ad ad ad ad
Deel 3 is uit

“Morgen wordt het klassieke voorseizoen traditioneel in Duitsland afgesloten met Rund um den Henninger Turm. Verderop aandacht voor deze wedstrijd die niet tot het ProTour circuit behoort, maar bij vele wielerliefhebbers het klassieke bloed wel degelijk laat borrelen.
Rode draad is deze week het blad Wielersport, 19e jaargang nummer 13 van 30 april 1970.
Ad J. Vingerhoets schrijft: ‘Helemaal zeker weet ik het niet, maar ik geloof dat pas één eerstejaars amateur het zoet der overwinning geproefd heeft. Die man heet Ger Kneteman – Amsterdam (6 maart 1951). Ger is stratenmaker bij de gemeente Amsterdam. Henk Cornelisse, de ex-beroepsrenner, en Rinus Israël, het blok beton van voetbalclub Feyenoord, hebben dit vak ook in Amsterdam beoefend. ‘In 1966 en 1967 reed ik clubritten mee. In 1968 en in 1969 was ik nieuweling. Ik kom zowel op de weg als op de baan in actie. Ik werd door de KNWU waardig bevonden de training o.l.v. Frans Mahn (foto) te volgen. Dit seizoen kom ik uit voor Locomotief-Vredestein.’ Heinz Poldermans, manager en soigneur, tekent hierbij aan: ‘Het streven van Ger is deelname aan de Olympische Spelen in 1972 te München. Het is nu nog wat vroeg om hier reeds iets zinnigs over te vertellen, maar Ger leeft 100 procent voor de wielersport. Ik – en velen met mij – zijn er van overtuigd dat hij een goede coureur kan worden.’ Op 29 maart hebben o.m. Mari van Hoogstraten, Fons van Katwijk en Arnold van Uden in Venhorst reeds moeten ondervinden dat het bij Amsterdamse Ger menens is. Zijn eerste amateurzege was er een zonder een enkel schoonheidsvlekje.

Dan naar Rund um den Henninger Turm. Tot de invoering van de wereldbeker vond deze wedstrijd vaak op dezelfde dag plaats als het Kampioenschap van Zürich. Beide wedstrijden hadden een wat lagere status dan de reeks aprilklassiekers. De UCI wilde, om koersen te spreiden over het jaar, de wedstrijd verplaatsen naar het najaar. De organisatoren wensten ...

Geplaatst door Fred van Slogteren, 30 april 2007 10:00

Eric VAN LANCKER (1961, België)

De Raleigh-ploeg van Peter Post had het imago dat iedereen er kon winnen. Natuurlijk waren er kopmannen, maar de knechten wonnen ook regelmatig. Bij de meeste andere ploegen uit die tijd was dat niet denkbaar. Na Raleigh ging Post verder met Panasonic en ook in die ploeg werd die strategie het kenmerk van de ploeg. Mannen als Erik Breukink, Eric Vanderaerden, Teun van Vliet en Jean-Paul van Poppel waren de vedetten, maar ook de knechten mochten zo nu en dan hun gang gaan en in het voorjaar van 1989 sloegen twee van die domestieken toe. Eerst won Jean-Marie Wampers Parijs-Roubaix en twee weken later was het Eric Van Lancker die de winst in de Amstel Gold Race binnenhaalde. ‘Alweer een knecht’ kopten de kranten, want Van Lancker werd net als Wampers als een knecht beschouwd. De bescheiden Van Lancker uit Tiegem, aan de voet van de Vlaamse Ardennen, kon er niet mee zitten. Een jaar later won hij ook nog Luik-Bastenaken-Luik. Dat hij desondanks geen vedette is geworden ligt meer aan zijn bescheidenheid, dan aan zijn wielerkwaliteiten. Hij was een knap coureur die vooral in het heuvellandschap tot zijn recht kwam. In de Tour en de Giro kon hij geen potten breken, hoewel hij in de Ronde van Italië van 1986 toch op een veertiende plaats eindigde en een etappe won. Wat ik niet zo geslaagd aan hem vond, was zijn snor. Wielrenners horen geen snor te hebben en die opvatting deel ik met de meeste renners, want het aantal snorren is in het peloton te verwaarlozen. De bekendste snordrager uit de moderne wielergeschiedenis was de Zwitser Urs Freuler, maar dat was voornamelijk een zesdaagsecoureur. In dat gesoigneerde wereldje met zijden koerstruitjes ligt dat gevoelsmatig anders, vind ik. Toen Freuler ook op de weg ging rijden en in de Tour etappes won, vond ik weer dat het niet kon. Gelukkig is Van Lancker – in tegenstelling tot Freuler – tijdig tot inkeer gekomen en hij behaalde zijn twee grootste zeges met een glad geschoren bovenlip. En zo hoort het ook. (Foto: © Cor Vos)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 30 april 2007 0:00

