ad ad ad ad

Piet MOESKOPS

Geboortedatum: 13 november 1893
Geboorteland: Nederland
Overleden op: † 19.11.1964

In de eerste helft van de vorige eeuw was het baanwielrennen veel populairder dan het wielrennen op de weg. In heel Europa, maar ook in Noord Amerika en Australië, lagen tal van wielerbanen die bijna altijd uitverkocht waren als er een mooi programma werd georganiseerd.
Voor goede baanrenners was er dan ook volop werkgelegenheid als specialisten in de zesdaagse, de ploegkoers, het omnium, het stayeren of de sprint.
Sprinters waren de elite van het baanwielrennen met tientallen toppers die allen in staat waren wereldtitels te behalen of grote toernooien te winnen. Als je in dat wereldje jarenlang de allerbeste bent, dien je voor eeuwig tot de legendes van de wielersport te worden gerekend.
Piet Moeskops was bij zijn leven al een legende en dat is hij nog steeds, hoewel er nauwelijks nog mensen leven die hem in zijn glorietijd in actie hebben gezien.
De onsterfelijkheid van Moeskops is veroorzaakt door het standbeeld dat voor hem is opgericht. Niet van steen, marmer of brons, maar van papier. De journalist Joris van den Bergh schreef zijn biografie en die werd in 1929 uitgegeven onder de titel Temidden der Kampioenen.
Een fantastisch boek dat door hele generaties is verslonden en dat nog steeds niet ouderwets aandoet. Wie het boek leest volgt ademloos de ontwikkeling van een branieachtige Haagse slungel die uitgroeit tot een internationale wielervedette, die in heel Europa en Noord Amerika op handen werd gedragen.
Vijf keer werd hij wereldkampioen, tien keer nationaal kampioen en hij won maar liefst zeventien prestigieuze grand prix, waaraan altijd de beste sprinters deelnamen.
Moeskops duelleerde met alle grootheden van zijn tijd en hij klopte ze allemaal. Het maakte hem niets uit waar hij reed, of het nu op een grote open betonnen piste was met platte bochten of op zo'n klein houten baantje waar je moest oppassen om in de steile bochten niet onderuit te glijden.
Het maakte hem ook niets uit tegen wie hij moest rijden en of er één, twee of nog meer renners in de baan waren. Hij had van allemaal de sterkste aanzet, de meest flitsende demarrage en die echte zuivere snelheid waar niemand aan kon tippen.
Hij won zijn races net zo makkelijk van kop af als gelanceerd vanuit het wiel. En als dat nog niet genoeg was om te winnen, dan was hij ook nog tactisch superieur.
Piet Moeskops was tussen 1921 en 1927 vrijwel onklopbaar en dat staat allemaal gedetailleerd in dat onvolprezen boek van Van den Bergh.
Volgens die biografie was hij niet alleen een formidabel sprinter en een geslepen tacticus, maar ook iemand die permanent met zijn vak bezig was en altijd over het 'waarom' liep te piekeren als hij eens een enkele keer verloor.
Zo ontleedde hij als een scherpzinnig analyticus zijn tegenstanders en bracht hij hun sterke en zwakke punten in kaart om daar in de volgende ontmoeting zijn voordeel mee te doen.
Hij besprak die tactische hoogstandjes regelmatig met Joris van den Bergh en de lezer komt onder de indruk van die wielergigant met die karakteristieke kop en die kalende schedel.
Waar de wielrenner Moeskops nog op enige afstand blijft omdat de lezer weet dat hij zich op dat punt nooit met hem zal kunnen meten, daar komt de analyticus heel dichtbij. Zijn analyses zijn met enige aanpassing ook vaak bruikbaar in het dagelijkse leven, voor mensen die nadenken over hun toekomst en carrière.
Wie het boek meerdere keren heeft gelezen zal in moeilijke omstandigheden misschien wel eens aan Moeskops denken. Wat zou hij in die situatie hebben gedaan?
In een dubbelinterview uit 1999 met Arie van Vliet en Jan Derksen, twee sprintlegendes van latere datum, komt Moeskops terloops ter sprake. Als renner hebben ze hem nauwelijks gekend, maar wel hebben ze hem meegemaakt als chef d'équipe bij WK's aan het eind van de jaren veertig.
"Een onverschillige onbehouwen pummel", zegt Derksen uit de grond van zijn hart. "In tactisch opzicht had je niets aan die man, hij riep altijd: de kop nemen en zo hard mogelijk naar huis. En die Van den Bergh, die was helemaal idolaat van Moeskops." Een andere bejaarde oud-wielrenner die hem ook heeft gekend is Gé Peters. Die herinnert zich eveneens de onverschillige onbehouwenheid, maar ook dat Moeskops een onverbeterlijke grappenmaker was.
Peters weet veel van Moeskops omdat hij de schoonzoon is van wijlen Sjaak van Egmond, sprinter en tijdgenoot van le géant Hollandais die veel met hem heeft opgetrokken. Hilarisch zijn vaak de grappen die hij heeft uitgehaald en het wordt duidelijk dat er met hem geen serieus gesprek te voeren was. Noch Derksen, noch Peters herkent dan ook de Moeskops uit het boek. Het lijkt hun zelfs onmogelijk dat hij de uitgebreide analyses heeft uitgesproken, die daarin veelvuldig worden geciteerd.
