ad ad ad ad

Eindelijk erkenning …

Als ik vroeger hoorde dat er weer eens een valpartij(tje) plaats vond in een van de vele jakkerende trainingsploegjes, dacht ik bij mezelf: “Tja, daar heb ik gelukkig als solofietser geen last van”. Ik ben in mijn actieve fietsleven diverse malen gevallen, maar altijd met niet meer dan wat schaafwonden en soms kneuzingen als gevolg. Ik heb als amateur tussen mijn 18de en 38ste levensjaar ongeveer 1500 criteriums gereden en daarna hoofdzakelijk op regionaal (club)niveau geacteerd als veteraan, dus valt het reuze mee. Er is door het wielrennen en trainen nimmer een hechting of verdovende injectie in mijn lijf verdwenen en heb nooit in een ziekenhuisbed gelegen. Enerzijds is dit geen verdienste, maar anderzijds is het ook niet ... 
... altijd ‘geluk’ geweest, want wel of niet vallen is wel degelijk beïnvloedbaar. Het is volgens mij geen toeval dat sommige wielrenners altijd bij een valpartij betrokken zijn. 
Mijn erelijst
Op 64-jarige leeftijd ontving ik in 2008 mijn 48ste KNWU licentie. In de 47 jaar daarvoor heb ik naar schatting ongeveer 600.000 fietskilometers afgelegd, ofwel vijftien maal de aarde rond, zonder ooit in een ziekenhuis te zijn beland. Aan dat record is op 11 april 2008 een einde gekomen en daarom heeft mijn erelijst in de Terminale Fase van mijn Aards Fietsbestaan uiteindelijk toch nog enige allure gekregen. Vrijwel iedere wielrenner heeft wel eens een meer of minder ernstig kwetsuur opgelopen. Ik heb na al die jaren dus een nieuwe ervaring opgedaan en in zekere zin voelt dat als een erkenning als wielrenner. Daarover schreef ik in Wielerexpress  2009 het volgende:
De nieuwe carbonfiets
Door de slechte weersomstandigheden ben ik het clubrittenseizoen 2008 een beetje laat begonnen. Niet alleen vanwegehet weer, maar ook omdat mijn nieuwe fiets nog niet gereed was. Zaterdag 12 april had ik mij, door de goede weersvoorspellingen, als doel gesteld mijn eerste clubrit te gaan rijden op Sloten en de dag erna op WheelerPlanet (het wielerparcours van HSV De Kampioen, Red.). De vrijdag daarvoor monteer ik de laatste onderdelen (titanium/carbon Time pedalen) en kan ik mijn nieuwe (carbon) fiets gaan uittesten. Dan slaat het noodlot toe …
Op weg naar de ezel
De route gaat via de hoofdvaart naar de ringvaart, alwaar ik aan de Lisserdijk traditiegetrouw een daar staande ezel (zie mijn stukje van vorige week) worteltjes en stukjes appel geef. Onderweg stop ik enkele malen om mijn schoenplaatjes en derailleur goed af te stellen. Ik rij in een slakkengang en geniet van het mooie weer en mijn nieuwe fiets (Reus) en de wielen met hoge carbonvelgen en Vredestein tubes(!) zingen een fantastisch voorjaarslied. Ik heb mijn fiets geheel eigenhandig afgemonteerd, omdat ik Meester wil zijn over mijn Fiets en de Fiets geen Meester mag zijn over mij. Ik heb zojuist het stelschroefje van de kabel van mijn achterderailleur nog even bijgesteld en kijk naar beneden naar het achtertandwiel of de ‘ketting wel goed spoort’. Daarbij wijk ik – zonder dat ik daar erg in heb – van mijn rechte lijn af, stuur ietwat naar rechts en ineens lig ik op straat. Ik heb een geparkeerde auto aan het uiterste kantje van de achterbumper geraakt en het gezang van mijn carbonvelgen houdt abrupt op.  
Huisnummer 619
Ik voel een helse pijn in mijn linkerbeen, maar die wordt verdoofd door het instinct mijn fiets te pakken. Dus sta ik op en constateer dat mijn linkerbeen iets korter is geworden. Als ik naar beneden kijk, zie ik dat mijn voet dwars ofwel haaks op mijn onderbeen staat en aan de linkerkant doet een stuk bot zijn best door de wielersok een uitweg te zoeken. Bloed sijpelt,  vanuit diverse kleine onschuldige gelaatsbeschadigingen, over mijn lippen. Er komen omstanders bij, maar het enige waar ik op let is Mijn Fiets. Verhalen over renners die na een valpartij en opname in het ziekenhuis hun karretje daarna nooit meer terug hebben gezien, kwellen mijn belevingswereld en dat heeft een verdovende uitwerking op mijn pijngevoelens. Een man draagt Mijn Fiets weg en zijn huisnummer 619 wordt vanuit een verduisterd onderbewustzijn voor eeuwig geregistreerd. 
