint was hij een geweldige rittenkaper. Hij startte negen maal in de Tour en hij won in totaal 25 etappes, een aantal dat alleen door Merckx en Hinault is overtroffen. Het was ook een aardige kerel die immens populair was. In 1932 won hij nog een keer en met Tonin Magne en Georges Speicher zorgde hij er voor dat de Franse nationale ploeg vijf jaar lang onverslaanbaar was. De populariteit van Dédé was zo enorm dat hij de eerste sportman was die voor het maken van reclame werd ingezet. De affiches waarop hij stond afgebeeld met een Lucky Strike sigaret zorgden er voor dat het merk jarenlang marktleider in Frankrijk was.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Door Fred van Slogteren, 27 februari 2007 0:00

Vanmiddag heeft Jan Ullrich tijdens een persconferentie in Hamburg bekendgemaakt dat hij de handdoek in de ring gooit. Ik vind dat een verstandige beslissing, want er is te veel gebeurd. Ik vind ook niet dat hij altijd eerlijk is beoordeeld, maar daar gaat het niet meer om. Door al het jarenlange gedoe is zijn geloofwaardigheid zodanig aangetast dat een comeback er niet meer in zit. Dat heeft hij voor een deel aan zich zelf te wijten, maar voor een ander deel ook aan de hypocrisie die het internationale profwielrennen omgeeft. Daarom heeft hij een verstandige beslissing genomen door zich terug te trekken. Hij heeft zijn miljoenen binnengehaald en ik hoop dat hij in de luwte van het eenvoudig burgerschap de rust vindt om als een modaal mens zijn leven verder te leven. Hij is natuurlijk – zij het een van de laatste – producten van het Oost-Duitse staatssysteem en ik denk dat er nog geen tien procent van naar buiten is gekomen wat daar in de naam van engerds als Ulbricht en Honnecker is misdreven. En wat te denken van de overgang naar het kapitalistische sportsysteem van het westen dat hem gelijk opnam en onderdompelde in miljoenen marken en later euro’s. En wat dat betreft zijn de geleerden het over één ding eens: de benen van Jan Ullrich waren voor de loodzware atletische beproevingen van de professionele wielertop sterk genoeg, maar niet voor het broze gewicht van de weelde. Het ga je goed Jan. (Foto: © Cor Vos)

Door Fred van Slogteren, 26 februari 2007 17:37

Jan Houterman diepte vanmorgen uit zijn ordners de vergeten namen op van twee Limburgse renners, die in de jaren dertig een aantal zesdaagsen hebben gereden in de Verenigde Staten en Canada. Hun namen zijn Joseph ‘Joep’ Clignet (foto boven) en Ernst Müller. Ik had nog nooit van ze gehoord en ik ben eens in telefoonboeken gaan zoeken. In de buurt van Landgraaf en Kerkrade blijken nogal wat Clignets te wonen en ik heb er verschillende aan de telefoon gehad. Bijna niemand wist iets, behalve een 72-jarige meneer Clignet die me vertelde dat die Joep een volle neef van zijn vader was en dat hij hem als kind had zien rijden. Verder was er geen contact in de familie en het enige dat hij wist was dat de zoon van Joep Clignet tegelzetter van beroep was of is. Waar zijn achterneef uithangt, daarvan had hij geen idee. Bij Ernst Müller kreeg ik helemaal geen aangrijpingspunten en als je de naam googelt dan blijken er zo veel mensen met die naam te bestaan dat het geen doen is om daar verder onderzoek naar te doen. Daarom vanmorgen maar eens gebeld met onze nationale wielerarchivaris Wim van Eyle. Die wist niet veel meer dan ik al had gevonden, maar hij had van allebei wel een klein dossier. Met foto’s. Omdat mijn nieuwsgierigheid hiermee nog lang niet bevredigd is, doe ik bij deze een oproep om meer informatie over die geheel vergeten Limburgers boven water te krijgen. Joep Clignet is op 9 maart 1912 geboren in Schaesberg, het tegenwoordige Landgraaf en Ernst Müller is op 14 november 1911 geboren in Eygelshoven en op 26 december 1991 overleden. En ik wil er nog een derde naam aan toevoegen, die van Hans Bockom. Deze renner die op 22 oktober 1907 in Düsseldorf (Duitsland) geboren is, was in 1928 en 1929 Nederlands kampioen op de weg bij de beroepsrenners en daar is eveneens verder niets over bekend. Ik hou me aanbevolen. (Foto's: archief Wim van Eyle)