Moeskops is ongetwijfeld een geweldige wielrenner geweest en de eer die hij daarvoor krijgt is volkomen terecht. Jan Derksen weet alles van sprinten en hij beweert dat een echte grote sprinter puur op intuitie rijdt. Natuurlijk trainde ook Moeskops onophoudelijk om zijn vaardigheden zodanig te vervolmaken dat ze onlosmakelijk deel uitmaakten van zijn flonkerend talent.
"In een wedstrijd kun je niet nadenken, daar heb je geen tijd voor. In een fractie van een seconde moet je beslissen of je buitenom of onderdoor gaat, afstopt of voluit doordemarreert. De sprint is een subtiel spel van aftasten, afwachten en toeslaan. Als je het moment daarvoor niet aanvoelt dan ben je geen sprinter. Moeskops is juist een grote geweest omdat hij niet hoefde na te denken. Hij wist het gewoon", aldus Jan Derksen.
De analyticus in het boek heeft overigens wel degelijk bestaan, alleen heette hij geen Piet Moeskops maar Joris van den Bergh. In zijn jonge jaren was die een blauwe maandag wielrenner geweest, maar hij had tot zijn verdriet moeten vaststellen dat hij er niet de capaciteiten voor had. In plaats daarvan werd hij sportjournalist met wielrennen als specialiteit. Hij volgde de carrière van Moeskops op de voet en de twee raakten bevriend.
Via eigen waarneming in binnen- en buitenland of via gezaghebbende sportkranten uit heel Europa ontwikkelde hij zich tot een sprintkenner par excellence. Na de Tweede Wereldoorlog was hij enkele jaren verbonden aan Sport en Sportwereld, de krant waarvan wijlen Martin Bremer destijds eindredacteur was. Die kreeg wekelijks de kopij van Van den Bergh binnen en hij vond diens wielerverslagen maar niks.
Tegen Nico Scheepmaker vertelde hij jaren later: "Dat kon ie gewoon niet. Waar hij wel goed in was, waren beschouwingen. Hij was geen man voor de tribune, maar een voor de studeerkamer. Hij hoorde bijvoorbeeld een kort wedstrijdverslag op de radio en dan bedacht hij daar vaak een mooi psychologisch verhaal bij. Dat dat dan vaak niet klopte, was van minder belang."
Als voorbeeld van zo'n psychologisch verhaal noemde Bremer het Nederlands kampioenschap voor profs op de weg in 1946. Van den Bergh was daarbij niet aanwezig, maar hoorde een summier verslag op de radio.
Er was een kopgroep van drie man ontstaan. Eendrachtig samenwerkend realiseerden ze een voorsprong van drie minuten. Toen kwam de grote Theo Middelkamp in actie. In een meedogenloze jacht naderde de Zeeuw tot op tien seconden.
Op dat moment demarreerde één van de koplopers en Middelkamp kreeg hem niet te pakken. 'Een gladde vogel faalde' schreef Van den Bergh, doelend op Middelkamp, boven zijn verslag. En we lezen dat de gedemarreerde Bouk Schellingerhoudt de Zeeuw bewust zo dichtbij had laten komen om hem op dat moment te kunnen demoraliseren.
Van den Bergh vond dat psychologisch geniaal van de Zaankanter. Toen deze later met die lezing werd geconfronteerd, zei hij verbaasd: "Middelkamp bewust laten komen? Ik wist niet eens dat hij achter ons zat." Dit verslag tekent Van den Bergh ten voeten uit. Zonder enige gêne fantaseerde hij een verhaal om zijn stelling aannemelijk te maken en net zo makkelijk verdraaide hij de feiten als hem dat zo uitkwam.
In Temidden der Kampioenen beschrijft hij een voorval met de wielrenner Klaas van Nek in de rol van een onbeschofte vlegel. Datzelfde incident beschrijft hij enkele jaren voor het verschijnen van het boek eveneens in het blad Sport Echo, maar daarin is niet Klaas van Nek maar Piet Moeskops die onbeschofte vlegel.
De anekdote op zich was te mooi om hem niet te gebruiken en daarom paste Van den Bergh een wisseltruc toe om de held van zijn boek niet in een kwaad daglicht te stellen. De hoofdpersoon in Temidden der Kampioenen was dus eigenlijk een dubbelrol, die geniaal in elkaar is gevlochten. Het doet denken aan die andere bestseller uit de jaren twintig: Kees de Jongen van Theo Thijssen.
De schuchtere Kees Bakels is Joris van den Bergh, die in zijn droomwereld zijn held en alter ego Piet Moeskops tot leven brengt. En Rosa Overbeek, die onbereikbare schoonheid, is natuurlijk de wielersport. Temidden der kampioenen is geen biografie, maar een roman.
Zonder deze briljante ingreep was het boek slechts een opeenvolging van wedstrijdverslagen geworden, zoals er zoveel zijn. Moeskops zou in dat geval nog slechts figureren in de statistieken, maar als wielrenner en mens allang zijn opgelost in de mist van een ver verleden. Gelukkig is het anders gelopen.
De pseudo Kees Bakels overleed in 1953 en zijn droomheld ruim elf jaar later op 16 november 1964. Het boek is gelukkig nog springlevend. Het wachten is nu nog op een uitgever die weer eens voor een herdruk zorgt.

Uit Wielerhelden van Oranje 2003

13-11-2016