ad ad ad ad

Geen tandje bij, maar een tandje weg …

Wie fietst kan veel verhalen. Altijd maakt men wel iets mee. Dat geldt zowel voor de recreatieve fietser, als voor de wielrenner. Spreek mensen die ooit gewielrend hebben – ongeacht het niveau of de periode – en er volgen altijd wel sterke verhalen wat betreft prestaties en anekdotes. Het een is vaak onverbrekelijk verbonden met het ander. Voor een van mijn verhalen gaan we vijftien jaar terug in de tijd. Vrijwel iedere wielerclub sluit het seizoen af met een sluitingswedstrijd en in 1997 reed ik die van HSV de Kampioen, mijn wieler4vereniging. Dat was een koppeltijdrit met een niet-licentiehouder. Ik was de licentiehouder, maar de niet-licentiehouder, in dit geval Benno Krombeen, reed ... 
... beduidend harder en langer op kop dan ik. Zo gaat dat soms. Na afloop is het gebruikelijk dat het seizoen wordt afgesloten met ‘een hapje en een drankje’. 
Het Loden Wiel
Het is mooi najaarsweer  en ik heb blijkbaar veel dorst. De sfeer in het clubhuisLa Ronde is gezellig. Door de ramen kijken we uit op het prachtige wielerparkoers Wheelerplanet, gelegen in het Westhoffbos dat deel uitmaakt van het tegen de rand van Haarlem gelegen recreatiegebied Spaarnwoude. Bestuurslid Frans Kock krijgt namens de KNWU door districtsbestuurder Henk van Veen Het Zilveren Wiel uitgereikt, een onderscheiding van de KNWU voor mensen die zich voor de wielersport bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt. Daarbij vraag ik me af waarom er allerlei soorten van die onderscheidingen bestaan, zoals gouden en zilveren exemplaren. Een ieder doet evenveel zijn of haar best voor ons aller wielersport en wordt het verschil dan gemaakt door allure, status of is het gewoon vriendjespolitiek? Deze lichtelijk anarchistische gedachte doof ik met (nog) een drankje en een proost op de gelukkige Frans. Ikzelf kom, overpeins ik, eigenlijk wel in aanmerking voor een Loden Wiel, want ik heb al sinds 1961 jaarlijks een licentie en heb altijd het gevoel dat ik ‘met loden wielen rijd’. De tijd verloopt en de stemming stijgt.
Het polderweggetje
Dan wordt het tijd om de tien kilometer weer naar huis te fietsen. Ik rijd langs het prachtige Inlaagpolderweggetje richting Spaarndammerdijk. De omgeving is prachtig en diverse forten van de Stelling van Amsterdam sieren de omgeving. Ik kan deze landweg wel dromen, want niet alleen op zondagochtend maar ook op dinsdagavond fiets ik bij de club de gebruikelijke competitiewedstrijden. In het weiland staat een gigantisch grote bunker uit de Tweede Wereldoorlog, die vanaf de snelweg A9 richting Velsertunnel naar Alkmaar goed is te zien. Kortom, het cultureel erfgoed is nadrukkelijk aanwezig. Het polderslootje langs de weg is symbolisch voor de waterhuishouding van de hele polder, want de stukjes sloot tussen de diverse dammen hebben een verschillend niveau wat betreft de waterstand. Eén stukje sloot heeft een sterk aflopende kantwal en bevat weinig water. Dan gaat er blijkbaar iets mis in de coördinatie tussen geest en lichaam. Ik raak waarschijnlijk het richeltje ofwel kantje van de weg, ben even het spoor bijster en duikel dan in de ‘afgrond’ naar de sloot. Dan gaat ‘het licht uit’ en raak ik het besef van tijd en plaats kwijt …
De ontwaking
Bevangen door de intredende najaarskilte en besmeurd met bagger en natte modder kom ik weer bij mijn positieven. Ik lig soppend in een smerige brei van vergane rietbladeren, drek en stinkend afval. De stank van een rottingsproces stijgt op in mijn neus. Is dit voor deze dag mijn erepodium? Ik heb er – getuige mijn horloge – ongeveer een half uur gelegen. Mijn nek is verkrampt en de rugzak sopt in de bagger. Ik hijs me met moeite overeind en spreek mezelf hardop moed in. Dan bemerk ik dat ik enigszins lispel en de oorzaak is snel gevonden: mijn ondergebit is verdwenen. Ik doorzoek – met wankele tred – de nabije omgeving maar geef al snel de moed op. Letterlijk en figuurlijk rijd ik als een stinkende otter naar huis. 
De verdere zoektocht
De andere dag ga ik terug naar de plaats des onheils en probeer met blote voeten wadend door de sloot te voelen of mijn gebit ergens is te vinden. Het is een prothese met achterin een gouden kies, want dat was mode in de tijd dat het gebit mij werd aangemeten. Een korte afgebroken, maar vlijmscherpe en onzichtbaar op de bodem staande, rietstengel doorboort het weke vlees tussen mijn teenbotjes. Ik vind wel een reserveband en een set imbussleutels en bandenlichters, die blijkbaar uit mijn rugzak zijn gevallen, maar geen spoor van het gebit. Nog weer een dag later ga ik met mijn vrouw, dochter en kleinkinderen zoeken. Turen en voelen in het gras en met een hark en een schepnet dreggen in de sloot. We vissen nog enkele uit het zijvak van mijn rugzak gevallen attributen uit de prut, maar wederom zonder mijn prothese gaan we na verloop van tijd huiswaarts. Er zit niets anders op dan een vrij kostbaar bezoek aan de tandtechnieker.
Een jaar later
Het is oktober 1998, dus een jaar later. Weer rijd ik de sluitingrit van mijn club, maar ben nu beter op mijn hoede wat betreft het hapje en vooral het drankje, mede omdat er dat jaar geen Zilveren Wiel wordt uitgereikt. Samen met Arie Zaalberg fiets ik met lichte pedaaltred langs de bewuste plek waar het vorig jaar gebeurde en mijn gedachten dwalen af. Ach ja, het leven van een fietser bestaat nu eenmaal uit gedachten, mijmeringen en herinneringen. Ik kijk naar het gras aan de overkant van de sloot. Het is aan het verdorren, want de herfst zal binnenkort plaats maken voor de winter. Dan ineens stokt mijn blik. Aan de overkant glinstert iets in het gras. Het najaarszonnetje wordt weerkaatst door een rijtje tanden en kiezen met een stukje goud ertussen. (Cartoon: © E. Zomer)
Tot volgende week!
Jan Zomer
Naschrift
Kort na de duikeling in de sloot kreeg ik een pakketje toegestuurd zonder afzender. Het bevatte een groot kunstgebit dat opgewonden kon worden om dan klapperend en klepperend door de kamer te lopen. Ik kon deze uiting van humor wel waarderen en was benieuwd wie de afzender zou kunnen zijn? Er werd in het gezin geopperd dat wellicht één van mijn drie broers of mijn zuster de afzender was. Ik achtte dat echter uitgesloten, want voor subtiele humor is een bepaalde vorm van intelligentie noodzakelijk en daar heb ik geen van hen tijdens mijn – en hun – aards bestaan ooit op kunnen betrappen. Integendeel zelfs.