Door Fred van Slogteren, 26 februari 2007 13:00

“Mijn historische zesdaagse van vandaag eindigde op 26 februari 1936. De 6e Zesdaagse van Minneapolis werd op die datum gewonnen door de Canadezen Reginald Fielding en Henri Lepage. Voor beiden was het de tweede zege in de Amerikaanse stad aan de Mississippi. Lepage had er al in 1933 gewonnen met zijn landgenoot William Peden (foto). Peden, bijgenaamd Torchy of Rusty vanwege zijn rode haar, reed tussen 1929 en 1948 maar liefst 148 Zesdaagsen, uitsluitend in de Verenigde Staten en Canada. Daarvan won hij er 38. Geen kleine jongen dus. Lepage won er tussen 1931 en 1938 acht en ook uitsluitend in Noord-Amerika. Reginald Fielding won in 1934 in Minneapolis met Piet van Kempen aan zijn zijde. Van Kempen, bijgenaamd The Flying Dutchman, was met 32 overwinningen ooit de eerste echte zesdaagsekeizer en Peden volgde hem op. Fielding won naast die twee keer in Minneapolis ook nog in Oakland, Montreal en twee keer in Toronto.

Op 26 februari 1936 bestond het deelnemersveld, op de Ier Jackie Sheehan na, louter uit Amerikanen en Canadezen. In die tijd trok er een lucratief zesdaagsencircus door het Noord-Amerikaanse continent. Deelnemers waren voornamelijk eigen renners maar af en toe kwamen ook Europese goudzoekers hun geluk beproeven. Piet van Kempen was er zo een, net als de Duitsers Gustav Kilian en Heinz Vopel en de Belgen Maurice Declerck en Marcel Boogmans. In het seizoen 1934-‘35 zijn twee volkomen vergeten landgenoten in de uitslagen te vinden. Dat waren ...

Door Fred van Slogteren, 26 februari 2007 10:00

Connie CARPENTER (1957, Verenigde Staten)

Connie Carpenter-Phinney is zo’n beetje de Jaap Eden onder de sportvrouwen. Niet qua generatie want toen de Amerikaanse ter wereld kwam in Madison (Wisconsin) was Jaap Eden al 32 jaar dood. Nee, de overeenkomst met die oude knar is dat Connie zowel in de schaats- als de wielersport tot de top behoorde. Als schaatsenrijdster behaalde zij een zevende plaats op de 1500 meter bij de Olympische Spelen van 1972. Nauwelijks de moeite waard, zult u denken met de weelde van alle Nederlandse medailles die in de loop der jaren zijn behaald. Maar Connie Carpenter moest in 1972 nog 15 jaar worden en een grote toekomst lag voor haar. Het kwam er niet uit, want ze was nogal blessuregevoelig en was soms langdurig uit competitie. In 1976 zag het er aanvankelijk naar uit dat het goed ging en ze werd allround-kampioene van de Verenigde Staten, maar door een enkelblessure miste ze de spelen. Om te revalideren ging ze fanatiek fietsen en nog datzelfde jaar werd ze zowel nationaal kampioene op de weg als in de achtervolging. Deze dubbel herhaalde ze in 1977 en ‘79. Als student aan de Berkeley Universiteit in Californië bekeerde ze zich vervolgens tot het roeien en ook daarin was de blonde Connie succesvol. Ze werd met haar team eerste in de dubbelvier bij de Amerikaanse studentenkampioenschappen. In 1981 keerde ze terug naar de fiets. Ze zette eerst het wereldrecord over 3 kilometer scherper, werd vervolgens in 1983 wereldkampioene achtervolging en een jaar later werd ze in Los Angeles Olympisch kampioene op de weg. Deze grote sportvrouw, die in drie verschillende sporten haar sporen heeft verdiend, heeft vandaag een ontmoeting met Sara. (Foto: © John Kelly)