Zou het helpen als we met z’n allen een kaartje sturen aan Michael Boogerd met het verzoek om er nog een jaartje aan vast te knopen? Ik weet natuurlijk wel dat Michael geen Heintje Davids is, maar hij zou het nog best kunnen. De hele dag op de eerste rij koersen en dan nog tientallen kilometers staand op de pedalen. Dan heb je nog heel veel macht in je donder en een Nederlandse renner die over die klasse beschikt is er (nog) niet. Karsten Kroon kon het gisteren niet waarmaken en ook Thomas Dekker blies zich zelf op. Overigens twee renners die ik – zoals Boogerd – niet voorin heb gezien. En daar moet je volgens de leer van Zoetemelk en Boogerd als toprenner zitten. Het was een beetje een vlakke koers, met een wel heel mooie finale. Ik heb me verbaasd over die Frank Schleck. Rijdt daar rond met een gebroken rugwervel en rijdt dan zo die slotklim op. Zou zo’n jongen dan verrekken van de pijn? En hoe hard kan-ie dan als die rugwervel weer gezond is? Di Luca had de grootste moeite om aan zijn wiel te komen en er aan te blijven. Wat een macht, wat een klasse. Maar Di Luca won. En die zat op 80 kilometer voor de finish aan het staartje van het peloton geen trap te veel te doen. Wat is wijsheid? (Foto: © Cor Vos)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 29 april 2007 20:00

In de jaren na de tweede wereldoorlog werd elke gelegenheid aangegrepen om in het stadion een wielerprogramma te organiseren. Vooral in de zomermaanden als het voetbal stillag moesten er inkomsten komen en wielrennen was een sport waar veel mensen op af kwamen. Zo’n gelegenheid was in 1949 de revanches van de Nederlandse kampioenschappen. ALLE KAMPIOENEN AAN DE START, staat er dan ook bovenaan dit affiche. De kampioenen sprint, achtervolging en 50 kilometer zonder gangmaking, respectievelijk Jan Derksen, Wim van Est en Gé Peters staan er inderdaad op, maar de naam van Kees Bakker kan ik nergens ontdekken. Bakker was in 1949 Nederlands kampioen stayeren en ook Jefke Janssen (kampioen op de weg) ontbreekt. Dus de waarheid is enigszins geweld aangedaan. Daar staat tegenover dat er twee regerende wereldkampioenen aan de start stonden, namelijk Arie van Vliet en Gerrit Schulte. Zij bestreden elkaar …

Geplaatst door Fred van Slogteren, 29 april 2007 10:00

Raoul LESUEUR (1912, overleden 19.08.1981, Frankrijk)

In de jaren vijftig was het stayeren zeer populair. Daarbij viel het op dat veel van die demi-fond mannen stokoud waren. Althans naar rennersbegrippen. Je had in die tijd de Duitser Walter Lohmann die in 1956 op z’n 45e afscheid nam. De Fransman Henri Lemoine maakte het nog bonter. Die stopte pas op 47-jarige leeftijd. Ook Raoul Lesueur was geen jonkie meer toen hij in 1952 stopte. Hij was toen 40 jaar en hij was in 1950 nog wereldkampioen geweest. Veel van die stayers hadden last van een typische beroepskwaal. De zitvlakblessure, een vriendelijke naam voor een vervaarlijk gezwel tussen anus en scrotum en dat is geen handige plaats voor een wielrenner. Bij stayers kwam dat veel voor omdat de druk op die plaats zeer hoog is door de hoge snelheid die achter de motor bereikt wordt en de bochten van een wielerbaan. Een renner die aan die kwaal leed kon twee dingen doen, de pijn verbijten of een malse biefstuk in de broek. Dat zo’n ding na een wedstrijd van 100 kilometer niet meer voor consumptie geschikt was laat zich raden. De vermaarde sportfotograaf Guus de Jong was destijds nog piepjong en ambitieus om het vak zo goed mogelijk te leren. Hij was daarom veel in het Olympisch stadion aanwezig, waar elke week wel voetbal- en wielerwedstrijden werden gehouden. Na afloop van een stayerswedstrijd stond hij zijn plaatjes te maken toen Lesueur hem wenkte en gebaarde dat hij mee moest komen. Ze gingen de catacomben in op weg naar de kleedkamers. Nadat de Fransman eerst bereidwillig voor de camera had geposeerd, stroopte hij zijn koersbroek naar beneden en gebaarde tegen De Jong dat die de biefstuk eruit moest halen. Waarom hij dat zelf niet deed, is me niet duidelijk, maar De Jong voldeed kokhalzend aan het verzoek. Op het toilet heeft hij daarna zeker een kwartier lang zijn handen staan wassen. Of hij ooit nog biefstuk heeft gegeten zonder aan dat voorval terug te denken, weet ik niet. (archief Wim van Eyle)