Dag schoen!
Er komt een ziekenauto vanuit het nabij gelegen Hoofddorp aanrijden en ik word op een brancard gelegd die vervolgens in de ambulance wordt geschoven. De ziekenbroeder stelt een aantal vragen en daarna verzoekt hij mij of ik mijn raceschoen kan uitdoen. Ik heb mooie nieuwe witte Sidi schoenen aan en het lukt mij niet om de sluiting te ontkoppelen. Dan komt er een grote schaar tevoorschijn en de schoen wordt verknipt. Hij betast de enkel en vraagt of het pijn doet, maar ik voel niets want ik ben nog steeds met mijn gedachten bij huisnummer 619 en programmeer dat in mijn brein met een ezelsbruggetje als ‘soixanteneuf met een 1 ertussen’. Zijn collega maakt naar aanleiding van de diagnose aantekeningen en ik hoor iets over een hoge pijngrens mompelen. 
De euforie van morfine 
Ik word blijkbaar reeds voorbereid voor de operatietafel en trek in de auto mijn shirt met lange mouwen uit. Er vallen stukjes appel en wortel uit de achterzak. “Nou u eet wel erg gezond”, is de reactie van de broeder. Ik vertel dat ik regelmatig tijdens mijn trainingsritje een ezel te eten geef en hij kijkt lichtelijk meewarig naar zijn collega. Die geeft een hoofdknikje en even later krijg ik een morfinespuit. Men is blijkbaar in de veronderstelling dat ik wartaal uitsla. Ik geraak in een soort trance en onderga alles vanuit een roes. Er wordt een infuus in mijn arm aangebracht en de koersbroek wordt van het lijf geknipt. Pas dan bemerk ik dat zowel het kruis van de broek als het zweetshirt(!) drijfnat is. Dat kan niet veroorzaakt zijn door overdadig transpireren en ik besef dat de op mijn leeftijd al of niet latente aanwezige incontinentie zich door alle spanningen wel heel erg nadrukkelijk en acuut gemanifesteerd heeft. Ik kijk verontschuldigend, maar de broeder knikt begrijpelijk. Ik krijg een vreemdsoortig hemd aan en daar lig ik dan.
Geen schrammetje
In het ziekenhuis beland ik – nadat er röntgenfoto’s zijn gemaakt – op een klein kamertje. Er is een drievoudige gecompliceerde enkelbreuk geconstateerd en ik word direct geopereerd. Mijn allergie voor een mobieltje speelt me nu parten, want ik kan het thuisfront niet bellen. De aanwezigheid van een medepatiënt brengt uitkomst. Ik vertel mijn vrouw allereerst dat mijn fiets opgehaald moet worden aan de Lisserweg 619. Schoonzoon Hans zou zich nog diezelfde avond over mijn fiets – die vrijwel geen schrammetje had opgelopen – ontfermen. Mijn vrouw komt even later bezorgd aan mijn bed zitten. Ik ben klaar voor de operatie en betrap me erop dat ik nerveus ben en lichtelijk lig te schudden. 
Jan de Bok
’s Avonds – na de geslaagde operatie – komt er familiebezoek en ik onderga dit, want ik ben toch vooral bezig met het verwerken van mijn eigen ervaringen en mijn carbongedachten dwalen af. Ik reageer afwezig en maak mijn koosnaam Jan de Bok geheel waar. Ik heb blijkbaar niet voor niets een voorkeur voor de nukkigheid van bokken en de koppigheid van ezels. Ik geef nadrukkelijk aan dat ik op zondag geen bezoek wens, want dan wil ik in alle rust op de televisie kijken naar Parijs – Roubaix. Iedereen accepteert dat, want men kent inmiddels wel de hersenkronkels van De Bok.
Ongewassen het bed in
Mijn kamergenoot is een oudere vrouw en zij is juriste. Zij heeft haar heup gebroken en heeft ook nog diverse andere fysieke ongemakken, maar samen bezitten we een bijzonder goed klikkende vorm van bizarre zwarte galgenhumor. De samenspraak met haar zal ik nooit vergeten, zoals iedereen die ooit in een ziekenhuis heeft gelegen zich bepaalde medepatiënten – in positieve of negatieve zin – zal blijven  herinneren. Voor het overige maak ik me zorgen over het feit dat ik nu waarschijnlijk ook gewassen zal worden door een van de vrouwelijke verpleegkundigen. 
