ad ad ad ad

De Lijkwade van Biezelinge

Het is 3 oktober 2000 als ik Jo de Roo voor het eerst ontmoet. Ik ben als toeschouwer aanwezig bij een dernyrace voor ex-beroepsrenners tijdens de jaarlijkse feestelijkheden van het Leidens Ontzet. Ik wil in de editie Wielerexpress 2001 een Groot Verhaal maken over Jo de Roo en hij nodigt mij uit om op 4 en 5 november een weekend bij hem te komen logeren in Biezelinge, een dorp in de slipstream van Goes. Enkele dagen voor de afspraak krijg ik last van buikloop en andere fysieke ongemakken, maar toch neem ik … 
… de fiets mee, want de afspraak is dat er op zaterdagmiddag met de maten van Jo eerst ‘een flink stuk wordt gefietst’. Die tocht zal ik niet snel meer vergeten …
Liefde voor Zeeland
Al vanaf 1995 ga ik jaarlijks met mijn vrouw een weekje op vakantie in hotel Piccard aan de boulevard van Vlissingen. Mijn sympathie voor de Zeeuwse rituelen is onverbrekelijk en in mijn amateurjaren reed ik er ook regelmatig criteriums in onder andere Kruiningen, ’s Heerenhoek, ’s Gravenpolder en op het eind van het seizoen altijd de sluitingswedstrijd in Hulst. De begroeting bij Jo is hartelijk en zijn vrouw Ella is een goede en charmante gastvrouw. Ik kleed mij om en we fietsen naar Goes, want het verzamelen is daar op de Markt. Ik voel me niet stabiel en moet regelmatig naar het toilet. Dan vertrekken we en het ploegje bestaat uit acht oud-renners en daarbij enkele die ik nog ken van mijn vroegere wielerjaren, zoals Wim de Wilde, Tonny Huijzen, Cees Rentmeester en Jaap Courtin. Er staat wind en we rijden twee aan twee. De omgeving komt me bekend voor, want ook tijdens het jaarlijkse vakantieweekje, gaat uiteraard de fiets mee.
Koffie in en uit
De wind staat op kop en dat bevalt me wel, maar het lijf voelt leeg en als de wind van opzij komt, wordt er zelfs in een dubbele waaier gereden. Het is af en toe echt ‘koersen’ en na ongeveer twee uur wordt er eindelijk gestopt en gaan we koffie drinken. Dat valt verkeerd bij mij en op het toilet braak ik het weer uit. Ik laat niets merken, want zwakte is vooral in Zeeland een verkeerd signaal. Ik rij achter de 63-jarige Jo en nog steeds heeft hij die krachtige en imponerende pedaalslag, waarbij iedere trap raak is. Hij zit rank en hoog in het zadel en oogt op de fiets groter dan hij in werkelijkheid is. Frappant dat iedere renner een eigen stijl heeft en dat mensen die naast de fiets ogenschijnlijk fysiek identiek zijn, toch in een totaal verschillende stijl op de fiets kunnen zitten en de pedalen beroeren. 
Racefiets met spatlap
Omdat de wegen op Zeeland nog bezwangerd zijn met de klei van de afgevoerde suikerbieten, rijdt Jo op zijn ‘winterfiets’. Die dateert uit 1968 en dat was zijn laatste jaar als beroepsrenner. Het is de fiets waarop hij nog eerste werd in Zomergem, vierde in de Amstel Gold Race, zevende in de Ronde van Vlaanderen en negende in die van Lombardije. Er zitten spatborden op met een spatlap en de voorvork is nog scheppend, hoewel de achterbouw redelijk stijl is. Het frame is van staal en de kleur is blauw. De campagnolo-naven hebben nog hoogopstaande randen, zoals in die tijd gebruikelijk. Ik rij op een titanium fiets met carbonvork en gebouwd in de strakke allure van deze tijd. Ik zie af en raak geobsedeerd door het licht wapperende spatbordje voor me, op de fiets van Jo.
Meten met Jaap