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Door Fred van Slogteren, 26 februari 2007 0:00

 

© Hans Middelveld

Dit is een heel bijzonder affiche en wel om twee redenen. Het was midden in de oorlog en de jodenvervolgingen waren in volle gang. Tal van huizen in de directe omgeving van het stadion waren verlaten, nadat ze waren gepulst (leeggehaald) door de foute verhuizersfirma Puls. En dat is het bizarre van die tijd, sportevenementen gingen gewoon door terwijl in de directe omgeving over leven en dood werd beslist. Ik heb er geen oordeel over, ten eerste omdat ik die tijd niet bewust heb meegemaakt en ten tweede omdat ik me ook wel kan voorstellen dat als je midden in die ellende zat, je wel een verzetje kon gebruiken. En die renners moesten natuurlijk gewoon geld verdienen voor hun gezinnen. De tweede reden waarom dit een bijzonder affiche is, is het feit dat het hoofdnummer een ...

Door Fred van Slogteren, 25 februari 2007 10:00

Julien STEVENS (1943, België)

De herinneringen van Julien Stevens liggen vooral op Zolder. Hij hoeft er geen trap voor op want ze branden in zijn hart. 1969 was het jaar en het WK werd verreden op het autocircuit van Zolder. Een vlak parcours waar in 2002 Mario Cipollini de regenboogtrui greep, een renner die je niet in de uitslag had gevonden als het ook maar iets lastiger was geweest. In 1969 had het Julien Stevens kunnen zijn, maar de Adelaar van Hoogerheide stak daar een stokje voor. Onze landgenoot Harm Ottenbros had zich zelf met die bijnaam getooid als teken dat hij al de grootste moeite had met de Moerdijkbrug, de scheiding tussen zijn oude (Alkmaar) en nieuwe (Hoogerheide) leefgemeenschap. Julien Stevens was net als Ottenbros een bescheiden renner en de avond tevoren bij de teambespreking hadden ze allebei gezwegen toen gevraagd werd wie zichzelf kansen toedichtte op de wereldtitel. Zeker Stevens had daar geen reden toe, want in de Belgische ploeg zaten mannen als Rik Van Looy, Roger De Vlaeminck, Walter Godefroot en Eddy Merckx. In dat gezelschap durf je niet eens van eigen kansen te dromen. Maar ja, het parcours was totaal niet selectief en renners als Stevens en Ottenbros pedaleerden moeiteloos mee met de vingers in de neus. Er ontstond een kopgroep van twintig man met alle Belgische favorieten, alsook vijf Nederlanders. Er werd constant gedemarreerd en op een gegeven moment slaagde een poging van Julien Stevens. De man uit Mechelen was een echte knecht en ook iemand die daar tevreden mee was. Wel een domestique met uitschieters, zoals in het kampioenschap van zijn land in 1968 en in de GP Pino Cerami. Hij reed daar in Zolder voorop om als springplank te dienen voor een van zijn kopmannen. Maar die kwamen niet, want ze gunden elkaar geen succes en zo zat hij alleen vooruit met die verdomde keeskop, Harm Ottenbros. Als renner zijn gelijke, maar een betere sprinter. Stevens probeerde van alles om weg te komen, maar Harm had die dag superbenen. In het zicht van de finish wist Ottenbros hem met een handigheidje de kop op te dringen en toen was het gebeurd met de brave Julien. Het werd zijn meest besproken prestatie. Sjemielig!