Geplaatst door Fred van Slogteren, 29 april 2007 0:00

De afgelopen week sprak ik een bekende oud-beroepsrenner en die zei dat de wielersport doodziek is. De machtstrijd die de organisatie van de Tour de France uitvecht met de UCI over de ruggen van de renners van unibet.com vond hij stuitend. Het openlijk met twee maten meten door La Française des Jeux en Lotto geen strobreed in de weg te leggen, maar unibet.com waar mogelijk uit te sluiten, ondanks een verloren kort geding, is van een arrogantie die zijn weerga niet kent. En dan die oortjes, waardoor de renners constant moeten uitvoeren, wat vanuit de volgauto’s in hun oren wordt getoeterd. Weg ermee. Het gebruik ervan wordt verdedigd vanwege de veiligheid. De ploegleiders- auto’s hoeven niet meer langs de renners als ze met een coureur willen communiceren. Onzin, niks veiligheid. In de eerste plaats ontstaan daar zelden ongelukken door en in de tweede plaats maken die oortjes de koers juist onveiliger. Als je in de Ronde van Vlaanderen of de Gold Race vanuit de auto het commando ‘van voren’ in de oren van de renners toetert, als er weer zo’n steile potenbreker nadert, dan gaan meer dan honderd renners naar de positie waar hooguit plaats is voor tien coureurs. Dan vraag je om ongelukken en die gebeuren ook. Het aantal valpartijen in de klassiekers is veel te groot. Dus weg met die oortjes, laat de renners zelf koersen en het initiatief nemen als zij vinden dat het kan. Hij besloot zijn tirade met de woorden: ‘en dan heb ik het nog niet eens over dat gesol met Basso gehad. Nee, de wielersport is doodziek. Binnen een jaar haken de eerste sponsors af. Let maar op!’ Ik kon er weinig tegen in brengen.

Geplaatst door Fred van Slogteren, 28 april 2007 10:00

Lucien AIMAR (1941, Frankrijk)

In Frankrijk was hij niet echt populair, ook al noemden ze hem Lulu. Iedere Lucien heet in dat land zo, als hij meer dan één vriend heeft. Er is in Frankrijk echter maar één Poupou en dat is Raymond Poulidor, een Limousin. Geen koe, maar een inwoner van Limoges. Er zijn maar vijf Franse wielrenners superpopulair geweest en dat waren André Leducq (Dedé), Charles Pélissier (Charlot), Louison Bobet (Bobette), Laurent Jalabert (Jaja) en natuurlijk Raymond Poulidor, beter bekend als le deuxième éternel. En Lucien Aimar beging een doodzonde toen hij in 1966 het troetelkind aller Fransen van de overwinning in de Tour de France afhield. Het was ijzig stil in het Parc des Princes toen de overwinnaar van de Tour daar in 1966 zijn ereronde reed. Alles werd hem misgund. De gele trui en vooral die ereronde. Die kwam Poupou toe, de zwijgende en immer glimlachende loser, die zich jaren had stukgelopen op die superieure Normandiër, Jacques Anquetil. Die werd hooguit geaccepteerd vanwege zijn uitzonderlijk talent. Een hooghartige god op de fiets en van een boven de mensheid verheven eenling mag een publiekslieveling verliezen. Maar de uitverkorene aller Fransen mocht vanwege zijn ‘low key appearence’ natuurlijk niet ten onder gaan voor een omhooggevallen steen als Lulu Aimar. En daarom die stilte, die halverwege de ereronde werd verbroken door een aanzwellend fluitconcert. Het onbeduidende knechtje van maître Jacques, de gehate …