Jaap Courtin rijdt naast me en we nemen gezamenlijk de kop over. We zitten al bijna vier uur op de fiets en ik ga de benen voelen. Jaap kletst en kletst, maar ik kan niet of nauwelijks reageren. Hij verhaalt over vroeger en daarbij zijn pakhazen uit onze amateurjaren, zoals Harry de Boer en Bram van Aalst, onderwerp van het eenzijdige gesprek. Jaap is een typische meter. Dat wil zeggen dat hij constant een half of heel wiel wil voorliggen, dus niet rustig gelijkmatig naast elkaar fietsen, maar altijd een stukje verschil tussen zijn en mijn voorwiel. Veel renners, ongeacht het niveau, lijden aan dit syndroom. Als je probeert met je voorwiel gelijk te komen met dat van de fietsmaat naast je, wordt het tempo opgevoerd. Het leidt daardoor tot een steeds hogere snelheid, zonder dat men zich dit zelf bewust is. 
Als een postduif gelost
Dat meten kan soms leiden tot absurde situaties, waarbij het wachten is op het moment dat één van de twee de benen stil houdt en afgeeft. Het heeft weinig of niets met wielrennen te maken en is vooral een psychische belasting, want de een wil voor de ander niet onderdoen. Ik ken vanuit vroeger jaren renners die dat geweldig konden meten, maar in een criterium na tachtig kilometer – het kardinale omslagpunt in een criterium van honderd – als een postduif werden gelost. In een koers moet je hard op kop kunnen rijden om de essentiële momenten – abrupte tempoversnellingen, kasseienstroken, klimmetjes – te kunnen overleven. Een koers wordt nooit beslist op een hoge gemiddelde snelheid, maar wel vaak door een incidentele tempoversnelling. Meters kunnen wel vijftig per uur rijden, maar gedurende beslissende koersmomenten is 55 te veel voor ze. Er is nooit een koers gereden, die door snel en langdurig naast elkaar rijden is beslist. 
Jaap in de vernieling
Ik verafschuw deze vorm van fietsen, want van een gesprek kan niet of nauwelijks sprake zijn. Ik heb geen enkele behoefte om gelijk met Jaap te blijven rijden en op een gegeven moment zit ik zelfs schuin naast hem. Het gesprek is verstomd en het stilzwijgen wordt overstemd door de Zeeuwse wind. Ik zie in de verte de kerktoren van Kapelle en die van het aanliggende Biezelinge naderen. De wind staat pal op kop en ik weet dat er straks nog een paar kilometer volgen op een open stuk met de wind opzij. Ik besluit Jaap daar pijn te gaan doen. We nemen de afslag, waarna de wind van links komt en ik ga rechts rijden. Jaap was vroeger een betere wielrenner dan ik, maar daar is niet zoveel talent voor nodig. De wind is nu echter mijn bondgenoot. 
Submaximale inspanning
Ik wrijf mij nog eens goed in het zadel, leeg de neus, trek de schoengespen aan, mompel inwendig een paar godvers en verhoog met alle kracht die nog in me is het tempo. Mijn voorwiel ligt een klein stukje voor op dat van Jaap. Ik hoor hem hijgen en zie hem vanuit mijn ooghoeken stoempen en zwabberen. We hebben de submaximale inspanning overschreden en rijden voluit, zonder dat er van een demarrage sprake is. Ik schat de nog af te leggen afstand in en zet een tandje bij. De renners achter ons zijn in een waaier gaan rijden en Jaap en ik strijden stilzwijgend verder. Dan ineens zie ik zijn armen knikken en hij houdt de benen stil. Ik rij – alsof ik niets merk – nog even door, zodat de andere renners weten dat het Jaap is die de handdoek in de ring gooit. De tocht is ten einde en Jo en ik nemen met een zwaai afscheid van de aanderen. De voormalige klassiekerspecialist kijkt me grijnzend aan en mompelt: ‘Had je nog een stuiptrekking, Zomertje ..?’. 