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Door Fred van Slogteren, 25 februari 2007 0:00

 

© Otto Beaujon

“Grote namen van Franse en Belgische renners uit de begintijd van het wegrennen, zoals Petit-Breton, Georget, Vanhauwaert en François Faber klinken ons veelal vertrouwder in de oren dan de Duitse renners uit die tijd. Wie weet nog wie Thaddaeus Robl, Walter Sawall of Arthur Stellbrink waren? Toch zijn dat ook heel grote renners geweest. Arthur Stellbrink werd in 1884 in Berlijn geboren. Hij werd op zijn 19e amateur en al een jaar later beroepsrenner. In die tijd was er voor Duitse renners de meeste eer weggelegd op de wielerbaan achter de grote motoren. In die tijd mocht de rol nog dicht tegen het achterwiel gemonteerd worden, waardoor de snelheden soms de 100 kilometer per uur bereikten. Dat was levensgevaarlijk, niet alleen voor de renner en zijn gangmaker, maar ook voor ...

Door Fred van Slogteren, 23 februari 2007 10:00

Roger RIVIÈRE (1936, overleden 01.04.1976, Frankrijk)

Frankrijk beschikte in de jaren vijftig over grote renners. Louison Bobet, Jean Robic, Raphael Geminiani en nog een handvol coureurs die bijna hun gelijke waren. Maar ze werden ouder en jong talent stak de kop op. Eerst was daar in 1953 het fenomeen Jacques Anquetil, formidabel tijdrijder die de eerste renner werd die vijf maal de Tour de France won. Drie jaar later stapte er nog zo’n uitzonderlijk talent in de schijnwerpers. Roger Rivière deed als tijdrijder nauwelijks voor Anquetil onder en hij was direct de lieveling van het Franse wielerpubliek. Hij debuteerde bij de profs met een regenboogtrui in de achtervolging, een wereldkampioenschap dat destijds nog in hoog aanzien stond bij de beste profs van de wereld. Een jaar later verbeterde hij met speels gemak het werelduurrecord met ruim 600 meter. Dat record stond op naam van de Italiaan Ercole Baldini. Het is niet vaak voorgevallen dat een recordhouder zijn eigen toptijd te lijf gaat, maar Rivière deed dat wel en hij stelde het in 1958 nog eens 400 meter scherper. Beide keren op de Milanese Vigorellibaan. Zijn eerste grote succes op de weg was het winnen van de Ronde van Europa, destijds een nieuw initiatief om de macht van de Tour wat in te perken en de voordelen van de nog prille Europese Gemeenschap (nog maar met 6 landen) te onderstrepen. Die ronde stierf een snelle dood, maar wel met Roger Rivière op de korte erelijst. In 1959 debuteerde het wonderkind uit Saint Etienne in de Tour de France en het werd direct een vierde plaats in het eindklassement. Een jaar later stond hij aan de start als een van de grootste favorieten en hij leek aan de verwachtingen te gaan voldoen, toen hij op 10 juli 1960 een duel om de gele trui aanging met de Italiaan Gastone Nencini, een van de beste dalers uit de wielergeschiedenis. In zijn ambitie om de als een steen naar beneden vallende Italiaan in de afdaling van de Col de Perjuret te volgen, nam Rivière iets te veel risico en hij viel 10 meter diep in het ravijn. Met een dubbele wervelbreuk belandde de ongelukkige coureur in het ziekenhuis en daar konden ze niet zoveel meer voor hem doen. Hij was grotendeels verlamd en hij kon zich nog slechts voortbewegen in een rolstoel. Door de verschrikkelijke pijnen die hij leed raakte hij verslaafd aan morfine. De rest van zijn korte leven was triest. Hij raakte aan lager wal en de zestien jaar dat hij nog heeft geleefd moeten een hel zijn geweest. Een enkele keer kan de verschrikkelijke ziekte kanker echter een verlosser zijn.

Wat staat er nog meer in het geboorteregister?

Door Fred van Slogteren, 23 februari 2007 0:00

« Vorige 1 2 3 ... 988 989 990 991 992 993 994 995 996 997 998 ... 1077 1078 1079 Volgende »