Paarsgekleurde knakworsten
’s Morgens – dus de dag na de operatie – vroeg komt een mij nog onbekende verpleegster de afdeling op en ik zit – hoewel dat helemaal nog niet is toegestaan – al met mijn beide benen buiten de rand van het bed en wek de illusie alles onder controle te hebben. “Oh”, zegt zij, “U kunt zich zelf wel wassen” en zet een schaal met water, washandje en handdoek op mijn tafeltje. Ik zie dat mijn tenen als gezwollen en paarsgekleurde knakworstjes uit het gips steken. Na wat manueel gepoedel in het water, waardoor ik de indruk wek mij daadwerkelijk te wassen, ga ik weer snel met ‘mijn been omhoog’. De paarsheid van de tenen neemt af en door de beter gereguleerde bloedsomloop vermindert de pijn in mijn enkel. 
Routinegeval
De chirurg komt – met in zijn slipstream nog een aantal verpleegkundigen – zijn gebruikelijke ronde maken. Ik besef dat ik een gewoon routinegeval ben en laat dat ook schertsend blijken met de woorden: “Nou dokter, waren alle gevallen maar zo simpel als mijn breuk”. Het valt mij op dat hij met een – al of niet gespeelde ernst – mij wijst op de gecompliceerdheid van de fractuur en dat ik het niet moet onderschatten. Ik had nog even het idee dat ik de naderende fietsvakantieweek op Mallorca met het Team van Koos Tacx, alsmede een tiendaags verblijf in Frankrijk met vrouw, dochter, schoonzoon en kleinkinderen nabij de Mont Ventoux (de bergversnellingen had ik al thuis op de werkbank liggen), nog daadwerkelijk zou kunnen beleven, maar zijn uitleg zegt voldoende. 
Indianenverhalen
Grappig detail is overigens dat onder ziekenhuispersoneel ook fietsmensen aanwezig zijn. Mijn benen hebben een bruin/witte afscheiding wat betreft daar waar de zon op het been schijnt en daar waar de koersbroek begint en uiteraard zijn de benen onthaard. Een van de charmante (!) verpleegsters zegt: ‘U fietst zeker veel?’. Ik bevestig dat en er ontstaat een geanimeerd gesprekje, waaruit blijkt dat haar man het boekje Wielerexpress jaarlijks leest. Ik ben ontroerd en overweeg nog even haar te vragen mij de volgende ochtend te wassen. Naderhand zou ik nog contact krijgen met verschillende mensen die mij bijna allemaal weten te vertellen dat een enkelbreuk slechts zes weken problemen geeft, maar je daarna weer gewoon kan fietsen. Indianenverhalen, want niet één enkelbreuk is hetzelfde. 
Hardop dromen
Mij wordt na twee dagen gevraagd of ik al mijn ontlasting heb gedaan, maar ik vertel dat ik nog geen aandrang heb. Na drie dagen begint mijn buik echter gevoelsmatig toch wel iets op te zwellen en de druk op de endeldarm neemt toe. Ik vertoon trouwens ook nog andere vreemdsoortige verschijnselen, want mijn kamergenote vraagt mij of ik ’s nachts heb getelefoneerd met mijn schoonzoon Hans en dochter Nathalie over de Mont Ventoux en met Koos Tacx over de fietsvakantie op Mallorca. Blijkbaar heb ik in mijn slaap liggen praten. Ik heb tevens nachtelijke visioenen over het ‘op de pot zitten’ ofwel het onder de kont hebben van een ‘steek’. Aan het eind van de nacht word ik wakker en de aandrang is ondragelijk, maar ik weiger op het belletje te drukken. 
Bruine bergen
Heel gluiperig laat ik mij uit het bed glijden en hoor mijn kamergenote snurken. Ik kruip langs haar bed naar de gang. Links is het toilet tegenover het kamertje van de nachtverpleging. Al kruipend doe ik onhoorbaar de toiletdeur open. Gelukkig piepen de deuren niet. Ik kruip naar de WC pot en hijs me erop. Ik slaak een onderdrukte zucht van verlichting wanneer een lawine van gebundelde afvalstoffen als een lavastroom mijn onderlichaam verlaat. Ik kijk nog even in de pot en de enorme hoop doet me denken aan de bruine bergen die wel eens door renners achtergelaten worden in omkleedgelegenheden en het spoelmechanisme niet in staat is gebleken zoveel productie te verwerken. 
Ik kruip weer voorzichtig naar mijn kamer en hijs me in bed. Ik kan de slaap niet meer vatten door het prille daglicht van het ochtendgloren en op de gang hoor ik geluiden die aangeven dat de dag is begonnen. Er komt een patiënt van een andere kamer van het toilet en ik hoor hem zeggen: “Tjezus, er heeft vannacht een olifant op de pot gezeten.” Pas dan realiseer ik me dat ik door de logistieke spanningen blijkbaar vergeten ben de WC door te trekken. Het huisnummer 619 wentelt echter nog steeds door mijn hoofd. Voorgoed! 
Tot volgende week!
Jan Zomer

Door Fred van Slogteren, 25 maart 2012 12:00

Onderwerp
Tekst
Je naam
Email
Web