Geplaatst door Fred van Slogteren, 28 april 2007 0:00

© Otto Beaujon

“Göricke was één van de oudste fietsenfabrieken van Duitsland, want het bedrijf werd in 1874 door August Nippel opgericht. Eigenaardig is, dat de merknaam wel een eigennaam is maar niet die van de oprichter en eigenaar. Misschien was Göricke wel Nippel’s maitresse, of maecenas? In elk geval werd het bedrijf uit Bielefeld na de tweede wereldoorlog de grootste fietsenfabrikant van Duitsland, een twijfelachtige eer want met allen die ooit ‘de grootste’ waren is het meestal slecht afgelopen. De Duitse fietsencultuur kent trouwens nauwelijks grootse merken. Brennabor en Diamant hadden ooit wel een uitstraling tot ver over de Duitse grenzen, maar een enthousiaste aanhang, zoals Bianchi, Pinarello of Colnago is er nooit geweest.
Göricke maakte vanaf 1903 ook motorfietsen en ging daarmee door tot in de jaren zestig van de vorige eeuw. Ondanks dat bleef het toch vooral een fietsenfabriek. Wat de sponsoring betreft was de naam Göricke ...

Geplaatst door Fred van Slogteren, 27 april 2007 10:00

José MEIFFRET (1913, overleden 16.04.1983, Frankrijk)

In de jaren vijftig en zestig stond er wel eens stukje over hem in het blad Wielersport. Hij was zich dan aan het voorbereiden op weer een aanval op het wereldrecord absolute snelheid op de fiets, dat al op zijn naam stond. De Fransman was van dat record bezeten en hij noemde het zijn rendez-vous met de dood. Op jeugdige leeftijd werd hij op een dag aangereden door een auto. Meiffret zat goed in de kreukels, maar zijn fiets was total loss. Gelukkig was de automobilist mens genoeg om hem een mooie nieuwe fiets te schenken. Vanaf dat moment wilde hij wielrenner worden. Helaas had hij niet al te veel talent en het was Henri Desgrange, de stichter van de Tour de France, die hem overtuigde dat hij stayer moest worden. Dat werd hij en hij was in de jaren dertig een behoorlijke demi-fond renner zonder ooit een kampioenschap of iets dergelijks te hebben behaald. In die jaren kwam het bij hem op de snelste man ter wereld op de fiets te willen worden. Door de oorlog kwam zijn wielercarrière voortijdig ten einde, maar toen de vrede was weergekeerd begon Meiffret aan zijn ideaal te werken. Hij ondernam vele recordpogingen achter motoren en auto’s die slaagden of voortijdig eindigden door een val. Dan lag hij weer maandenlang in het ziekenhuis, maar geestelijk al bezig met zijn volgende poging. Op 16 juli 1962 reed hij op de Duitse autobahn in de omgeving …

Geplaatst door Fred van Slogteren, 27 april 2007 0:00

CICLISMO NEL MONDO

door Rino Negri

“Dit is een prachtig boek voor statistici. Het is in 1956 verschenen en het is geschreven door Rino Negri die na de tweede wereldoorlog een van productiefste auteurs is geweest op het gebied van de wielersport. Het is 295 pagina’s dik en het bestaat inhoudelijk uit acht delen. Het eerste deel gaat rijk geïllustreerd over de belangrijkste Italiaanse wielrenners (profs en dilettanti) en deel twee over de Ronde van Italië met alle denkbare overzichten en uitslagen en ook alle uitslagen van de overige Italiaanse koersen en dat zijn er nog al wat. Het derde deel gaat geheel over de Ronde van Frankrijk, zoals het vierde en het vijfde deel helemaal over de rondes van Zwitserland en Spanje gaan. Dan is er nog een zesde deel dat geheel over het Engelse wielrennen gaat en een zevende dat het Oostenrijkse cyclisme behandelt. Dat vind ik een wat merkwaardige keuze, omdat er helemaal niets wordt gedaan aan …

Geplaatst door Fred van Slogteren, 26 april 2007 10:00

2 3 4 5 6 7 Volgende »