 

Door Fred van Slogteren, 8 april 2012 12:00

Je zal maar familie van Jan zijn, om zo weggezet te worden.

Geplaatst door Michel, 08 april 2012 12:25:55

gebit

Dit is Jan Zomer ten voeten uit, hij kan je het gebit zelfs nog tonen!

Geplaatst door wim, 09 april 2012 17:05:13

familieverhoudingen

Merkwaardige familieverhouding bij de Zomers. wel een leuk verhaal, zie uit naar het volgende.

Geplaatst door jos kars, 10 april 2012 12:37:43

tandje eraf

Een wat late reactie op het stukje (zeg maar stuk) van Jan Zomer. Een twintigtal jaren geleden is me iets vergelijkbaars overkomen, al was het minder spectaculair en zeker minder kostbaar.

Tandje erbij

In het wielrennen betekent “Tandje erbij” dat je een zwaardere versnelling gaat fietsen, een grotere inspanning gaat leveren. In de regel houdt dat in, dat je schakelt op je achtertandwiel bv van 52-16 naar 52-15. Je rijdt een zwaardere versnelling door van achteren een tand minder te schakelen, in feite een tandje eraf. Dit laatste overkwam me eens tijdens een toertocht van de toerclub Schiphoorn. Er was een tocht uitgezet over 150 km door het Zuid Hollandse polder- en plassengebied. Er werd vanaf het begin stevig doorgejakkerd en al gauw lagen we met 6 man vooruit. Weliswaar betrof het een toertocht, maar min of meer worden daar wedstrijden van gemaakt en gaat het er redelijk fanatiek aan toe, althans bij een aantal deelnemers
Na ca 40 km begon ik aan mijn banaantje te knabbelen Voor ritten langer dan 2 uur neem ik meestal bananen mee. Als ik alleen fiets, haal ik mijn handen van het stuur, schil de banaan en eet hem op. In het groepje van 6 man durfde ik niet met losse handen te rijden. Met één hand aan het stuur en in mijn andere hand een banaan, trok ik met mijn tanden de schil eraf en peuzelde mijn banaantje op. Na ca 500 meter had ik de banaan verorberd en smakte nog wat na. Al nasmakkend voelde ik een leegte. Na nog een keer smakken wist ik wat het was. Ik miste mijn plaatje met 3 tanden.
Met het afbijten van de schil, was het plaatje met tanden uit mijn mond gevallen (tandje eraf). Ik ging naast Jan van Vliet rijden en zei dat ik mijn gebit had verloren.”klootzak, met jou is het altijd wat” of woorden van gelijke strekking werden naar mijn hoofd geslingerd. Sjorry, sjorry, ik deed het niet exjpresj (zonder tanden wilden de essen ook niet meer). We keerden om en na een kleine 700 meter zag Jan van Vliet een kunstgebit op het fietspad liggen. “Is dat hem” vroeg hij. “Het lijkt er wel op”. Ik stopte het plaatje in mijn mond, maar het zat niet helemaal pas. Er zat wat kiezelgruis aan en na dit verwijderd te hebben zaten mijn valse tanden weer als gegoten. Met een paar tandjes erbij zaten we na een uur jagen weer in de kopgroep.

Geplaatst door Piet van der Meer, 11 april 2012 13:39:05

Het volgende verhaal...

Leuk dat Jos Kars zegt 'uit te zien naar het volgende verhaal'. Het verrassende antwoord hierop is komende zondag te lezen op deze slogblog.

Geplaatst door Jan Zomer, 13 april 2012 10:34:01

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web