Ben je verzopen?
Ella ontvangt ons met thee. Ze heeft geen echte wielerachtergrond en dat werkt in zekere zin bevrijdend. Zij wijst mij de badkamer en ik laat uitgeput het bad vollopen. Ik voel braakneigingen en zijg neer in de dampende kuip. Daar blijf ik lang met gesloten ogen liggen. Na verloop van tijd hoor ik Jo ongeduldig op de deur kloppen en de vraag of ik soms verzopen ben, dringt maar nauwelijks tot me door. Ik stap uit het bad en als ik op de weegschaal ga staan, zie ik dat mijn gewicht vier kilo minder is dan normaal. De spiegel etaleert een uitgeteerd profiel. Ik ga naar mijn kamer en pak mijn fietstas in.
Ammoniak
Mijn zweetshirt ruikt naar ammoniak en de penetrante geur doet me lichtelijk kokhalzen. Ik ga languit op bed liggen en voel de thee in mijn slokdarm naar boven komen. Het opgerolde zweetshirt is zo nat, dat ik er een kuiltje in kan drukken, zoals ik dat vroeger thuis aan tafel ook in de hutspot deed om er jus in te gieten. Bruine sappen en gekleurde drab vullen het kuiltje en zakken weer langzaam weg in het hemd. Ik besluit het over mijn tas te hangen zodat het enigszins kan drogen. De geuren en kleuren zijn niet echt te definiëren. Er moet sprake zijn van diverse ingrediënten zoals zweet, zout, ammoniak, urine, looizuur, gal- maag en darmsappen en misschien zelfs een lichte afscheiding van lijkvocht. 
De Lijkwade
In de loop van de avond recupereer ik en de Helse Fietstocht heeft me uiteindelijk toch weer goed in het gareel gebracht. Ik voel me een stuk beter dan voor ik met Jo en zijn maten de ketting strak ging houden. De zelfkastijding heeft het lijf goed gedaan en het gesprek met Jo is gedurende de hele avond bijzonder interessant, waarbij de dorst met rode wijn wordt gelest.
Als ik op zondagavond thuis kom, gaat mijn vuile was vanwege de stank direct de machine in. De volgende dag vertelt mijn vrouw dat het zweetshirt met geen mogelijkheid is schoon te krijgen. Zelfs als ze het met agressieve middelen in een emmer laat weken en op de hand wast, blijven bizarre en vreemdsoortig gekleurde patronen zichtbaar. De Lijkwade van Biezelinge is een feit. (Illustratie: © E. Zomer)
Tot volgende week!
Jan Zomer

Door Fred van Slogteren, 1 april 2012 12:00

Flauw

Jaap in de vernieling, kom nou. T is lang geleden en net als bij velen is het geheugen van zomer zeker wat selectief. Of t nou in de kroeg is of ergens anders, even een draai aan de waarheid ten gunste van zichzelf, ach dat kennen we wel.
Flauw hoor.

Geplaatst door Jaap courtin, 15 april 2012 07:37:20

Niet de waarheid

Jaap, de tekst die ik aan Fred van Slogteren aanleverde, vermeldde een heel ander tussenkopje en dat luidde 'Meten met Jaap'. Van Slogteren heeft dat zelfstandig en zonder vooroverleg en kennis van zaken gewijzigd in 'Jaap in de vernieling'. Van Slogteren noemt dit soort tekstuele aanpassingen de 'vrijheid van de eindredacteur'en waar dit toe geleid heeft, kun je vandaag nog op deze blog lezen.Sorry voor de tekstuele onjuistheid waar ik helaas geen bijdrage aan heb geleverd.De herinnering blijft, want het was een leuke dag.

Geplaatst door Jan Zomer, 15 april 2012 09:27:38

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web