ad ad ad ad

De jarige van vandaag …

Frankrijk is een wielerland bij uitstek en de Fransen koesteren hun helden van de Tour de France. Dat hoeven niet altijd de grote winnaars te zijn, want Jacques Anquetil en Bernard Hinault, beide vijf keer Tourwinnaar, hebben nooit de populariteit bereikt van Raymond Poulidor en Richard Virenque, die de Tour nooit wonnen.

Voor wie mocht denken dat Poulidor de meest geliefde Franse renner aller tijden is, rekent buiten de Franse helden van voor de Tweede Wereldoorlog.

Nadat de eerste edities van de Tour van 1903 tot en met 1911 steeds door een Fransman werden gewonnen*, wilde het jarenlang niet meer zo vlotten met de Franse renners. Tussen 1912 en 1929 won alleen Henri Pélissier in 1923 de Tour.

Die was niet populair, in tegenstelling tot Eugène Christophe, de Oude Galliër, die de Tour nooit won, maar in zijn tijd net zo aanbeden werd als Poupou in de jaren zestig en zeventig. Door het uitblijven van Franse overwinningen taande de belangstelling voor de Tour in het hele land en dat was ook in de oplagecijfers van l’Auto, de organiserende krant, te merken.

Daarom kreeg de oude Henri Desgrange, eigenaar van l’Auto een lumineus idee die de belangstelling voor de Tour in één klap terugbracht: 'de landenformule'.

Jarenlang was de koers gedomineerd door fabrieksteams die bij gebrek aan Franse vedetten Belgen en Italianen contracteerden. De betere Franse renners zaten over meerdere ploegen verdeeld en moesten knechten voor de buitenlandse grootheden.

De landenformule zorgde ervoor dat de beste Franse renners in één ploeg zaten. Daar konden de immer met elkaar wedijverende Belgen niet tegen op en ook de Italianen hadden geen antwoord op de meesterzet van Desgrange.

Bij de acht renners die de Franse nationale ploeg vormden, zaten er twee bij die direct tot de populairste renners van de natie gingen behoren. Charles Pélissier, een veel jongere broer van Henri en Francis en André Leducq.

Mooie jongens die voor de dames volledig voldeden aan het mannelijk schoonheidsideaal van die dagen, die bovendien allebei heel goed konden fietsen. Dédé zou dat jaar de Tour winnen en twee jaar later nog eens.

Leducq werd geboren in Saint-Ouen, een stad ten noorden van Parijs. Hij was niet eens zo’n goede wielrenner. Hij was een matige klimmer en tijdrijder, maar dat compenseerde hij met gedurfd dalen, waarbij hij minuten terugwon op de beste klimmers.

In de Tour van 1930 was hij in hevige strijd om de Tourzege verwikkeld met de Italiaan Learco Guerra. Hij nam iets teveel risico en ging in de afdaling van de Galibier op zijn kokosnoot en kon niet zonder wat noodverbanden verder.

Hij zat minutenlang bloedend als een rund gedesillusioneerd op een rotsblok. Er zijn vele foto’s van gemaakt want  het was een groot drama. Leducq was er van overtuigd dat hij de Tour had verloren.

Nadat hij was opgelapt kregen drie van zijn ploegmaten hem weer op de fiets. Zijn achterstand bedroeg een klein kwartier op de ontketende Guerra. Gevieren zetten zij de achtervolging in. Een helse afdaling volgde en na een jacht van zeventig kilometer sloten Pélissier, Antonin Magne en Marcel Bidot met Dédé in hun midden aan bij Guerra en diens medevluchters de Belg Demuysere en de Spanjaard Trueba.

Behalve een uitstekende daler was Leducq ook behoorlijk rap en zo won hij niet alleen de rit, maar ook de Tour, omdat niemand hem daarna nog kon bedreigen.

Tot de komst van Merckx was Leducq de onbetwiste koploper wat het aantal gewonnen Touretappes betreft. 25 ritten in negen Touredities. Verder staan Parijs-Roubaix en Parijs-Tours op zijn naam en was hij in 1924 wereldkampioen bij de amateurs op de weg.

In Frankrijk wemelt het van de standbeelden voor wielrenners, maar één van Leducq ontbreekt, merkwaardig genoeg. Er staat er wel één in Duitsland, in een museum met de werken van Arno Breker. Die heeft Leducq zittend op dat rotsblok van een foto vereeuwigd. Der Verwundete heet het kunstwerk.

André Leducq stierf op 18 juni 1980 op 75-jarige leeftijd in Marseille. Op die dag zijn er in heel Frankrijk in kapelletjes, kerken en kathedralen ongetwijfeld duizenden kaarsjes opgestoken en liepen er vele, vele traantjes over oude gerimpelde dameswangetjes. Pauvre Dédé!

* Tussen de eerste Franse Tourwinnaars zat één Luxemburger. François Faber. Maar bijna niemand in Frankrijk wist dat hij geen Fransman was. Geboren, opgegroeid en woonachtig in Parijs als zoon van een Franse moeder en een Luxemburgse vader. De Fransen beschouwden hem als één van hen.

Door Fred van Slogteren, 27 februari 2016 9:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web